In een dorp tusschen Hoogstraten en Calmpthout, in de Antwerpsche Kempen, woonde Peer Gansendonck, de Baas uit de afspanning de St.-Sebastiaan.
Ik heb hem gekend na 1830, toen ik soldaat was. Van dien tijd weet ik echter niets meer over hem, dan alleenlijk, dat hij geene soldaten en boeren lijden kon en liefst met officieren te doen had. Ook was hij ten uiterste tegen den burgemeester verstoord, omdat deze den kapitein der compagnie in zijne eigene woning genomen had, de drie officieren bij den baron, den notaris en den dokter had gelegd, en hem, Peer Gansendonck, niemand te herbergen overgelaten had dan den sergeant-majoor, uwen ootmoedigen dienaar.
Ik herinner mij ook, dat ik mijne ledige uren veeltijds doorbracht met allerlei aardig speelgoed te maken voor Liesken, het vijfjarig dochterken van Baas Gansendonck. Het kind was ziek en scheen te verkwijnen; maar er was iets zoo lieftalligs in hare engelenoogskens, iets zoo zuivers in haar marmeren aangezichtje, iets zoo zoetklagends in haar zilveren stemmeken, dat ik er eene soort van geluk in vond, het kranke lam door spel, zang en vertellingen te troosten en te verkwikken.
Wat schreide Liesken bitter, hoe biggelden haar de tranen over de wangen, toen de trommels het laatste vaarwel roffelden, en dat haar goede vriend, de sergeant-majoor, met den ransel op den rug daar gereedstond om voor altijd te vertrekken!
Maar zulke indrukken verdwijnen zoo snel uit het jonge gemoed! Sedert heb ik nooit meer aan het kleine Liesken gedacht, en het kind heeft mij ongetwijfeld even diep vergeten.
Nu onlangs brachten mijne dwaalreizen door de Kempen mij voor de eerste maal weder in hetzelfde dorp. Ik trad er in zonder voorgevoel, zonder de minste verwachting.
Evenwel, niet zoohaast had ik het beeld der kerk, der huizen en der boomen in mijn binnenste ontvangen, of een glimlach van verrassing klom op mijn gelaat, en de borst zwol mij van blijde aandoening. Bovenal deed het gezicht van het oude uithangbord boven de afspanning mijn hart kloppen.... Ik boog het hoofd met ontsteltenis en bleef eene wijl roerloos staan, om den stroom van jeugdige herinneringen te genieten, die als een zoele balsemvloed mij door het hoofd golfde.
Wat moet in de jonkheid onze ziele toch beminnend en machtig zijn, daar zij alles, wat haar omringt, voor eeuwig in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult! Menschen, boomen, huizen, woorden, alles, – levend of levenloos, – wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziele loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene, en terwijl wij onophoudend het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, in de onbegrensde toekomst te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur eenstemmig met ons.
Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot, ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van hen roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij: zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdigde kracht bij dien roep.... en in stille, goedsdienstige aandoening dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat.
Voor de deur der oude afspanning staande, was ik gansch teruggetooverd naar betere tijden. Ik zag mijne kameraden, mijne officieren weder; de trommel bromde in de verte, ik hoorde het manhaftig commando klinken, den wegrukkenden zang boven de huizen galmen, den jagershoorn in het lindenloover schallen.... maar tusschen dit alles verscheen nog klaarder en frisscher het rustig engelenbeeld van Liesken, dat mij toelachte uit het verledene.