De complete werken van Joost van Vondel. 4
Joost Vondel




Joost van den Vondel

De complete werken van Joost van Vondel / Met eene voorrede van H.J. Allard, leraar aan 't seminarie / te Kuilenburg





De Vertaalder aan Keizeren, Koningen, en allen geweldigen[1 - Naar de oude beteekenis van 't woord, voor machtigen.] op aarden.

Klinkert.[2 - Eene latere lezing van die verzen zie in Van Lenneps Nalezing.]


		Gij, die van peerlen, goud, en diamanten schimmert[3 - Germanisme voor schittert.],
		Goôn! in wiens voorhoofd God zijn beeld heeft ingedrukt,
		Die 't purper kraken doet, en kreukt uw haar, gejukt
		Met glanzig kroonengoud, te weeldig opgetimmerd[4 - Rijmshalve voor opgetast.]:

		Wordt niet jeloers, wanneer gij Salomon ziet brallen,
		Die op zijns vaders troon der rijken scepters zweit[5 - Voor zwaait.],
		En, met de bliksems van zijn heil'ge Majesteit,
		Ontschept[6 - Doodt.] en doodverwt die voor hem op 't aanzicht vallen.

		Hoe sterk zijn glorie straalt, nog is 't maar enkel rook;
		Zijn pracht en praal verwelkt, zoo smilt uw blijdschap ook;
		Zijt dan op sterflijk leen hovaardig noch vermetel:

		Geen rijk bestendig is als[7 - Thans dan.] 't Hemelsch Koninkrijk
		Daar Jezus heerscht, die u, Monarchen! algelijk
		Geweldig dagen zal ter vierschaar voor zijn zetel.

    DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.



DE VERTAALDER WENSCHT ZIJNEN VRUND, DEN HEER DIERICK KORVER ALLES GOEDS


Het gene de voortreffelijke Michel de Montaigne in 't algemeen van een uitnemende[8 - uitstekend.] poëtisch werk getuigt, daar hij schrijft: La bonne, la supreme, la divine est au dessus des regles de la raison. Quiconque en discerne la beauté d'une veüe ferme & rassise, il ne la void pas: non plus que la splendeur d'une esclair. Elle ne prattique point nostre jugement: elle le ravit & ravage;—dat zelve mogen wij in 't bijzonder van dit juweel spreken: waar in de Heere van Bartas schijnt hem zelven te overtreffen, en uit de heerlijkheid des grooten Salomons zijnen glans te scheppen. Want gelijk hier de stoffe uitnemende is, alzoo is ook de kunst ongemeen, en de gedichtlievende lezer wordt van een aardsche tot een Hemelsche glorie opgetogen: zoo dat hij, Salomon vergetende, opstijgt voor de voeten van Christus, aller Koningen Koning, wien alle macht in Hemel en op Aarde gegeven is, en in dewelke de volheid der Godheid lichamelijk woont, en alle schatten van wijsheid en kennisse verborgen zijn. Heeft ons oordeel dan in zulken Goddelijken licht geschemeroogd: hebben onze tedere oogen kwalijk zoo heilige bliksemen konnen verdragen: en is hier Salustius niet als Salustius uitgedrukt: dat willen wij geerne toestaan. Evenwel, mijn Zangeresse leergierig heeft, om haar feilen aangewezen te zien, haar zelve willen onderwerpen uwe A. oordeel, hetwelk zij heeft ervaren te wezen gezond, rijp en bezadigd; zoo dat ze wenscht, indien de Rijmers malkanderen eenmaal uitdagen, om zonder bloedstortinge om den palm of lauwerhoed[9 - krans, verg. boven bladz. 76b, aant. 553.] te kampen: dat uwe A. de voorplaats onder de scheidsmannen moogt bekleeden, ten einde het vonnis te billijker gestreken werde. Ontvangt dan, jonstige Korver! mijn geleende veerzen, en doet ons die eere, dat gij onze feilgrepen op de kant aanteekent, opdat wij ze aanmerkende[10 - opmerkende, in aanmerking nemende.] namaals beteren.

t' Amstelredam, dezen 28. van Loumaand 1620.



    Uwe A. verplichte Vrund
    J. V. VONDELEN.




VOORREDEN


Ik hebbe, Lezer, meermaals voorgehad, mijn plompe handen aan dit zuivere te slaan; maar vreeze heeft mij altijd doen aarzelen, omdat ik ontzag, met ongewijde vingeren deze arke aan te tasten: en liet mij vastelijk voorstaan, dat geen gemeen priester of Leviet, maar wel een hooger als ik geoorloofd was, zijn voetzool in dit heilige der heiligen te zetten. Mijn gevoelen hier in wierd versterkt, vermids het loflijk getuigenisse, dat de aldertreffelijkste verstanden van dit puikjen gaven: gelijk dan, neffens andere, zijnen uitlegger Simon Goulart hier van luidskeels trompettet in deze woorden: s'ensuit la Magnificence ou seconde partie du quatriesme jour de la seconde Sepmaine, ou Salomon est proposé esleu pour successeur a son pere. Sa sapience, son mariage, son Temple basti a l'Eternel, y sont si magnifiquement descrits, qu'en cest eschantillon le Sieur du Bartas semble avoir voulu surmonter soy-mesme, & par ses riches inventions debatre avecq la dignité d'un si sublime sujet. Dat is: volgt de Heerlijkheid of het tweede deel van de vierde dag der tweeder weke, alwaar Salomon wordt voorgesteld als zijns vaders gekoren nazaat; zijn wijsheid, zijn houwelijk, zijnen tempel Gode gebouwd, wordt er zoo heerlijk beschreven, dat in dit munster-staal[11 - proefstuk.] de Heere van Bartas schijnt hem zelven te willen overtreffen, en met zijn rijke versieringen te worstelen met de weerdigheid van zoo hoogwichtige stoffe.—Het was dan niet zonder oorzaak, dat ik mij hier aan vreesde te bezondigen. Maar gelijk mij vreeze somtijds dede deinzen, alzoo noopte mij wederom een heimelijke hertstocht, om eenmaal[12 - Germ. voor eens.] te zien, hoe ik deze Fransche Venus met een Neêrlandsch gewaad en hulsel zouden mogen tooyen en opsmukken, en met Apelles ten toon zetten, om van nutte berispers mijn werk te laten keuren. Ik wikte. Ik waagde 't. Lezer, verwondert u niet dan wij onder alle zijn puikrijmen dit paragon[13 - Grieksch voor puikbeeld en hier door overkijker vertaald.], dezen overkijker, hebben uitgekeurd: zoo doen ook die gene, die diamanten onder diamanten uitpikken. Latet[14 - Laat het.] u ook niet vreemd toeschijnen, dat wij wat tijds met vertalen spillen: een berooid huisraad moet veeltijds van anderen wat ter leen bezitten. En zoo gij ons voorwerpt[15 - Germ. voor voorhoudt, voor de voeten of tegen-werpt.] die boerterij van d' ekster, die onder de paauwen met geleende veêren dacht te pronken, wij voelen, dat wij deerlijk[16 - Zoo lees ik voor heerlijk, dat geen zin geeft.] getakt[17 - Voor getroffen, gekwetst.] en op ons zeer geraakt zijn, want wij brageeren met het gene eens anders is. Maar eer gij u aan onze rijmen ergert, zoo bidde ik, dat gij eerst deze dingen op de rijge[18 - Thans rij; in Overijsel zegt en zingt men echter nog steeds van "bonte, bonte riege".] overweegt: 1. dat wij u een vertalinge en geen eigen vindinge ter hand stellen. 2. dat wij zoetelijker hadden mogen vloeyen, zoo wij ons niet naauwer aan de text wilden binden. 3. dat mijn moeder mij geen beter Nederduitsch geleerd heeft. Mag ons dit niet afwasschen, en blijfdy evenwel daar op staan, dat wij met Faëthon ons onderwonden hebben, den zonwagen te mennen: ik hebbe niet te zeggen, dan mij daar mede te troosten, dat men ten minste nog van mij getuige:

		Hic situs est Phaëthon currus auriga paterni,
		Quem si non tenuit, magnis tamen excidit ausis.


DAT IS:

		Alhier ligt Faëthon verslagen,
		De voerman van zijns vaders wagen:
		Die, of hem is[19 - Al is hem.] den toom ontgaan,
		Nochtans heeft vrij wat stouts bestaan.

Lezer, ik hebbe gezeîd. Leest nu het kort inhoud van onze overzettinge, daar na de vertalinge van het uitstekendste gedicht dezes goddelijken poëets, en oordeelt heuschelijk van onze misslagen.




HET INHOUD


De poëet beschrijft heerlijk in dit boek de Heerlijkheid van Salomon, de Zone Davids, het afzetsel, gedurende zijn wijze regeeringe, van den waren Salomon, de vrede-Vorst, Jezus Christus, de Zone Godes, en Bruidegom der Kerken[20 - Thans tot kerk (gelijk zake tot zaak) geslonken.]. Zijn voorreden vervat een noodzakelijke vertooninge van het onderscheid tusschen hem en de andere poëten dezes tijds, voornamelijk in de langheid[21 - Min gelukkig voor lengte.] van zijn voorgenomen werk, alwaar hij zich zediglijk ontschuldigt: daar na, volgens zijn voornemen, komt ter zaken[22 - Thans tot kerk (gelijk zake tot zaak) geslonken.]: en als het eerste lid van zijn verhaal stelt David voor, die met uitnemende leerstukken zijnen zone onderwijst, om hem bekwaam te maken tot de regeeringe des koninkrijks: beschrijvende de voornaamste deugden, waarmede een goed vorst zich geduriglijk behoort te vergezelschappen, daar na de kwade, waar van het hem betaamt zich te wachten: het welk besloten wordt met de overlijdinge dezes grooten konings.

Het tweede lid begrijpt[23 - houdt in (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).], hoe God aan Salomon verschijnt, wien glorie, rijkdom, gezondheid en wijsheid aangeboden worden. Hij, van den heiligen Geest gedreven, stelt, en met goede reden, de wijsheid boven alle de andere, waarmeê hem God begaaft, om zijn gaven in hem te kroonen. Daar na stelt de poëet voor oogen deze wijsheid van Salomon, bestaande in de kennisse van alle goddelijke, natuurlijke, en aardsche zaken, voornamelijk in de bestieringe zijner onderzaten, en in de bedieninge des gerechts; waartoe hij bijbrengt een aanmerkelijk voorbeeld, genomen uit de heilige geschichten[24 - Germ. voor geschiedenissen.], uit de tien hoofdstukken van het eerste boek der Koningen, waar uit dit heele poëetsche werk getogen is.

In het derde lid, hebbende aangewezen de gelukzaligheid van Salomon, zoo verhandelt hij zijn houwelijk met de vorstinne van Egypten: het welk, vereischende de alderschoonste streken van een warachtig poëtelijk pinceel, veroorzaakt ook, dat onze uitnemende dichter in 70 veerzen vervolgt een schoone lusthof, waaruit de minneboefjens vertrekken, die Salomon en Faronida tot onderlinge minne bewegen, waar op het houwelijk wordt in het werk gesteld. Te dezer oorzaak hebben het vertrek van Egypten, de aankomste van deze vorstinne te Jeruzalem, de ontmoetinge van den koning met haar, en haar bruiloftsmaal hare bekwame beschrijvinge. Ende overmids dat dit houwelijk van Salomon iet wat grooters beteekent, als de grootheid zelf, te weten: de verborgen eenigheid[25 - Voor éénheid.] van Jezus Christus met zijn kerke, de poëet, willende de Lezer omhooge voeren tot deze goddelijke betrachtinge, neemt de zake wat leeger[26 - Gelijk reeds herhaaldelijk voor lager.]: en onder het deksel van Salomons bruiloftsfeest te vereeren, vertoont ons een wonderbaarlijke dans, te weten der Hemelen: alwaar vaste en dwalende sterren een zoo juist afgepaste beweginge hebben, dat alle andere beweginge ten aanzien van deze maar lomperij[27 - Germanisme voor kinderspel of iets derg.] is. Onder andere past hij tot deze goddelijke dans zon en maan, en bij de zon stelt hij voor oogen Salomon en Christus, bij de maan, de vorstinne van Egypte en de kerke. Dit alles ziet men hier afgemaald in veerzen, die een oneindelijke schoone betrachtinge behelzen, en een ernstiger overweginge vereischen als dit kort begrip: inzonderheid, zoo men waarneemt het gene hij daar aan hecht van het heilig gesprake des bruidegoms met zijne bruid. Wij hebben kortelijk deze dingen op de kant aangeteekend[28 - In de oorspronkelijke uitgave en die van Heins; de desbeluste lezer kan ze dus daar, of anders in Van Lenneps Nalezing naslaan.], om alle heilige gemoederen te bekoren, de meeninge des poëets veel grondiger na te vorschen.

Het leste lid begrijpt geen mindere verwonderinge[29 - Voor bewonderenswaardige dingen.] in de beschrijvinge van de bouwinge dezes heerlijken Salomons tempel, gesticht naar de groote wereld, en ingetogen in de drie boeken dezes wijzen vorst, wiens gebed gedaan in de inwijdinge des tempels hier bij gevoegd wordt: En volgende de aankomste van de koninginne van Saba te Jeruzalem: alwaar zij navorscht de wijsheid des konings, die haar onderwijst in de kennisse des eenigen waren Gods, waar uit vloeit de met rechte verwonderinge des koningins.

Eindelijk, het zij men waar neemt Salomons onderwijzinge, het zij de verschijninge Godes om hem te zegenen, of zijn wijsheid, of zijn glorie, of zijn houwelijk, het afzelsel[30 - afbeeldsel.] van al onze gelukzaligheid, of zijnen tempelbouw, of zijn gansche gelegenheid huiselijk, burgerlijk, en geestelijk, gedurende zijn godsdienstigheid, het zij de bouwinge en schoonheid des gedichts dat alles voor oogen stelt: men moet bekennen, dat met recht dit boek den titel draagt van.




De Heerlijkheid van Salomon


		Wat zijdy zalig! die gij[31 - Voor gij die, gelijk steeds in 't Hoogd.], abel van verstand,
		Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;
		Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,
		Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonen
		Gaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,
		Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:
		Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[32 - Thans liederen en gemoederen (zie reeds vroeger).],
		Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[33 - Thans liederen en gemoederen (zie reeds vroeger).] brengt aan't zieden.
		Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,
		In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aan
		Gekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:
		Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:
		Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[34 - molensteen.] altoos,
		Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.
		Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,
		Naai veerzen lang van sleep uit ernst[35 - Voor ijver of liever naarstigheid, dat eigenlijk hetzelfde woord (neerst voor eernst) is.] te zonderlinge,
		Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloek
		Van wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.
		Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[36 - in eens.]
		Niet uit, maar wispelsteert[37 - Van een nachtegaal gesproken, minder natuurlijk.] gelijk de nachtegalen
		Gedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,
		Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:
		Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[38 - vrees (verg. 't Hoogd. fürchten).],
		Vind nergens nesteltak[39 - tak om op te nestelen.], passeere met der vluchte
		Een veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,
		Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.
		Uw loopbaan eindigt kort[40 - snel.], is vol, is wonder lieflijk,
		Elk veldweegs gij verpoost[41 - telkenmale verpoost, rust gij.], uw adem schept gerieflijk,
		Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijd
		In lustprieelen braaf[42 - volop.] met rozen getapijt:
		Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;
		Nu sneuv'lende[43 - vallende (naar de eigenlijke beteekenis van 't woord).] van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;
		Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;
		Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:
		En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,
		Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,
		Om mijn vertelling gaâr[44 - te gader, zaam.] te hechten, dan en nu
		Een kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.
		Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,
		Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.
		Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;
		Niet[45 - Thans niets.] schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;
		De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,
		En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weiden
		In een mozaïsch werk[46 - Mozaïek werk (niet van Mozes, maar van 't Grieksche museion af te leiden).], tot meerder cieraad, hij
		In verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.
		God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smette
		Zij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zette
		Van een ontloken maagd, en luttel feilen thans
		Meer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
		Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven
		(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)
		Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[47 - verscheiden.],
		Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,
		Leeraren[48 - onderrichten.] Salomon, en, door 't Geheim[49 - Versta: Gods geheime stem.] gedreven,
		In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:
		"Mijn zoon! dien[50 - Hij wien.] zonder twist, meêvrijer[51 - mededinger.], of geweld
		Geluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.
		In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,
		Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;
		Maar die door hulpe van 't geluk het koningschap
		Bereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,
		Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,
		D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.
		Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,
		Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,
		Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[52 - de rijksgebruiken.] moeten wijken,
		En om uw grootheid wij natuur verongelijken:
		Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,
		't Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.
		Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,
		Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[53 - u beradende, bedacht.]
		Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'
		Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:
		't Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,
		En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.
		Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,
		Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[54 - Minder gelukkig voor hof-gewelf.]
		Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhale
		Uws herten Dedalus[55 - Gallicisme voor doolhof (daar die op Creta, naar 't zeggen, door Dedalus was aangelegd).] in uw geheimste zale.
		Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[56 - noodlot.], of de geboort' veel eer
		U Edomieter teelde of Filistijner Heer,
		Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,
		Zoo Meden[57 - Voor Meden- en Perzen-land; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.] aan uw kniên kwam zijnen mijter[58 - myter: het suikerbroodachtige hoofddeksel der Meden.] neigen,
		Zoo Perzen[59 - Voor Meden- en Perzen-land; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.] waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[60 - voegt, dat men oudtijds ook vuegt en omgekeerd veugt spelde, gelijk dueght voor deugd, enz.]
		En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—
		Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,
		Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,
		Bezitten Jozua's en Samsons stoel[61 - Israëls Richterstoel.] naar wensch,
		Een nazaat[62 - Hier voor nazitter (op den koningstroon Israëls).] Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.
		Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:
		Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;
		De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenier
		Uit 't hert[63 - Binnen, midden uit.] zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,
		Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagen
		Met zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,
		Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vrucht
		Hij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.
		De vleyers, Salomon! oorlingen[64 - Anders oor-ringen.] zijn, die waarlijk
		Den wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,
		Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haar
		Snoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,
		De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,
		Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.
		Den bloôn verbeelden[65 - Doen zij zich inbeelden.] zij, dat hij is wijs altoos.
		Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[66 - Hier in goeden zin, schrander.] en loos,
		Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[67 - Rijmshalve voor onderdrukker.],
		Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[68 - doorbrenger.],
		En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,
		Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.
		Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozen
		Afgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:
		Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:
		Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,
		Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gader
		Niet smetten doodelijk stads borrensprong[69 - levend water.] en ader:
		De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaat
		Uitputten zal voortaan van beids[70 - Voor beiden; zie boven bladz. 81, aant. 136.] òf goed òf kwaad:
		Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,
		Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:
		Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:
		Uw nek eerst[71 - het eerst van allen.] onderwerpt der wetten juk en last.
		Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,
		Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[72 - Zonder zijn leven te ontzien.].
		Bewijst gespraakzaam[73 - minzaam.] u, goed, liefgetal[74 - Anders lieftallig of eig. lieftalig.], mijn zoon!
		En volgt vermetel niet de beelden dezer[75 - Gallicisme (gelijk het ook thans nog dikwijls gemaakt wordt, als vertaling van ces) voor dier.] Goôn,
		Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[76 - voor den dag haalt.],
		Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.
		Zijn woord opeten[77 - terugnemen.] past geen koning wijs gezind,
		Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,
		Bedriegend' polt[78 - fopt.] zich zelf; het volk, jeloers[79 - Voor argwanend.] om schouwen
		't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.
		En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid groot
		Heeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.
		Zij[80 - Anders wees.] in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[81 - schraal, karig.]:
		Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.
		't Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,
		En de alderfelste storm op hooge poorten raast.
		Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;
		Indien geweld of eere u oorlog prangt[82 - dringt, noopt.] te voeren,
		Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarm
		Zoo koud[83 - koud: (nam. van bloed, en dus koelbloedig).] zij in 't bestaan[84 - ondernemen.], als in 't uitvoeren warm.
		Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[85 - als een ontembare held.],
		Vrijt den geronnen[86 - Zoo lees ik, voor 't onzinnige gewonnen.] stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:
		Het schaduwende lof eens planebooms[87 - plataan loof.] u frisch
		Een zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,
		Uw oefeninge[88 - lichaams-oefening.] uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[89 - Rijmshalve voor ergens, hier of daar.];
		Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:
		Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meê
		Zuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.
		Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[90 - omgedraaide (verg. nog ons wiel en wieling).] fluiten
		Uw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:
		Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[91 - schiet, vliegt over.],
		Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:
		Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[92 - In zijn oorspronkelijke beteekenis, maar blijkbaar grootendeels rijmshalve en als stopwoord: daarna.]:
		Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechter
		Als hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,
		Gezelle[93 - Medgezel, krijgsmakker.] in 't avontuur en rechter van zijn daân.
		Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,
		Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbreken
		Van uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cier
		Dien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,
		En ga slaat[94 - merkt op, houdt in 't oog.], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[95 - al te langdurige natheid.]
		Versmacht[96 - versmachten.] eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[97 - Rijmshalve voor steelt (tenzij men levensdeelen leze, daar telen hier geen zin geeft).],
		De veel te zware les, der kunsten weelde en lust
		Zoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,
		Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,
		Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.
		Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voorts
		Van 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[98 - van maan en zon.].
		De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.
		De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.
		Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[99 - Nam. de wereld.],
		Doch om verwond'ren[100 - Thans te bewonderen.], hoe in 't werk de wijsheid ligt
		Des geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachten
		D' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachten
		In 't leeger[101 - Gelijk steeds, voor lager.] hof veroudt, en die zijn oogen sterk
		Op 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;
		Die suf beschouwt 't vermaal[102 - verguldsel (verg. 't Fransche vermeil).], medalliën, beelden, standen,
		En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,
		Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,
		Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[103 - Voor schepterdrager; verg. met Van Lennep, vendrig en bliksemdrig.].
		De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;
		Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleine
		Vergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort
		't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.
		Hoort d' oogen[104 - Minder gelukkig, in verband met hooren, voor opzichters, beheerders.] menigmaal die op uw landen oogen:
		Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[105 - deugt niet voor vorst (eig. is als vorst niet te dulden).];
		En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weert
		Van 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!
		Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;
		Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,
		Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,
		Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.
		Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;
		Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,
		Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;
		Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.
		Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[106 - verbrokkelen.];
		Hij stopt, die roert den grond, de borne[107 - bron.] van zijn giften.
		Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[108 - Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv. van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie bijv. boven scheid en weert in één versregel) meer- en enkelv. dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij 't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den rijm.], om Gods wil, dy[109 - Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv. van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie bijv. boven scheid en weert in één versregel) meer- en enkelv. dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij 't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den rijm.]
		Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:
		Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoede
		God! mijns gezichts gevolg[110 - verschiet.] doch af van mijnen bloede,
		Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!
		Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:
		Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,
		Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelken
		U niet te rug doe zien, tracht dat u in die kamp
		Nog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.
		D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,
		Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,
		Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:
		Uw handen ik beveel den staf van Israël.
		Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralen
		Van 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,
		Verletze[111 - Houdt, handhaaft ze.] bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,
		Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,
		Daar Israël op hoopt, daarna[112 - Thans minder welluidend, en daarom verkeerdelijk daarnaar.] ik zucht te voren,
		Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."
		Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,
		En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:
		Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,
		En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[113 - Thans liederen.], veel gezangen,
		En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,
		Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,
		Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,
		Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[114 - uit die vier.].
		De Glorie zwikt[115 - Voor drilt.] een schicht, dieze in haar rechter vaat[116 - Thans vat.],
		En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[117 - Gallicisme voor stoutmoedig.] soldaat,
		In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,
		En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,
		Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruisch
		Vult van de schoone zon het een en 't ander huis:
		'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo gloriet
		Met 's vijands onderlage[118 - Voor onderlegging of nederlaag.], is bloedig gehistoriet[119 - Gallicisme voor beschilderd.],
		Met benden, met trofeên, en ringen: met de voet
		Zij duizend koningen vertreênde zuchten doet.
		De Rijkdom mag[120 - Thans kan.] men prat niet wijd van hier zien brommen,
		Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:
		Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,
		Robijnscherp[121 - Voor schitterend van robijnen.], en gestijfd van ingeslagen goud:
		Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegen
		Komt neêrwaarts een Pactool'[122 - De bekende Goudrivier der oudheid; verg. boven, bl. 30, aant. 25.], een blonden Englen[123 - Waarschijnlijk met zinspeling op de Engelsche munt der Angelotten (ook elders wel engelen genoemd); eigenlijke Engelen zouden hier geheel te onpas komen.]regen,
		Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,
		Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.
		Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,
		Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;
		Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,
		Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:
		Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,
		En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone
		't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zij
		Komt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;
		Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglen
		Van 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:
		Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,
		Men ziet ze oon[124 - Geheel verouderd voor zonder (verg. 't Hoogd. ohne).] regelmaat en passer nimmermeer:
		De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[125 - voordeel.],
		Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.
		De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[126 - naauwlijks.],
		Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/joost-van-de-vondel/de-complete-werken-van-joost-van-vondel-4/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Naar de oude beteekenis van 't woord, voor machtigen.




2


Eene latere lezing van die verzen zie in Van Lenneps Nalezing.




3


Germanisme voor schittert.




4


Rijmshalve voor opgetast.




5


Voor zwaait.




6


Doodt.




7


Thans dan.




8


uitstekend.




9


krans, verg. boven bladz. 76b, aant. 553.




10


opmerkende, in aanmerking nemende.




11


proefstuk.




12


Germ. voor eens.




13


Grieksch voor puikbeeld en hier door overkijker vertaald.




14


Laat het.




15


Germ. voor voorhoudt, voor de voeten of tegen-werpt.




16


Zoo lees ik voor heerlijk, dat geen zin geeft.




17


Voor getroffen, gekwetst.




18


Thans rij; in Overijsel zegt en zingt men echter nog steeds van "bonte, bonte riege".




19


Al is hem.




20


Thans tot kerk (gelijk zake tot zaak) geslonken.




21


Min gelukkig voor lengte.




22


Thans tot kerk (gelijk zake tot zaak) geslonken.




23


houdt in (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).




24


Germ. voor geschiedenissen.




25


Voor éénheid.




26


Gelijk reeds herhaaldelijk voor lager.




27


Germanisme voor kinderspel of iets derg.




28


In de oorspronkelijke uitgave en die van Heins; de desbeluste lezer kan ze dus daar, of anders in Van Lenneps Nalezing naslaan.




29


Voor bewonderenswaardige dingen.




30


afbeeldsel.




31


Voor gij die, gelijk steeds in 't Hoogd.




32


Thans liederen en gemoederen (zie reeds vroeger).




33


Thans liederen en gemoederen (zie reeds vroeger).




34


molensteen.




35


Voor ijver of liever naarstigheid, dat eigenlijk hetzelfde woord (neerst voor eernst) is.




36


in eens.




37


Van een nachtegaal gesproken, minder natuurlijk.




38


vrees (verg. 't Hoogd. fürchten).




39


tak om op te nestelen.




40


snel.




41


telkenmale verpoost, rust gij.




42


volop.




43


vallende (naar de eigenlijke beteekenis van 't woord).




44


te gader, zaam.




45


Thans niets.




46


Mozaïek werk (niet van Mozes, maar van 't Grieksche museion af te leiden).




47


verscheiden.




48


onderrichten.




49


Versta: Gods geheime stem.




50


Hij wien.




51


mededinger.




52


de rijksgebruiken.




53


u beradende, bedacht.




54


Minder gelukkig voor hof-gewelf.




55


Gallicisme voor doolhof (daar die op Creta, naar 't zeggen, door Dedalus was aangelegd).




56


noodlot.




57


Voor Meden- en Perzen-land; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.




58


myter: het suikerbroodachtige hoofddeksel der Meden.




59


Voor Meden- en Perzen-land; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.




60


voegt, dat men oudtijds ook vuegt en omgekeerd veugt spelde, gelijk dueght voor deugd, enz.




61


Israëls Richterstoel.




62


Hier voor nazitter (op den koningstroon Israëls).




63


Binnen, midden uit.




64


Anders oor-ringen.




65


Doen zij zich inbeelden.




66


Hier in goeden zin, schrander.




67


Rijmshalve voor onderdrukker.




68


doorbrenger.




69


levend water.




70


Voor beiden; zie boven bladz. 81, aant. 136.




71


het eerst van allen.




72


Zonder zijn leven te ontzien.




73


minzaam.




74


Anders lieftallig of eig. lieftalig.




75


Gallicisme (gelijk het ook thans nog dikwijls gemaakt wordt, als vertaling van ces) voor dier.




76


voor den dag haalt.




77


terugnemen.




78


fopt.




79


Voor argwanend.




80


Anders wees.




81


schraal, karig.




82


dringt, noopt.




83


koud: (nam. van bloed, en dus koelbloedig).




84


ondernemen.




85


als een ontembare held.




86


Zoo lees ik, voor 't onzinnige gewonnen.




87


plataan loof.




88


lichaams-oefening.




89


Rijmshalve voor ergens, hier of daar.




90


omgedraaide (verg. nog ons wiel en wieling).




91


schiet, vliegt over.




92


In zijn oorspronkelijke beteekenis, maar blijkbaar grootendeels rijmshalve en als stopwoord: daarna.




93


Medgezel, krijgsmakker.




94


merkt op, houdt in 't oog.




95


al te langdurige natheid.




96


versmachten.




97


Rijmshalve voor steelt (tenzij men levensdeelen leze, daar telen hier geen zin geeft).




98


van maan en zon.




99


Nam. de wereld.




100


Thans te bewonderen.




101


Gelijk steeds, voor lager.




102


verguldsel (verg. 't Fransche vermeil).




103


Voor schepterdrager; verg. met Van Lennep, vendrig en bliksemdrig.




104


Minder gelukkig, in verband met hooren, voor opzichters, beheerders.




105


deugt niet voor vorst (eig. is als vorst niet te dulden).




106


verbrokkelen.




107


bron.




108


Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv. van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie bijv. boven scheid en weert in één versregel) meer- en enkelv. dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij 't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den rijm.




109


Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv. van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie bijv. boven scheid en weert in één versregel) meer- en enkelv. dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij 't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den rijm.




110


verschiet.




111


Houdt, handhaaft ze.




112


Thans minder welluidend, en daarom verkeerdelijk daarnaar.




113


Thans liederen.




114


uit die vier.




115


Voor drilt.




116


Thans vat.




117


Gallicisme voor stoutmoedig.




118


Voor onderlegging of nederlaag.




119


Gallicisme voor beschilderd.




120


Thans kan.




121


Voor schitterend van robijnen.




122


De bekende Goudrivier der oudheid; verg. boven, bl. 30, aant. 25.




123


Waarschijnlijk met zinspeling op de Engelsche munt der Angelotten (ook elders wel engelen genoemd); eigenlijke Engelen zouden hier geheel te onpas komen.




124


Geheel verouderd voor zonder (verg. 't Hoogd. ohne).




125


voordeel.




126


naauwlijks.


