Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
John Bowring




John Bowring

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden





HOOFDSTUK I.

MANILLA EN OMSTREKEN


Drie honderd veertig jaren geleden, stelde de Portugesche zeevaarder Fernando de Magalhanes, meer algemeen bekend onder zijn’ Spaanschen naam Magellanes, aan Karel I voor eene ontdekkings-expeditie naar de Oostersche zeeën te doen. De voorwaarden van de overeenkomst daartoe werden te Zaragoza geteekend en in November 1520 voer Magalhanes met eene vloot van 6 vaartuigen, waarvan het grootste 130 tonnenlast inhield, en met een gezamenlijke equipage van 234 man door de straat, die naar hem genoemd is; in het midden van Maart van het volgende jaar ontdekte hij de Mariana-eilanden en weinige dagen later landde hij op de oostkust van het eiland Mindanao aan, waar hij door de inlandsche bevolking heusch werd ontvangen. Daarna bezocht hij het eiland Zebu, waar het hem, ondanks een dreigenden tegenstand van meer dan 2000 gewapende lieden, gelukte de gunst van den koning met zijn hof te winnen; de eerste werd niet alleen in de Katholieke godsdienst gedoopt, maar erkende zelfs de souvereiniteit van de Spaansche Kroon en deed de eeden van onderwerping en onderdanigheid. Toen de koning in vijandelijkheden met zijne naburen werd gewikkeld, nam Magalhanes deel aan den strijd en stierf den 26 April 1521 te Mactan, aan de gevolgen van de bekomene wonden. Dit ongeval werd gevolgd door den moord van al de leiders der expeditie, die, op een feestmaal bij hunnen nieuwen bondgenoot genoodigd, aldaar verradelijk om het leven gebragt werden. Alleen Guillen de Porceleto ontkwam van de 26 gasten, die het gezelschap uitmaakten. Voordat men de Philippijnen had bereikt, waren reeds 3 schepen verloren gegaan; één vaartuig keerde slechts naar Spanje terug; het was de Victoria, het eerste dat ooit de reis rondom de wereld had gemaakt, en de koning van Spanje schonk den kommandant Elcano, een Biscayer, een wapenschild, dat een aardbol met de inscriptie «Primus circumdedit me» droeg. Eene tweede expeditie, mede uit 6 vaartuigen en een’ koopvaarder bestaande, verliet Spanje in 1524. De geheele vloot kwam echter door stormen en worstelingen met de Portugezen in de Molukkos ellendig om, zoodat alleen het koopvaardijschip naar de Spaansche bezittingen in Nieuw-Spanje terugkeerde.

Ongeveer 120 man der expeditie landden te Tidore aan, waar zij eene sterkte bouwden en door eene derde vloot, die Hernan Cortes in 1528 had uitgezonden, werden medegenomen ten einde de ontdekking te vervolgen, waarvan Magalhanes het denkbeeld had opgevat. Deze derde poging had even noodlottige gevolgen als de beide eerste. Deze expeditie bestond thans uit 3 vaartuigen met 110 man en voerde een groot aantal mondbehoeften benevens kostbare geschenken met zich. Men nam in naam van den koning van Spanje bezit van de Marianas (Ladrone-eilanden), bereikte Mindanao en andere zuidelijke eilanden, terwijl tot twee malen toe eene poging schipbreuk leed om Nieuw-Spanje te bereiken. Eindelijk werd de geheele manschap het slagtoffer van het klimaat en van de vijandelijkheden met de Portugezen.

Het Spaansche hof besloot echter te volharden en de onderkoning van Nieuw-Spanje (Mendoza) werd aangezocht eene vierde expeditie uit te rusten, die intusschen de Moluksche eilanden zou voorbij trekken, waar den Spanjaarden zoo vele noodlottige gebeurtenissen waren overkomen. De vloot bestond nu uit 3 schepen en twee koopvaarders, terwijl aan Villalobos het kommando werd opgedragen. Hij bereikte den Archipel en noemde de eilanden de Philippijnsche, ter eere van den Prins van Asturië, later Philips II. Tegenwinden (ondanks de koninklijke bescherming) dreven hen naar de Molukkos, waar de Portugezen hen slecht ontvingen en hen bevalen naar Spanje terug te keeren. Villalobos stierf te Amboina, waar de beroemde zendeling, St. Francisco Xavier, hem wachtte. Vele der Spanjaarden werden overigens door den dood weggerukt en de weinige overgeblevenen met Portugesche vaartuigen uit de Molukkos weggezonden.

Eene vijfde expeditie, op breeder schaal, werd door Philips II uitgerust met het doel om de eilanden die zijnen naam droegen, «te veroveren, in rust te brengen en te bevolken.» Deze expeditie bestond uit 5 vaartuigen met 400 zeelieden en soldaten, en zeilde in 1564 uit La Natividad (Mexico) uit onder bevel van Legaspi, die met eene uitgebreide volmagt tot Gouverneur der Philippijnen werd benoemd. Hij bereikte Tandaya in Februarij 1565 en trok naar Cabalian, waar de erfgenaam van den inlandschen koning hem in zijne plannen ondersteunde. Te Bojol verzekerde hij zich van de hulp en het bondgenootschap der kleinere vorsten op het eiland en vestigde zich daarna zelf op het eiland Zebu, dat gedurende eenigen tijd de hoofdzetel van de Spaansche magt was[1 - Eene nieuwere geschiedenis van de verovering der eilanden en van de Spaansche wetgeving vindt men in het werk van Buzeta, deel I, pag. 57–98.].

Manilla werd in 1581 gesticht.

Ziekte en het despotisme der geneesheeren, die mij ordonneerden voor eenigen tijd de zorgen van het koloniaal bestuur te laten varen en eene zeereis van zes of zeven weken te ondernemen, noopten mij gebruik te maken van de hoffelijkheid en goedheid van den opperbevelhebber van het eskader, Sir Michael Seymour, en zijn vriendelijk aanbod aan te nemen dat eene stoomboot mij zou brengen waarheen ik wilde. De betrekkingen van China met den Oost-Spaanschen Archipel zijn niet van belang ontbloot en zouden nog meer uitgebreid worden door de bepalingen van het tractaat, door lord Elgin te Tientsin gesloten. Bovendien had het langzaam vooruitgaande handels-liberalismus der Spanjaarden nog drie havens voor den vreemden handel geopend, waarvan Manilla tot nog toe het monopolie bezat. Ik besloot dus, nadat ik de hoofdstad zou hebben aangedaan om mij te verschaffen hetgeen ik noodig had tot mijn gemak op reis en waarmede ik niet twijfelde of de goedheid van mijn’ vriend Don Francisco Norzagaray, kapitein-generaal van de Philippijnen, zou mij begunstigen, Zamboanga, Iloilo en Sual te bezoeken. Ik had reeds menige beleefdheid van hem ondervonden in mijne betrekking tot het gouvernement van Hongkong. Men zal zien dat mijne verwachtingen van den gouverneur overtroffen werden, en daar de inlichtingen die ik verkreeg, zeer gunstig waren, werd ik daardoor aangemoedigd de mij gewordene bescheiden te verzamelen en die feiten te publiceren, welke ik in den loop mijner nasporingen bijeenkreeg, gevoegd bij die in druk verschenen stukken, welke tot mijne dienst stonden.

Sir Michael Seymour stelde Hr. Ms. vaartuig Magicienne ter mijner beschikking. De keus was in allen deele voortreffelijk. Niet het minste ontbrak dat tot mijn gemak diende; grootendeels ben ik dat aan kapitein Vansittart verschuldigd, wiens beleefdheid en voorkomendheid door al de overige officieren en manschappen werd nagevolgd. Den 29 November 1858 verlieten wij Hongkong. De Chinesche zeeën zijn welligt de onstuimigste ter wereld en de reis naar Manilla is dikwijls zeer onaangenaam. Dit ondervonden wij dan ook. De woeste baren, die over den voorsteven rolden, schokten het vaartuig heftig en schade aan meubelen, het breken van glas- en aardewerk, en vele persoonlijke ongemakken waren zoovele variatiën, die wij op de reis ondervonden.

Op den vijfden dag kregen wij de vuurbaak aan den ingang van de prachtige haven van Manilla in het gezigt en, na eenige weinige uren stoomens, kwamen wij aan eene ankerplaats op ongeveer een mijl afstands van de stad. Hier reeds kregen wij blijken van de hoffelijkheid, die ons gedurende ons gansche verblijf in deze schoone streken gegeven werden. De Magicienne werd door de verschillende autoriteiten bezocht en schikkingen getroffen voor mijne landing en mijn verblijf in het paleis van den Gouverneur-Generaal. Door de hoofdstad loopt eene rivier (de Pasig), waarop wij roeiden, tot dat wij aan den linker oever eene schoone reeks trappen bereikten nabij de fortificatiën en vlak bij de zuil, die ter nagedachtenis van Magellanes, den ontdekker of althans den stichter van de Spaansche magt in deze eilanden, was opgerigt. Deze doorluchtige naam trok onze aandacht. Het gedenkteeken is deze groote reputatie niet waardig. Het is eene eenigzins ruwe steenen zuil, gekroond met een bronzen aardbol en in het midden versierd met gouden dolphijnen en ankers met lauwerkransen ineengevlochten; het staat op een marmeren pedestal, dat met den naam van den beroemden zeevaarder prijkt, en is door een ijzeren hekwerk omgeven. Men had eerst het voornemen dit monument op het eiland Zebu te plaatsen, doch na eene correspondentie, die verscheidene jaren duurde, met het hof van Madrid, werd de tegenwoordige standplaats bij koninklijk besluit in 1847 gekozen. Er bevond zich een schoone troep kavalerie en infanterie op de plaats, terwijl een uitstekend muziekkorps het «God save the Queen» speelde. Verscheidene rijtuigen met twee en vier paarden stonden gereed om ons naar het Gouvernementspaleis te geleiden, waar ik op de meest vriendschappelijke wijze door den kapitein-generaal en de dames van zijne familie werd ontvangen. Een fraaije reeks appartementen was voor mij in gereedheid gebragt, en bedienden werden onder de bevelen van den major-domus ter onzer beschikking gesteld, terwijl een van ’s Gouverneurs aides-de-camp voortdurend tot onze dienst stond.

Ofschoon de benaming van Manilla aan de hoofdstad der Philippijnsche eilanden wordt gegeven, was die oorspronkelijk toch alleen van toepassing op het fort en de bezetting, waarin de autoriteiten gevestigd waren. Manilla ligt op de linker zijde van de rivier, terwijl aan den regter kant het district Binondo door bijna al de kooplieden wordt bewoond, die daar hunne zaken doen en hunne pakhuizen opslaan. Het paleis beslaat eene zijde van de openbare plaza in de forteres, de kathedraal eene andere van dezelfde localiteit, die op de pleinen van London gelijkt, doch er boven uitsteekt doordien het midden gedeelte met het schoone gewas der tropische landen prijkt, waarvan de bladen eene groote verscheidenheid van kleur aanbieden, van het helderste geel tot het donkerste groen, en waarvan de bloemen om hunne pracht en schoonheid opmerkelijk zijn. Te midden van den tuin staat een standbeeld van Karel IV.

De meest bevolkte en bloeijendste provincie der Philippijnen ontleent haren naam aan de fortificatie van Manilla[2 - Ik bezocht eenige Cochin-Chinesche gevangenen in de fortificatie: zij waren te Turon gevangen genomen en een hunner was een mandarijn, die daar eenige magt had uitgeoefend, – namelijk de kommandant der plaats was geweest. Zij schreven de Chinesche karakters, doch konden de landtaal niet verstaan.], terwijl de haven van Manilla onder de meest bekende en drukst bezochte havens van de oostelijke wereld wordt gerekend. De hoofdstad is beroemd om de pracht van hare godsdienstige processiën; om hare uitmuntende sigaren die ten oosten van de Kaap de Goede Hoop in het algemeen boven Havana-cigaren verkozen worden; terwijl als de minst schoone karaktertrek van de bevolking algemeen bekend is eene algemeene voorliefde voor spelen, hetgeen onder de Indische rassen uit een hartstogt voor hanengevechten blijkt, die eene productieve bron van inkomst voor den Staat geworden zijn. Artisten verbeelden gewoonlijk een’ Philippijnschen Indiaan met een strijdhaan onder zijn’ arm, waaraan hij evenzeer gehecht schijnt als een Bedoeinsche Arabier aan zijn paard. Men zegt dat een Indiaan meer dan eens zijne vrouw en kinderen ten prooi van de vlammen in zijn brandend huis heeft gelaten, doch voor zijn geliefden gallo in zulk een geval de grootste en meeste bezorgdheid koesterde.

Toen wij het anker bij de stad hadden uitgeworpen, zond kapitein Van Sittart een zijner luitenants, vergezeld van mijn’ particulieren secretaris, naar het Britsche consulaat, ten einde van onze komst kennis te geven en schikkingen te treffen om de communicatie van het consulaat met de Magicienne gemakkelijk te maken. Zij konden het consulaat niet gemakkelijk vinden, daar het geen vlaggestok, vlag, of eenig ander teeken droeg. De consul was naar zijn ferme-modète gegaan, waar hij den meesten tijd doorbrengt te midden van Indianen, op eene bijna ontoegankelijke plaats, op eenigen afstand van Manilla gelegen. De Vice-consul verklaarde dat het weder hem te warm was om aan boord te komen, hoezeer wij gedurende een groot gedeelte van den dag de bezoeken van de hooggeplaatste autoriteiten van Manilla ontvingen. De consul schreef (ik ben verpligt hem regt te doen wedervaren) dat het hem «geheel uit zijne gewoonte en gewone huishouden zou brengen» zoo men van hem verwachtte dat hij «Zijne Excellente den plenipotentiaris en Gouverneur van Hongkong» zou fêteren en met de gewone formaliteiten ontvangen. Ik haastte mij den consul te verzekeren dat mijne tegenwoordigheid hem geenerlei onkosten zou veroorzaken, doch dat de afwezigheid van den eenigen vertegenwoordiger der consulaire magt bij de aankomst van een van Hr. Ms. grootste oorlogschepen door den kommandant van dat vaartuig niet onopgemerkt kon blijven.

Een tal van bezoekers vereerde ons bij onze aankomst; onder hen bevonden zich de aartsbisschop en de voornaamste geestelijke dignitarissen; deputatiën uit de civiele beambten, van de leger- en zeemagt en de verschillende hoofden der departementen, die ons tot een wederbezoek op hunne bureaux uitnoodigden; allen gaven door hunne persoonlijke beleefdheid blijken van de bekende Castiliaansche hoffelijkheid. Onder de officieren had zich het gerucht verspreid dat ik een oude gediende was, die de veldtogten onder Wellington had bijgewoond en tot de bevrijding van Spanje van het juk der Fransche overheersching medegewerkt had. Ik verklaarde hun dat, hoezeer ik getuige was geweest van vele gebeurtenissen van die tijden van onrust, in dat romantische land, ik mij daarbij als een rustig toeschouwer en niet als een handelend persoon had gedragen. De baai van Manilla, een der schoonste in de wereld, en de Pasig-rivier die daarin uitstroomt, waren ongetwijfeld goede aanbevelingen voor de positie, die men voor de hoofdstad der Philippijnen had gekozen. Gedurende de vier maanden Maart, April, Mei en Junij, zijn de hitte en stof inderdaad lastig en de muskieten schrikkelijk vervelend. Na afloop van die maanden vallen er hevige regens; het klimaat is echter over het algemeen goed en de sterfte niet groot. De gemiddelde temperatuur gedurende het gansche jaar is 81° 97 Fahrenheit.

Het quarantaine-station bevindt zich te Cavite, een betrekkelijk belangrijke stad ten zuiden der haven. Men vindt er eene groote fabriek van sigaren; de omringende provincie wordt naar haar genoemd. Deze telt ongeveer 57000 inwoners, waaronder bijna 7000 mestizos (van gemengd ras). Door de nabuurschap met de hoofdstad, is de hoeveelheid personen die belasting betalen naar evenredigheid grooter dan in eenige andere provincie.

De stad, die door wallen is omgeven, bestaat uit 17 straten, die breed en regthoekig zijn. Daar in dit gedeelte van de hoofdstad weinig zaken gedaan worden, doordien de handel zich aan de andere zijde van de rivier beweegt, vindt men weinig menschen op de straten en is dit gedeelte over het algemeen stil en eentoonig, hetgeen een opmerkelijk contrast vormt met de werkzaamheid en de digte bevolking der handelswijken. De cathedraal, waarvan de bouw in 1654 is begonnen en in 1672 voleind, is 240 voet lang en 60 breed. Zij boogt op hare 14 klokken, die zelden rust hebben, en op het beeldhouwwerk van de 52 banken, die voor de aristocratie bestemd zijn. Het aartsbisschoppelijk paleis is tamelijk groot, doch scheen mij toe niet veel bouwkunstige schoonheid te bezitten. De vertrekken in dit gebouw zijn eenvoudig gemeubileerd, en ofschoon de aartsbisschop evenzeer als de gouverneur het voorregt bezit eenigen staat te mogen voeren, merkte ik niet dan bij gelegenheid van de godsdienstige plegtigheden, eenig uiterlijk praalvertoon op. Hij ontving mij als een zeer beleefd, deftig, oud heer. Zijne kleeding was zeer eenvoudig en ons gesprek bepaalde zich tot het vragen van inlichtingen omtrent de geestelijke administratie. Hij was een barrevoeter Augustijner monnik (Recoleto) geweest en in 1846 tot de aartsbisschoppelijke waardigheid verheven.

Het paleis, waarin ik zoo goed gehuisvest werd, was gebouwd door een rijken, doch ongelukkigen protégé van een der kapiteins-generaals; in 1690 werd het door den Gouverneur Gongora verbouwd. Het neemt eene belangrijke ruimte in en van de zuidwestelijke zijde heeft men er een heerlijk gezigt over de baai en de in den omtrek liggende heuvels. Men vindt er eene schoone audientiezaal, terwijl de voornaamste bureaux van vele departementen van algemeen bestuur in dit gebouw gevestigd zijn. De patio vormt een fraaije tuin, en is met tropische planten beplant. Er zijn twee steenen hoofdtrappen, waarvan de eene naar de particuliere vertrekken, de andere naar de openbare bureaux leidt. Zooals al de huizen te Manilla, bestaan de vensters van het gebouw uit gladde lijsten, waarin concha of schelpen van half-doorschijnende oesters zijn geplaatst, die een onvoldoend licht geven, doch voor de zonnestralen ondoordringbaar zijn. Ik herinner mij niet eene enkele glazen ruit in de Philippijnen te hebben gezien. Vele der vertrekken zijn breed en fraai gemeubileerd, doch niet, zooals dit dikwijls in Engeland plaats heeft, met overtolligheden vervuld. De Gouverneur was zoo goed iederen dag twee officieren van de Magicienne bij het diner te noodigen, na afloop waarvan er eene tertulia, of avondreceptie plaats had, waarop de notabiliteiten in de hoofdstad mij menige gelegenheid aanboden mij met de aangename en levendige gesprekken te onderhouden, waarin de Spaansche dames zoo zeer uitmunten. Onder deze bezoekers bevonden zich eenige mestizen. Men ziet er intusschen niets dan Parijzer modes; geene sporen van de herinneringen mijner jeugd vond ik terug, – noch de velo, noch de saya of de basquina, evenmin als de schildpadden kammen, hoog boven de pekzwarte cabellera uitstekende; alleen de waaijer was, zooals hij nog is, het wapen der vrouwelijke sekse. Na weinige gracieuse woorden, vereenigden de meeste heeren zich aan de speeltafels.

De Calzada, een breede weg, een weinig ter zijde van de muren der forteres, is voor Manilla wat Hydepark te Londen, de Champs-Elysées te Parijs en de Meidan voor Calcutta zijn. Het is de verzamelplaats van de aristocratie, en van 5 ure ’s namiddags tot dat de avond invalt, is zij bezaaid met rijtuigen, ruiters en wandelaars, wier wederzijdsche groeten al hunne aandacht schijnen bezig te houden; het afnemen der hoeden en het beantwoorden van groeten en complimenten zijn dan ook inderdaad vervelend. Twee malen ’s weeks voert een muziekkorps stukken uit op eene verheven plaats aan het einde van den patio. Spoedig na zonsondergang heeft er een plotseling en algemeen gedrang plaats. Iedereen ontbloot het hoofd: het is de tijd van de oracion, die door het luiden der kerkklokken wordt aangekondigd: gedurende eenige oogenblikken heerscht alom stilte, waarna de wandelingen worden hervat. Er ligt veel plegtigs in dien plotselingen en algemeenen stilstand van alle beweging, en het herinnerde mij aan het nederbuigen der Muselmannen als de stem van den Muezzin zich voor het gebed doet hooren. Eene schoone avondwandelplaats, op het plein van de fortificatiën, wordt alleen des Zondags bezocht. Men heeft er een ruim uitzigt over de haven en de rivier, en zij is des te aangenamer omdat men er van het stof en de slijk der Calzada is verwijderd; de mode komt hiermede echter niet overeen; wil men zich daarnaar schikken, dan moet de massa zich verzamelen waar zij weet dat men elkander ontmoet. Op onze bezoeken van de schoone rivieren, wegen en dorpen in de nabijheid van Manilla, ontmoetten wij zelden een rijtuig of een reiziger, die zich in deze schoonheden wilde verlustigen. En toch mogt men in eene zoo prachtige haven als die van Manilla verwachten, dat daar ontelbare sloepen, pleizierbooten, jachten en andere vaartuigen het genoegen zouden verhoogen en tot de verscheidenheid in het leven medewerken, doch niets van dat alles. Niemand schijnt zich met een enkel der elementen te vermaken. Men kent evenmin hard zeilen op het water als wedrennen op het land. Ik heb het leven in Manilla intusschen wel eens onverdragelijk eentoonig hooren noemen, maar gedurende mijn kort verblijf in die plaats scheen het mij zeer belangwekkend en levendig toe; het kan zijn dat ik eenig voorregt genoot. De stad is misschien niet levendig en de Spanjaard over het algemeen ernstig gestemd, maar hij bezit een warm hart en is gastvrij; men moet hem niet op eenen afstand bestuderen en niet te haastig veroordeelen. Hij is ongetwijfeld kitteloorig en pundonoroso, doch bezit vele edele hoedanigheden. Hoe beperkt de bevolking van Manilla binnen de fortificatiemuren ook is, biedt het naburige landleven vele bekoorlijkheden aan. Voor mij hadden de dorpen, het schoone tropische gewas, de oevers der rivieren en de zoo schilderachtige en aangename stroomen meer aanlokkelijks, dan het vrolijke van de algemeene parade. Iederen dag bood iets anders aan en de meeste vlekken hebben hunne karakteristieke onderscheidingen. In Malate vindt men een aantal bureaux en de vrouwen houden zich daar bezig met het goud- en zilverdraad borduren van pantoffels. Santa Ana is eene geliefkoosde Villagiatura voor de kooplieden en aristocratische inwoners. Nabij Paco ligt het kerkhof, waar «de menigte woont» en het stoffelijk overschot van menigeen begraven is, die zich vroeger onderscheiden had. Guadalupe is beroemd om zijn wonderbeeld en Paco om dat van den Verlosser. Het meer van Arroceros is (zooals de naam aanwijst) eene der voornaamste verzamelplaatsen van booten met rijst beladen; in de nabijheid daarvan bevinden zich groote fabrieken van cigarettes. Sampaloc is het paradijs van wasschers en waschvrouwen. La Ermita en andere dorpen zijn opmerkelijk om hunne bordadoros, die de uitstekende pina-handdoeken leveren, waarvoor zulke groote sommen worden betaald. Pasay is beroemd door den betelbouw, die daar plaats heeft. Achter elk huis bevindt zich een tuin met zijne bamboezen, plantanen en kokosnootboomen, en sommigen met eene groote verscheidenheid van vruchten. De natuur heeft ze met heerlijke bloemen versierd, die van de takken of heiningen afhangen of tegen de eenvoudige woningen der Indianen opklimmen. In meer aanzienlijke gebouwen houden meestal de mestizen of de gobernadorcillos verblijf, die tot de verschillende pueblos behooren.

Philips III gaf de hoofdstad een wapen, schonk haar den titel van «zeer edele stad Manilla» (La mui noble Ciudad) en aan den Ayuntamiento (municipaliteit) de waardigheid van Excellentie.

Gedurende mijn verblijf te Manilla, liet de Gouverneur-Generaal mij iederen namiddag ten 5 of 6 ure in mijne vertrekken verzoeken en reden wij, begeleid van een escadron cavalerie, in eene koets met vier paarden naar verschillende plaatsen in de nabuurschap; deze togtjes duurden van een tot twee uren. Zelden gingen wij langs den weg, dien wij reeds doorgetrokken waren en zoo bezochten wij niet alleen bijna alle dorpen in de nabuurschap, maar trokken ook door menige schoone landstreek, waar de aandacht voortdurend werd bezig gehouden door sierlijke rietvelden, rijzige kokosnotenboomen, de met lange bladen voorziene plantanen, het suikerriet, de papaya, de groene rijstvelden, waarbij zich verscheidene personen bezig hielden met visschen – en wie weet wat er, als de velden droog zijn, van de visch wordt, die zich altijd weder vertoont als eene irrigatie heeft plaats gehad? – en die schoone verscheidenheid en pracht van tropisch gewas, – die rijke en heerlijke vruchten en bladen, wier beschouwing het oog nooit verzadigt. Op zulke tooneelen zou zelfs een Claudius met verrukking neêrzien en waarlijk de kunstenaar moet zeer hoog staan, die zulk een coloriet behoorlijk kon vereeuwigen. En als dan de zon ondergaat en de hemel kleurt op eene wijze, zooals men in gematigde luchtstreken nooit aanschouwt, dan vertoont het luchtruim een grootsch, schitterend en tevens ontzagwekkend schouwspel. In bijna ieder dorp vindt men eenige woningen, die beter en grooter zijn dan de overige en door de inlandsche autoriteiten of lieden van gemengd ras (meestal van Chinesche afkomst) bewoond worden, die den Indiaan aan de Europesche bevolking doet naderen. De eerste verdieping van een huis is meestal hooger dan de grond; men komt er met een’ ladder in. De zoldering, de vloer en het voornaamste houtwerk bestaat uit bamboes; de muren en het dak uit nipa-palm. Eenige matten, een tafel, een paar ruwe stoelen, eenig potten- en aardewerk, schilderijen met heiligen als beelden, eene lamp en eenige kleine gereedschappen, maken het huisraad uit en terwijl de kinderen achter het huis of in den tuin spelen en de vrouw voor de huishouding zorgt, ziet men den heer des huizes gewoonlijk met zijn strijdhaan onder den arm, of over de dapperheid van den gallo spreken, terwijl hij de gallinas wacht.

De meer aanzienlijke huizen in Manilla zijn gewoonlijk regthoekig gebouwd; in het midden bevindt zich een hof, dat omringd is door winkels, magazijnen, stallen en meer; de familie bewoont de eerste verdieping. Aan de zijde van de straat bevindt zich een corridor, waarop de verschillende vertrekken uitkomen, terwijl er overal eene gallerij is, die het uitzigt in den patio (hof) geeft. In al de kamers zijn schuine vensters, wier kleine ruitjes het daglicht door half doorschijnende oesterschelpen laten doordringen; men heeft ook jalousiën voor de ventilatie en de zonnestralen. De keuken is gewoonlijk afgezonderd van de woning. Eene groote regenbak in den patio bevat het water, dat in den regentijd van het dak komt, terwijl de platte-forme van den regenbak meestal met bloeijende planten en vruchten is bedekt. De eerste en eenige vloer rust op pilaren, terwijl geene hooge huizen gebouwd worden uit vrees voor aardbevingen. Het dak is gewoonlijk uit roode pannen zamengesteld.

De vertrekken, die voor het tropisch klimaat zijn ingerigt, zijn ruim, terwijl er menige Europesche mode is ingevoerd: de muren zijn met beschilderd papier bedekt, aan de zoldering hangen verscheidene lampen; men vindt er Chinesche vuurschermen, porseleinen vazen met natuurlijke of kunstmatige bloemen, spiegels, tafels, sofa’s en armstoelen, zooals men die in Europesche hoofdsteden ziet, doch de groote kamers zijn niet met overtollige meubelen opgevuld. Vloerkleeden zijn zeldzaam, – haarden nog zeldzamer.

Onder de Europeanen worden de gewoonten van het Europesche leven door het klimaat eenigzins gewijzigd, maar het scheen mij toe dat de Spanjaarden meerdere karaktertrekken van het oude Spanje bezaten, dan men nu op het schiereiland zelf zou vinden. In mijne jeugd heb ik meermalen voor zeker hooren verhalen dat Don Quixote of Gil Blas niet alleen beelden van het verledene, maar ook getrouwe portretten van de Spanjaarden waren, waaronder ik mij bevond. Spanje was toen zeker nog niet geëuropeaniseerd; maar een tijdverloop van vijftig jaren, een vijftigjarig toegenomen en toenemend verkeer met de overige landen der wereld heeft de oude nationaliteit uitgewischt en in de plaats daarvan zijn Europesche modes, gebruiken en denkbeelden gekomen en onder de hooge en middenklassen van de Spaansche maatschappij doorgedrongen, ja zelfs afgedaald en verspreid geworden onder de lagere klasse der bevolking, wanneer men daarvan die uit de afgelegen landdistricten uitzondert. Tegenwoordig kan men den aristocratischen en hooggeboren Spanjaard niet meer van zijns gelijken in andere landen onderscheiden. Bij de lagere klassen intusschen en de geestelijkheid, is de indruk van het voorledene bijna geheel blijven bestaan. Vreemdelingen van naburige natiën, vooral Engelschen en Amerikanen hebben die gemakken en weelde ingevoerd, welke in zekere mate door de voorname Spanjaarden van Manilla zijn overgenomen; en de eerlijke, gastvrije en vrijzinnige aard, die men onder de groote kooplieden van het Oosten vindt, hebben hun een naam gegeven onder de Spaansche kolonisten en inlandsche landbouwers. Over het algemeen zag ik veel wellevendheid heerschen; ik vond een vriendschappelijk verkeer, waar ik dit zocht, terwijl de grenspalen tusschen rangen en klassen hier minder afgebakend waren, dan in de meeste Oostersche landen. Ik heb aan eene en dezelfde tafel een Spanjaard, een mesties en een Indiaan, een priester, een burger en een soldaat zien zitten. Ongetwijfeld vormt gelijkheid van godsdienst een band tusschen allen, maar voor dengene die de vervreemding en onderlinge afkeer van casten in verschillende deelen der Oostersche wereld heeft nagegaan – casten, die groote maatschappelijke vloek – biedt het gemengde en vrije verkeer van mannen met mannen in de Philippijnen een contrast, dat wel der bewondering waard is. Mallat geeft op de volgende wijze zijn enthousiasme te kennen over Manilla: «verrukkende stad!» – roept hij uit – «in u vindt men goedheid, vriendschap, opregte, edele gastvrijheid, – die deugd welke het huis van onzen buurman tot het onze maakt, – in U verdwijnt het verschil tusschen rijkdom en rang. Bij u is étiquette onbekend! O, Manilla! een hart dat warm klopt, kan nooit Uwe inwoners vergeten; zij blijven eeuwig in herinnering van degenen die kennis met hen hebben gemaakt!»

De Mas beschrijft op de volgende wijze de levenswijze in Manilla: «De inwoners staan vroeg op en drinken dan chocolade en thee (cha); hun ontbijt bestaat uit twee of drie geregten en een dessert. Dit gebruiken zij ten 10 ure. Het diner duurt van 2 tot 3 ure. Van 5 tot 6 ure legt men zich voor de siesta neder, waarna de paarden worden gezadeld en een togtje van een uur naar den pasco gedaan. Vandaar teruggekeerd, wordt thee met brood, beschuit en gebak gebruikt, soms te huis, soms op visite bij een der buren. De avond wordt op verschillende wijzen (meestal met kaartspel) doorgebragt en ten 11 ure begeeft men zich dan ter ruste. Het bed bestaat uit een fraaije mat, met mosquito-gordijnen rondom, een smal en een lang kussen, een abrazador (omarmer) genoemd, waarop de armen of de beenen rusten. Dit bed is op Chinesche wijze en gemakkelijk ingerigt. Men vindt er geene dekens op: de mannen slapen in hunne kousen, hemden en losse broeken (pajamas); de vrouwen in soortgelijke kleederen. Zij zeggen: «Men moet altijd gereed zijn op straat te vlugten in geval van eene aardbeving.»» Ik heb dan ook een geval hooren verhalen, waarin eene Europesche vrouw, plotseling tot vlugten in den nacht genoodzaakt, niet weinig ontsteld was toen zij zag dat zij zich nog moest kleeden vóór dat zij vlugten kon.

Vele van de vlekken, die de voorsteden van Manilla uitmaken, zijn digt bevolkt. Wanneer men door Binondo trekt, komt men te Tondo, – een naam die ook aan het district gegeven is; het telt 31,000 inwoners. In deze vlekken vindt men Indische Gobernadorcillos. De beste huizen zijn van Europesche bouworde en worden door Spanjaarden of mestizen bewoond; zij vormen echter een gering aantal in vergelijking met de Indische Cabánas. Tondo levert de grootste hoeveelheid melk, boter en kaas aan de hoofdstad; men vindt er een weinig fabriek-nijverheid van zijden en katoenen stoffen; de meeste vrouwen worden echter met het vervaardigen van sigaren in de groote fabrieken van Binondo bezig gehouden. Santa Cruz telt eene bevolking van ongeveer 11,000 inwoners, waarvan de meeste kooplieden zijn, terwijl een groot aantal handwerkslieden in dit dorp gevonden worden. In de nabijheid daarvan vindt men de begraafplaats van de Chinezen of, zoo als de Spanjaarden dit noemen, de Sangleyes infieles.

Santa Cruz is een geliefkoosde naam in de Philippijnen. Op het eiland Luzon toch vindt men niet minder dan vier dorpen, die allen digt bevolkt zijn en Santa Cruz genoemd worden, terwijl men behalve deze nog verscheidene andere van dien naam in de Philippijnen heeft. Het is tevens de naam van een der eilanden, van verscheidene heuvelen en van verschillende andere plaatsen; de Spanjaarden hebben dien in elke streek, waar zij hun verblijf vestigden, ingevoerd. Zij zijn overigens zoozeer gehecht aan de namen, die men in hunnen kalender vindt, dat op de Philippijnen niet minder dan 16 plaatsen zijn die San Juan heeten en twaalf die San Joseph genoemd worden. Jezus, Santa Maria, Santa Ana, Santa Caterina, Santa Barbara en de namen van vele andere heiligen zijn voorts die van verschillende plaatsen en vervangen dikwijls de oude Indische benamingen. Santa Ana is een lief dorpje, dat ongeveer 5,500 zielen telt. Het is omgeven door bouwlanden, die door vruchtbaarmakende stroomen geïrrigeerd, zeer productief zijn en groote bekoorlijkheid aan het landschap geven door de palmen, manga’s, bamboezen, suikervelden en verschillende vrucht- en andere boomen aan alle zijden. In dat district houdt men zich voornamelijk met den landbouw bezig. Enkele Europesche huizen met schoone tuinen vormen een fraai contrast met de hutten der Indianen. Het klimaat is als zeer gezond bekend.

In de hoofdstad is groote navraag naar paarden. De invoer van de grootere rassen uit Australië heeft geene gelukkige resultaten opgeleverd. Die rassen waren minder voor het klimaat geschikt, dan de hitjes die nu overal gebruikt worden. De inwoners geven nooit zuiver water aan hunne paarden, maar vermengen dit altijd met miel (honig), de suikerstof van den câna dulce, en men zeide mij dat geen paard water drinkt, dat niet op die wijze is zoet gemaakt. Dit is natuurlijk het gevolg van de «opvoeding». De waarde der paarden, vergeleken bij die op de meer verwijderde eilanden, is in de hoofdstad het dubbele of driedubbele. Uit niets kan men dan ook meer de nadeelen opmerken, die eene onvoldoende communicatie opleveren, dan uit het buitengewone verschil van prijzen van dezelfde artikelen in verschillende gedeelten van den Archipel, zelfs op plaatsen, die een onderling handelsverkeer hebben. Er hebben zich voorbeelden van hongersnood vertoond in een district aan zee, terwijl op naburige eilanden overvloed van voedsel was. Ongetwijfeld zijn de moussons een groot inconveniënt voor een geregeld verkeer, daar men er door gewone vaartuigen niet tegen bestand is; doch de stoom is ook hier het hulpmiddel geworden, toen de handel nieuwe krachten en aanvoer eischte, en geene streken trekken er meer voordeelen van, dan die in de tropische gewesten.

De betrekkingen en herinneringen mijner jeugd worden levendig opgewekt door het gastvrije onthaal, dat ik bij mijnen uitmuntenden gastheer vond en door de hoffelijkheid en welwillendheid van de dames uit het gezin. Ongeveer vijftig jaren te voren had ik mij op het Spaansche schiereiland bevonden, – in die tijden van lijden voor trouw en van strijd voor vrijheid – en nu vond ik in Manilla menig veteraan van dien tijd, wien de «Guerra de Independencia» het dierbaarste van alle gebeurtenissen was; niet onaardig was de vergelijking van hetgeen wij wederkeerig in ons geheugen bewaard hadden omtrent personen, plaatsen en gebeurtenissen. Van diegenen, welke de belangwekkende tooneelen van toenmaals hadden bijgewoond, was thans bijna geen enkele overgebleven, en niemand misschien van hen, die toen de hoogste positiën bekleedden en de belangrijkste rollen speelden, doch hunne namen dienden ons nog tot leiddraad om hen met ons in verhevene gedachten en gevoelens te vereenigen, en daar ik het voorregt had reeds in vroegere jaren met Spanjaarden bekend te zijn geweest, herinnerde ik mij weder alles wat ik vergeten had, en ik vond mij bijna even te huis als in vroegere tijden, toen ik over de bergen van Biscaye trok, aan de oevers van den Guadalquivir danste of de stoffige boekdeelen doorbladerde te Alcalá de Henares[3 - Onder mijne vroegere lettervruchten behoort eene verhandeling waarin ik geheel wederlegde het vreemde verhaal van de vernieling van de manuscripten, die den kardinaal Ximenes tot bewerking van zijnen bijbel in verschillende talen hadden gestrekt.].

Er had een dorpsfeest plaats te Sampaloc (de Indische benaming voor tamarinden), tot de bijwoning waarvan wij uitgenoodigd werden. De huizen waren schitterend verlicht en de straten prijkten met eereboogen; overal klonk muziek, en vrolijkheid en genoegen heerschten alom. Ten huize van de rijke mestizen of Indianen hadden verscheidene bals plaats, waar wij ons bij de genoodigden voegden. De kamers waren propvol met Indische jongens en meisjes. De Parijsche mode was tot deze dorpen niet doorgedrongen; men zag er geene crinoline; – dit liet men aan de hoofdstad over. Hunne inlandsche kleeding bood echter groote verscheidenheid aan; daar had men de veelkleurige kleedjes van inlandsch fabrikaat; de rijk geborduurde halsdoeken van pina; oorringen en halskettingen en andere sieraden en bij dat alles eene levendigheid, die sterk afstak bij de eigenaardige onverschilligheid van de Indische rassen. De tafels waren overvuld met ververschingen, als koffij, thee, wijn, vruchten, koek en gebak, terwijl er een genoegzame geest van scherts en coquetterie heerschte, om een tooneel van hoogere beschaving te vormen. Men bewees den Europeanen veel attentie en hunne aanwezigheid werd als eene groote eer aangemerkt. Onze jeugdige adelborsten waren het drukst en levendigst en wisten zich, zelfs zonder de taal te kennen, bij de Zagalas aangenaam te maken. Sampaloc, dat meestal door Indianen wordt bewoond, die het beroep van waschmannen en – vrouwen uitoefenen, wordt ook wel de Pueblo de los Lavanderos (het wasschersdorp) genoemd. – De feestelijkheden duurden tot in den vroegen morgen voort.

In 1855 publiceerde de kapitein generaal Crespo eenige statistieke opgaven, die veel licht verspreiden over den maatschappelijken toestand van de Philippijnsche eilanden en zoovele belangrijke bouwstoffen voor de vergelijking met de officiële data van andere landen opleveren, dat ik hier eenige cijfers laat volgen, die de aandacht wel waardig zijn.

De stad Manilla bevat 11 kerken, 3 kloosters en 363 particuliere woningen; de overige huizen, ten getale van 88, bestaan uit publieke gebouwen en inrigtingen, die tot verschillende doeleinden gebruikt worden. Van de particuliere huizen worden 57 door de eigenaren bewoond; 189 zijn aan particulieren en 117 aan corporatiën of openbare inrigtingen verhuurd. De bevolking der stad bedroeg in 1855, 8,818 zielen te weten:









Eene vrouw en zes kinderen.



Geheel anders is de evenredigheid in een ander gedeelte van de hoofdstad, het Binondo-district, aan gene zijde van de rivier. Daar heeft men:









Allen kinderen.



Van deze waren één man en twee vrouwen (Indianen) meer dan 100 jaren oud.

De geboorten en sterfgevallen te Manilla hebben in de volgende evenredigheid plaats:








In Binondo zijn de cijfers veel minder gunstig. Daar heeft men voor:








De statistici verklaren deze tegenstrijdigheden niet te begrijpen, maar schrijven ze voor een gedeelte toe aan het stationnaire karakter van de bevolking der stad en de groote beweging, die in den handel te Binondo heerscht.

Binondo is het belangrijkste en rijkste vlek van de Philippijnen en de eigenlijke handelstad. Twee derde gedeelten der huizen zijn van steen gebouwd en met een dak van pannen, terwijl ongeveer een derde uit Indische houten huizen bestaat, die met de nipa-palm zijn bedekt. In de plaats heerscht eene groote bedrijvigheid en levendigheid. Onlangs heeft men aanteekening gehouden van de rijtuigen, die de voornaamste straten doortrekken. Over de Puente Grande (groote brug) gingen dagelijks 1,256; over het grootste plein, Plaza de S. Gabriel, 979, en door de hoofdstraat 915. Op de Calzada, de grootste wandelplaats van de hoofdstad, trekken dagelijks 499 rijtuigen; deze vertegenwoordigen de aristocratie van Manilla. Men vindt er acht bruggen en onlangs is eene ophaalbrug door particulieren gebouwd, waar een bruggeld wordt geheven van al de voorbijgangers.

In Binondo zijn eenige goede kaden aan den oever van de Pasig, en men vindt er een aantal pakhuizen voor den vreemden handel. Vooral de stapelplaats voor tabak is zeer uitgestrekt en de grootte van het gebouw, waarin de inlandsche sigaren worden vervaardigd, kan men berekenen, naar het feit dat 9,000 vrouwen daarin dagelijks arbeiden.

De Puente Grande (die Manilla aan Binondo verbindt) was oorspronkelijk van hout gebouwd en rustte op steenen fundamenten met zeven bogen van onderscheidene grootte en op verschillende afstanden. Twee der bogen werden door de aardbeving van 1824 vernield en sedert is de brug hersteld en verbeterd. Zij is 457 voet lang en 24 voet breed. Van alle zijden heeft men een heerlijk gezigt op de werven, pakhuizen en de bedrijvigheid der bevolking aan den regteroever der rivier, of op de fortificatiën, de kerken, kloosters en openbare wandelplaatsen aan de linkerzijde.

De bevolking van Manilla en hare voorsteden bedraagt ongeveer 150,000 zielen.

De tabaksfabrieken van Manilla, de merkwaardigste van de te bezigtigen inrigtingen, zijn meermalen beschreven. Het gesnap en geraas der duizende vrouwen, die door de voortdurend uitgeoefende magt van de vrouwelijke opziensters niet konden beteugeld worden, zou hinderlijk hebben kunnen zijn voor de bewerking van de tabaksbladen; zij maakten de werkplaats maar levendig. Dit geraas vormt een vreemd contrast met de diepe stilte, die in dergelijke vertrekken heerscht, waarin de mannen arbeiden. De meeste der meisjes, wier aantal 8 tot 10,000 bedraagt, zijn ongehuwd en velen schenen naauwelijks 10 of 11 jaren oud te zijn. Sommigen wonen in dorpen op aanmerkelijken afstand van Manilla gelegen, en vormen bijna een processie als zij naar haar werk gaan of huiswaarts keeren. Terwijl wij de verschillende vertrekken doorgingen, gaf men ons proeven van de resultaten van haren arbeid, en toen wij het etablissement verlieten, schonk men ons schoone bloemruikers. Wij werden begeleid door de opzigters der administratie, die ons met al de bijzonderheden bekend maakten met de gewone Castiliaansche hoffelijkheid. Ik geloof niet dat van de 100 werklieden 1 Spaansch verstond.

De Pasig-rivier is het voornaamste kanaal, dat de communicatie met het binnenland onderhoudt. Zij loopt tusschen de handelsdistricten en de forteres van Manilla. Hare gemiddelde breedte bedraagt ongeveer 350 voet en zij is tot op 10 mijlen bevaarbaar, waar zij van 3 tot 25 voet diep is. Drie bruggen liggen er over, waaronder eene ophaalbrug. De gemiddelde beweging van booten, schuiten en vlotten, die dagelijks met eene lading onder de hoofdbrug varen, bedroeg 277, waarop zich 487 mannen en 121 vrouwen bevonden (de passagiers niet mede gerekend). Het gezamenlijk getal vaartuigen, in de Philippijnen te huis behoorende, bedroeg in 1852 (het laatste jaar waarvan ik de opgaven bezit) 4,053, vertegenwoordigende 81,752 ton en die door 30,485 zeelieden werden bevaren. Daarvan behooren 1,532 vaartuigen van 74,148 ton en met 17,133 zeevaarders alleen tot de provincie Manilla, hetgeen ⅜ der vaartuigen, ⅞ van de tonnemaat en 17/30 van de handelsscheepvaart vertegenwoordigt. De opbrengst van den kusthandel in 1852 wordt op ongeveer 4½ millioen dollars berekend, waarvan de helft aan abacá (Manilla-hennep), suiker en rijst, die de belangrijkste artikelen zijn. De provincie Albay, de meest zuidelijke van Luzon, vertegenwoordigt de grootste geldswaarde, zijnde ongeveer ¼ van de gezamenlijke. In de vijf jaren van 1850 tot 1854 wordt de gemiddelde opbrengst van den kusthandel op 4,156,459 dollars geschat, maar de opgaven zijn zeer onvoldoende en men heeft daarbij niet al de provinciën medegerekend. De commissie voor statistiek beweert dat, wanneer men al de in 1855 bekende documenten en feiten nagaat, men de waarde van den kusthandel gerust op 7,200,459 dollars kan berekenen.

Op een’ afstand van ongeveer drie mijlen van Binondo, aan den regteroever van de Pasig, bevindt zich het buitenverblijf van den kapitein-generaal, waar hij gewoon is eenige weken gedurende het warmste jaargetijde door te brengen; men vindt er een lieve tuin; een gemakkelijk ingerigt beweegbaar bad, dat in de rivier wordt nedergelaten; eene verzameling vogels en eene kleine verzameling van viervoetige dieren, waaronder ik met een chimpanzee kennis maakte, die echter kort daarna aan de gevolgen van een longkwaal stierf.




HOOFDSTUK II.

BEZOEK AAN DE LAGUNA EN TAJABAS


Nadat wij ons gereed hadden gemaakt voor een bezoek bij de Laguna en omliggende bergen, welker prachtige ligging aan het eiland Luzon eene wereldberoemde vermaardheid gegeven heeft, begaven wij ons op weg, vergezeld door den alcalde-major de la Herran, kolonel Trasierra, een adjudant van den gouverneur, die tot mijn bijzonderen gids en bewaker benoemd was, mijn waarde vriend en getrouwe medgezel kapitein Vansittart, en eenige andere heeren. De inwoners der Laguna worden door de Indianen van Manilla Pagasilangan of Oosterlingen genoemd. Toen wij de verschillende dorpen bereikten, kwamen de Principalia of inlandsche gezagvoerders naar buiten, om ons te begroeten, en musicale troepen vergezelden ons naar en van al de pueblos. Wij vonden de Indiaansche dorpen versierd met gekleurde vlaggen en geborduurde doeken, en geweerschoten kondigden onze komst aan. De wegen waren fraai versierd met bamboes en bloemen, en alles riep ons een hartelijk, hoewel eenvoudig, welkom toe. De dikke en rijkgeschakeerde bladeren van den mangaboom, de kleine bamboes met hunne gevederde toppen in de lucht, de nog hoogere kokosnootboom, de areca en de nipa-palmen, de plataan-boomen, welker in elkander geslingerd groene bladeren zulk een rijkdom aan een tropisch landschap geven, de broodvrucht, de papaya en de sterk gekleurde wilde bloemen, die door elkander over oevers en takken groeijen; de rivier, die nu en dan zigtbaar wordt, met hare kano’s en hutten, en Indianen, mannen, vrouwen en kinderen, die den geheelen oever bevolken. Wij gingen over een uitmuntenden weg van Santa Ana naar Taguig, waar een brug van bamboes in haast was gelegd geworden, om ons den overtogt over den stroom gemakkelijk te maken; het eerste rijtuig kwam goed over, met het tweede brak de brug, en er werd eenigen tijd vereischt om het ongeval te herstellen en de andere rijtuigen in staat te stellen om voort te komen. Taguig is een fraai dorp, met warme baden en omstreeks 4,000 inwoners; men zegt, dat de visch daar bijzonder goed is. Nabij hetzelve ligt Pateros, welke naam ongetwijfeld ontstaat door de groote hoeveelheid kunstmatig uitgebroeide eenden (patos), die daar opgekweekt en in ongeloofelijke menigte op de oevers der rivier gevonden worden. Zij worden gevoed door kleine schelvisschen, die in menigte in het naburige meer zijn, en die in booten naar de paterias, op de oevers van de Pasig, gebragt worden. Die eenden-fokkerij wordt door de Indianen Itig genoemd. Elk pateria is van dat van den buurman gescheiden door een beschot van bamboes op de rivier, en met zonsondergang zwemmen de eenden van het water naar nabij gelegene gebouwen, waar zij hare eijeren gedurende den nacht leggen, en keeren ’s morgens met een groot gevolg naar de rivier terug. Als de eijeren verzameld zijn, worden zij in groote bewaarplaatsen gebragt, warme paddi schillen bevattende, die altijd op denzelfden warmtegraad gehouden worden; het geheel is met een kleed bedekt, en zij worden weggenomen door de eigenaars zoodra ze uitgebroeid zijn. Wij zagen honderden jonge eenden loopen in lage bamboe-manden, wachtende tot dat ze op de oevers der rivier overgeplaatst zouden worden. De monnik te Pasig verliet zijn klooster om ons te ontvangen. Het is een volkrijke stad, meer dan 22,000 zielen bevattende. Er is een school voor Indische vrouwen. Het heeft steenen, vierkanten hoeken; de steen is bewerkt voor het verbruik te Manilla, maar zacht en broos. De omstreken zijn versierd door tuinen. Onze gastheer, de monnik, had voor ons in het klooster een maaltijd gereed gemaakt, die met groote netheid en ware gastvrijheid werd toegediend. Toen wij nu de grenzen zijner alcadia bereikt hadden, namen de magistraat en zijne medgezellen van ons afscheid, en betraden wij een falua (felucca), voor ons door den intendant van Marine bezet met een groot aantal roeijers; en voorzien van een karpet, kussens, gordijnen en andere gemakken. Hierin vertrokken wij naar de laguna, voorafgegaan door een troep muzikanten. De roeijers stonden overeind, en bij iederen slag van de roeispaan vielen zij op hunne zetels terug; zij gaven daardoor een groote vaart aan de boot; die oefening schijnt zeer moeijelijk, toch deden zij hun werk met een zeer goed humeur, en zelfs toen zij van den regen dropen, morden zij niet. In het meer (Bay genaamd) is een eiland, tusschen hetwelk en het open land een diep en gevaarlijk kanaal is, genaamd Quinabatasan, hetwelk wij door moesten. De stroom vloeit met eene groote snelheid, en dikwijls gaan er schepen in hun doortogt verloren. De oevers zijn bedekt met schoone vruchtboomen, en de bergen steken aan alle kanten hunne toppen omhoog. Onze bestemming was naar Santa Cruz, en lang vóór onze aankomst was een loodsboot afgezonden, om onze komst aan te kondigen. De zon was onder, maar wij bemerkten, dat bij onze komst de straten verlicht waren, en hoorden de gewone Indiaansche muziek in de verte. Toen wij de rivier bereikten, werden wij in een aangenaam verlicht en versierd vlot gebragt, hetwelk ons aan land bragt – en een gevolg van rijtuigen, in een van welke de Alcade zat, die zijn cabacera of hoofdkwartier verlaten had om voor ons te zorgen, geleidde de troep naar een fraai huis, een rijken Indiaan toebehoorende, alwaar wij geheel gereed een zeer goed middag- of avondmaal vonden, en al de notabelen van de plaats, den priester, als een onmisbaar voorwerp onder hen, verzameld om de vreemdelingen te verwelkomen. Wij gingen langs een schouwburg, die in der haast scheen opgebouwd te zijn, en sierlijk opgetooid was, waarin, zooals men ons berigtte, ter onzer eere en om ons genoegen te doen, een Indisch blijspel in de Tagalesche taal zou worden opgevoerd. Ik was te onwel om te luisteren, maar ik hoorde veel op het tooneel praten (dat natuurlijk voor ons gezelschap onverstaanbaar was), vele zwaarden zich kruisen, en zag vele gevechten voeren, geesten vrouwen najagen tot in bosschen, en koningen en koninginnen in hunne netste pakjes uitgedoscht. De schouwburg was voor de menigte op de straat open en duizenden kwamen de voorstelling bijwonen uit belangstelling en nieuwsgierigheid. Men zeide mij dat sommige acteurs uit Manilla waren gekomen. Onze gastheer was buitengewoon voorkomend; zijne tafel was niet alleen met inlandsche, maar ook met vele Europesche overtolligheden gevuld. Hij was als een Indiaan gekleed en scheen met zijne garderobe te pronken. Hij bediende ons zelf aan zijne eigene tafel, keerde en bewoog zich onophoudelijk alsof hij waarlijk vereerd was om te kunnen bedienen. Zijn naam, dien ik dankbaar herdenk, was Valentijn Valenzuela en zijn broeder bekleedde de waardigheid van priester.

Santa Cruz telt eene bevolking van ongeveer 10,000 zielen. Men zegt dat de meeste zijner inwoners vermogend zijn. De kerk is fraai en de buitenwegen breed en in goeden staat. In de naburige bosschen vindt men veel wild, doch er bestaat weinig lust voor de jagt. In de omstreken groeit eene groote verscheidenheid van tropische producten. De inlanders zamelen wilde honig op, terwijl katoenen en abacá-stoffen voor huisselijk gebruik worden geweven. Het huis, waarin men ons uitgenoodigd had, was fraai gemeubileerd, maar wij vonden er de gewone sieraden van heiligen in beelden en vaatwerk voor wijwater. Des avonds werden de Tagalesche meisjes uit de stad en omstreken op een bal uitgenoodigd en de dag werd met de gewone vrolijkheid en levendigheid besloten; de bolero en jota schenen daar de geliefkoosde vermaken te zijn. Dans en muziek maken de genoegens der Indianen uit; de meeste avonden, die wij in de Philippijnen doorbragten, waren dan ook aan die vermakelijkheden gewijd. Den volgenden morgen bragten de rijtuigen van den Alcalde, die door de kleine ponies van Luzon werden getrokken, ons naar de casa real te Pagsanjan, den zetel van het Gouvernement, of cabacera der provincie, waar wij hetzelfde goede onthaal als van onzen geleider, vonden bij Senor Tafalla, den Alcalde. Pagsanjan telt ongeveer 5,000 inwoners; deze plaats is minder bevolkt dan Binan en andere vlekken in de provincie. Gastvrijheid was hier, even als overal elders, aan de orde van den dag en zelfs van den nacht, en de gulle ontvangst mogt hier te meer op prijs gesteld worden, omdat er buiten de hoofdstad geene herbergen of pleisterplaatsen voor reizigers waren. Hij die intusschen door de autoriteiten wordt aanbevolen en door de monniken in bescherming genomen, zal nooit iets ontberen wat tot zijn gemak kan bijdragen en veeleer over de overtollige bewijzen van gulheid verbaasd staan, dan iets van het noodige missen. Ik werd soms overstelpt wanneer de kelders van de kloosters zich ontsloten voor wijnen, die daarin 20 à 25 jaren bewaard waren, en wanneer ik zeg dat de overvloed van sigaren en chocolade zelfs den meest kritiserenden der critici zou bevredigd hebben, laat ik slechts regt wedervaren aan de giften en de gevers.

Wij deden een uitstapje naar het bevallige dorpje Lumbang. Natuurlijk werd ons tot aan de oevers van de rivier, die de grenzen van het vlek vormen, door de voornaamste autoriteiten uitgeleide gedaan. De stroom was nog al hevig, doch eene bark wachtte ons en bragt ons naar de voorzijde van het klooster aan de overzijde, waar de voornaamste geestelijke, een monnik, ons naar de receptiezalen geleidde. Wij wandelden door het vlek, dat door 5,000 Indianen wordt bewoond en uit eene breede straat bestaat. Uit de vensters der huizen, waar zich eene menigte nieuwsgierigen had verzameld, wapperde een aantal gekleurde doeken en kleederen als vlaggen. Daarna keerden wij naar den cabacera terug en overnachtten daar. In den vroegen morgen van den volgenden dag trokken wij naar Pagsanjan.

Wij kwamen thans in de hoogere streken, wier bekoorlijke plantengroei meer woest en bewonderenswaardig was. Intusschen werden de wegen hoe langer hoe slechter, zoodat onze paarden met moeite de rijtuigen door den dikken modder voorttrokken. Wij moesten menigmaal de hulp der Indianen inroepen, om ons uit het wagenspoor te trekken, waartoe zij steeds met de meeste bereidwilligheid gereed waren. Toen eindelijk de rijweg geheel onberijdbaar werd, trokken wij door het bosch, waar de Indianen met hunne lange messen, hunne getrouwe gezellen, die in den weg staande struiken en takken afsneden en voor ons een begaanbaren weg baanden. Na eenige dagreizen kwamen wij te Majayjay aan. Hier werden wij door een aantal Indianen, met vlaggen en muziek, naar het klooster geleid, van waar de goede Franciscaner monnik Maximo Rico kwam, om ons te verwelkomen en ons langs den breeden trap naar de groote bovenvertrekken te brengen. Dit vlek telt ongeveer 8,500 inwoners; het klimaat is vochtig en de werking daarvan vertoont zich in het heerlijke gewas rondom de plaats. De kerk en het klooster zijn verreweg de merkwaardigste van de openbare gebouwen. Deze plaats is omringd door bergachtige landschappen en de boomen uit de bosschen bieden schoone en afwisselende tooneelen aan. Bladeren, bloemen en vruchten van de heerlijkste vormen en kleuren, – het schoonste struikgewas en takken van tropische boomen, zich op allerlei wijze dooreen kronkelend, zijn de eigenschappen van deze streken. De inlandsche bevolking maakte van de ruwe heuvelachtige streek gebruik om een langdurigen tegenstand aan de Spanjaarden te bieden bij hunnen eersten inval, en de verdedigingsmiddelen moeten zoo krachtig geweest zijn dat bevel gegeven werd om de schatkist van Manilla naar die plaats over te brengen bij de landing der Engelschen in 1762. Gelukkig – zeggen de Spaansche geschiedschrijvers – werd dit bevel niet ten uitvoer gebragt, daar de Engelschen hunne maatregelen hadden genomen tot vermeestering van den buit en het bleek dat de plaats niet tegen hen bestand geweest zou zijn.

Wij wilden nu de bergen bestijgen en moesten dus onze rijtuigen verlaten. Men voorzag ons van palanquins, waarin wij ons in onze geheele lengte konden uitstrekken en die door 8 man gedragen werden, waarbij een gelijk aantal mannen tot aflossing gevoegd werden. De Alcalde van de naburige provincie Tajabas was te Majayjay gekomen om ons tot een bezoek in zijn district uit te noodigen, waar hij zeide dat het volk reikhalzend naar onze komst uitzag en schikkingen voor onze ontvangst gemaakt had, zoodat het niet weinig teleurgesteld zou zijn wanneer wij Lucban niet bezochten. Wij konden zulk een vriendelijken aandrang niet weêrstaan en legden ons thans in de palanquins, die voor ons gereed stonden. Inderdaad wij werden goed beloond. De paden op de bergen zijn in denzelfden toestand, waarin zij door den stroom gebragt waren en bijna onbegaanbaar door de rots-massa’s, die door het water naar beneden geslingerd worden. Soms moesten wij op den ingeslagen weg terugkeeren om een anderen te betreden, die nog veel slechter was. Op sommige plaatsen was de modder zoo diep, dat onze dragers er tot de knieën inzakten en niet dan met groote moeite en den bijstand van hunne kameraden zich of ons uit zulk eene onaangename positie konden redden. Doch geduld en vrolijkheid, aanmoediging, luid gelach en eene algemeene en broederlijke medewerking kwamen alle hinderpalen te boven. Rondom ons was alles stil en eenzaam; doch het gegons van de bijen en het gesjilp der vogelen; diepe ravijnen onder ons, bedekt met woudboomen, die nooit door den bijl van den houthakker zouden worden neêrgeveld; hoogten boven ons, die nog moeijelijker te bebouwen en met een heerlijken plantengroei versierd waren; beekjes en riviertjes die daar zacht kabbelend in grootere stroomen vloeiden en van daar langzaam hunnen weg naar den grooten oceaan baanden, – dat alles was genoeg om onze aandacht te trekken en onze belangstelling gaande te houden. Eindelijk bereikten wij eene vlakte op den kruin van een’ berg, waar twee fraai versierde draagstoelen, met een aantal dragers, voor ons gereed stonden en wij verwelkomd werden door eene schaar bevallige jonge vrouwen, op ponies gezeten, die zij met verwonderlijke vlugheid bestuurden. Zij waren allerliefst gekleed. De Alcalde noemde haar zijne Amazonas en eene lieve woordvoerster berigtte ons in zeer zuiver Castiliaansch, dat zij hier waren gekomen om ons naar Lucban te geleiden, dat eene mijl verder gelegen was. Dit was ons even welkom als onverwacht. Ik zag de Tagalezen onverschillig op den achter- of zijkant van hunne paarden gezeten. Het waren uitmuntende paardrijders, die links en regts gallopeerden en sprongen en met hunne fraaije zweep zwaaiden. Een muziekkorps geleidde ons, en de Indische huizen waar wij langs gingen, droegen de gewone teekenen van welkomstgroeten. Zelfs de wegen waren op meer dan gewone wijze versierd: eerebogen van versierde bamboes aan beide zijden en geweerschoten kondigden onze komst aan. De Amazonas droegen mutsen met linten en bloemen versierd; op de schouders hadden allen doeken van geborduurd pina, terwijl gekleurde voorschoten en rokken van inlandsch fabrikaat tot het schilderachtige uitzigt bijdroegen. Zij gallopeerden den geheelen weg langs, – voor, achter ons of, zoo de weg dit toeliet, aan onze zijde en schenen in alle bewegingen geheel op haar gemak te zijn. Als naar gewoonte begaven wij ons naar het klooster, waar wij den presiderenden monnik – een man van de wereld – aantroffen, die voorkomend, onderhoudend, zelfs geestig in zijne gesprekken was. Hij had vele toebereidselen voor onze komst gemaakt. De voornaamste lieden werden tot het middagmaal uitgenoodigd, waarbij menige geestigheid werd verkocht, en niet het minst door den monnik. Toen men van het schoone geslacht sprak (als de Indische meisjes daaronder gerangschikt kunnen worden) merkte kapitein Vansittart op dat hij 30 ongehuwde officieren aan boord van de Magicienne had.

«Ik doe iets – riep daarop de monnik – zend ze hier; ik zal ieder hunner eene lieve vrouw geven.»

«Maar gij moet ze eerst bekeeren.»

«Ja, ja, daar zal ik voor zorgen.»

«En dan de trouwpenningen opsteken?»

«Natuurlijk, dat is ’t voornaamste.»

Na het diner of souper, zooals men het noemde, werden de Amazonas, die ons ’s morgens vergezeld hadden, met nog eenige andere, binnengeleid; de tafels werden weggenomen en toen ik mij naar mijne slaapkamer begaf, was men nog druk bezig te dansen.

In de kamers van het klooster vond ik nieuwsbladen en boeken. De monnik was weetgieriger dan de meeste van zijne orde en men kon met hem een waarlijk onderhoudend en leerrijk gesprek voeren.

Wij keerden langs een anderen weg naar Majayjay terug, omdat wij een heerlijken waterval wilden bezigtigen, waar men zegt dat de rivier tot op 300 voet afdaalt. Wij kwamen op een rotsbrok zoo digt mogelijk bij den waterval, die een vreesselijk geweld maakte, maar de stof en mist, die weldra onze kleederen doorweekten, verduisterden het tooneel en maakten het ons onmogelijk de diepte van den val na te gaan. Hij wordt door eene karakteristieke schakering van bergen en bosschen omgeven, die wij geen tijd hadden te onderzoeken en waarover de inlanders ons slechts onvolledige mededeelingen konden doen. Zij wisten dat er zich dassen, wilde beeren, buffels en andere wilde dieren in bevonden, doch geen hunner was in die woeste streken doorgedrongen. Een reiziger was eens over de rotsen van den voet tot aan den top van den waterval geklommen.

Wij keerden naar Majayjay terug om door onze gastheeren in het klooster met de gewone gastvrijheid te worden verwelkomd en ontvangen, en nadat wij van onzen Alcalde afscheid hadden genomen, trokken wij naar Santa Cruz, waar wij in onzen felucca langs de kust voeren en te Calamba, een vlek van ongeveer 4,000 inwoners, aanlandden. Daar wachtten ons rijtuigen om ons naar Binan te brengen, nadat wij korten tijd te Santa Rosa zouden zijn gebleven, waar de Dominikaner monniken, wie vele der uitgestrekte goederen in de nabuurschap behooren, ons als gewoonlijk uitnoodigden hun klooster te bezoeken. Wij hielden ons daar slechts korten tijd op. De wegen aan de oevers van de Laguna zijn over het algemeen goed en wij bereikten Binan vóór zonsondergang; in de eerste straat hadden de Indianen zich tot eene processie gevormd, toen wij voorbij trokken. Men had verder vlaggen, takken van bloemen dragende boomen en dergelijke uitgestoken. Eerst trokken wij tusschen rijen jongelingen, daarna langs eene reeks meisjes en eindelijk bereikten wij onder een’ eereboog de schoone woning van een’ rijken mestizo, die met eene Spaansche orde was gedecoreerd, waarmede zijn’ vader reeds was begiftigd. Hij sprak Engelsch, daar hij zijne opvoeding te Calcutta genoten had en zijn huis – dat zeer groot was – leverde genoegzame bewijzen dat hij niet te vergeefs de kunst van huisselijke beschaving had bestudeerd. De meubelen, de bedden, de tafels, het keukengereedschap, alles toonde goeden smaak aan, en de blijkbare opregtheid van de goede ontvangst bragt niet weinig tot het aangename toe. Op het plein tegenover het huis van Don José Alberto was eene talrijke menigte bijeengekomen. De Indianen lieten ons hunne vechthanen bewonderen, doch wij waren niet op de vertooning van hunne oorlogszuchtige deugden gesteld. Er werd een aantal geweerschoten gelost, terwijl na het ondergaan der zon vuurwerk werd ontstoken en een groote vuurballon, waarop de woorden: «De bevolking van Binan aan hare doorluchtige bezoekers» opgelaten, dien wij spoedig uit het gezigt verloren en die welligt onze komst zal hebben aangekondigd aan de Magicienne in de Manilla-baai. Binan is eene plaats van eenig gewigt. Vele rijke mestizos en Indianen hebben er hunne woonplaats. De plaats zelve telt meer dan 10,000 inwoners. Uitgestrekte landgoederen, die daar gelegen zijn, behooren aan de Dominikaner monniken; de voornaamste onder deze was degeen, dien wij het laatst bezocht hadden. Even als overal kwamen ook hier de voornaamste personen ons in ons hoofdverblijf hunne hulde brengen, waarbij de gobernadorcillo, die gewoonlijk Spaansch spreekt, de tolk van de overigen is. Inlichtingen omtrent de plaats, dankzegging voor de ons bewezen eer, waren de hoofdonderwerpen van ons discours, maar de inlanders waren altijd verheugd als de «vreemdelingen uit verre plaatsen» belang schenen te stellen in hetgeen hen betreft. Nergens zagen wij een spoor van armoede; nergens was ophooping, ruwheid of verveling op te merken. De handelende personen en toeschouwers schenen zich evenzeer te vermaken en onze tegenwoordigheid verschafte die goede lieden slechts een feestdag te meer bij hunne geregelde en bepaalde festiviteiten. Binan wordt door eene rivier doorsneden en is ongeveer eene mijl van de Laguna verwijderd. De straten zijn tamelijk breed en de buitenwegen uitmuntend. Bij de meeste huizen vindt men tuinen, waarvan sommige zelfs zeer uitgestrekt zijn. Men vindt er zeer verschillende soorten van vruchten. Rijst wordt er op groote schaal verbouwd, daar de rivier en de daarin vloeijende beeken genoegzame middelen tot irrigatie aanbieden. De landerijen worden meestal door de Dominikanen verhuurd en de groote uitgestrektheid van sommige eigendommen bevordert den landbouw. Vóórdat de landerijen productief zijn, wordt eene geringe pachtsom genoten en, wanneer zij eens winst opleveren, zijn de monniken nog zeer vrijgevige heeren, die hunne huurders vele winsten doen genieten. Men zegt dat zij zich met 1/10 van de geheele opbrengst tevreden stellen. Een huurder wordt zelden de pacht ontnomen, wanneer hij zijne huurpenningen geregeld betaalt. Vele landerijen zijn ook in bezit van associatiën of maatschappijen, onder den naam van Casamahanes bekend. – Tusschen Binan en Manilla wordt veel handel gedreven.

Hoogst voldaan over al hetgeen wij gezien hadden, scheepten wij ons op nieuw in en trokken over de Laguna naar Pasig. Deze schoone rivier afwaarts varende, bereikten wij Manilla ’s namiddags.




HOOFDSTUK III.

GESCHIEDENIS


Eenige weinige schetsen van de levensgeschiedenis van sommige kapiteins-generaal van Manilla zullen voldoende zijn om het algemeene karakter van het Gouvernement luister bij te zetten, dat, op eenige merkwaardige uitzonderingen na, zacht en vaderlijk schijnt te zijn geweest, terwijl de Indianen, wanneer zij niet strengelijk behandeld worden, blijken zeer onderdanig, gehoorzaam en gewillig te zijn. De onderwerping van de wilde stammen in het binnenland is niet zoo goed geslaagd als men zich had voorgesteld, maar de land- en zeemagt, die ter beschikking van den kapitein-generaal staan, waren altijd gering, wanneer men de uitgebreidheid van zijn gezag daarbij in aanmerking neemt. Inderdaad moest men dan ook van vele veroveringen afzien door de ongelijkheid van krachten om die te maken. De geestelijke invloed, onder de afgodische stammen gevestigd, is zeer zwak, wanneer hij in aanraking komt met de gebruiken van het Mohammedanisme, zooals op het eiland Mindanao, waar het fanatisme der Muselmannen bijna even sterk is, als onder de katholieken zelven. Geschillen tusschen kerk en Staat konden bezwaarlijk vermeden worden daar, waar beiden naar eene overheerschende magt streefden; en die twisten hebben menigmaal geleid tot het vergieten van bloed en de ontbinding van het Gouvernement. Wederkeerige afgunst bestaat tegenwoordig nog en daar de monniken in hetgeen de belangen van het volk raakt, somtijds zich tegen de inzigten van de civiele magt verzetten, heeft deze zich dikwijls te beklagen, dat zij door de plaatselijke geestelijkheid wordt gedwarsboomd of in geringe mate ondersteund.

Terwijl ik kortelijk de namen van de kapiteins-generaal zal in herinnering brengen, aan wie het bestuur over de Philippijnen was opgedragen, zal ik tevens eenige weinige episoden aanhalen uit de geschiedenis van het eiland, waardoor men zich een denkbeeld zal kunnen maken van den aard van het bewind, en die den toestand van het volk beter zullen doen begrijpen.

Miguel Lope de Legaspi, een Biscajer, die den titel van veroveraar der Philippijnen droeg, was de eerste Gouverneur en werd in 1565 benoemd. In 1571 nam hij bezit van Manilla en stierf het daarop volgende jaar, naar men zegt, door lusteloosheid en teleurstelling. Tijdens het bestuur van zijnen opvolger, Guido de Lavezares deden chinesche zeeroovers een’ inval in de stad; hij verjoeg hen en verkreeg daarvoor vele eerbewijzingen van zijnen Souverein, Philips II. Francisco de Saude stichtte in Camarines de stad Nueva Caceres, die hij naar zijne geboorteplaats noemde. Hij was een zeer ijverzuchtig man, die een’ Sultan van Borneo afzette en een’ anderen op den troon plaatste en van den Koning van Spanje niet minder dan magtiging vroeg om China te veroveren. Hem werd echter een weinig minder eerzucht en het behoud van den vrede met naburige natiën aanbevolen. Rinquillo de Penarosa ontnam Cagajan aan een’ Japanschen zeeroover en stichtte Nieuw-Segovia en Arévalo in Panay; zijn neef volgde hem op en stak, ter eere van zijne nagedachtenis, de St. Augustijner kerk in brand. De vlam strekte zich tot de stad uit, die grootendeels werd vernield. In 1589, tijdens de regering van Santiago de Vera, werden de eenige twee schepen, die den handel met Nieuw-Spanje onderhielden, door een orkaan in de haven van Cavite vernield. De volgende Gouverneur, Gomes Perez Dasmarinas, zond zendelingen naar Japan die later gedood werden. Hij stelde zich aan het hoofd van eene expeditie naar Moluco, doch bij het verlaten van de haven van Mariveles werd zijne galei van de overige vaartuigen gescheiden; het chinesche scheepsvolk stond tegen hem op, vermoordde hem en vlugtte in zijn vaartuig naar Cochin-China. Zijn zoon Luis volgde hem als Gouverneur op. Een Franciscaner monnik, die de ongelukkige expeditie van zijnen vader had vergezeld, zeide hem dat hij zijne acte van aanstelling zou vinden in eene kist, waarmede de Chinezen in de provincie Ilocos waren geland; inderdaad vond hij dien en de titel van den zoon werd daardoor erkend. Francisco Tello de Guzman, die in 1596 de regering aanvaardde, was even ongelukkig in zijne pogingen tot onderwerping van de inlanders op Mindanao, als een zijner kapiteins, die belast was met de verdrijving van de Hollanders uit Mariveles.

In het jaar 1603 kwamen drie chinesche Mandarijnen te Manilla aan. Zij zeiden dat een Chinees, dien zij als gevangene medebragten, den Keizer had verzekerd, dat het eiland Cavite uit goud bestond; dat hij met zijn leven voor de waarheid van dit gezegde had ingestaan, en zij nu gekomen waren om zich hiervan te overtuigen. Nadat men hen bij den Gouverneur had gebragt, verlieten zij spoedig Manilla om voor zich zelve Cavite te gaan onderzoeken. Al ras verspreidde zich nu het gerucht, dat er een inval op de Philippijnen door een Chineesch leger van 100,000 man beraamd was, en een Chinees, Eng Kang genaamd, dien men als een trouw vriend van de Europeanen beschouwde, werd voor een gedeelte met de verdediging belast. Een aantal Japanezen, erkende vijanden van de Chinezen, werd met het vertrouwen van den Gouverneur vereerd; zij deelden aan de Chinezen mede, dat het Gouvernement eene zamenspanning vermoedde. Inderdaad bestond er een complot en men zeide dat de Chinezen een’ opstand beraamden en voornemens waren de Spanjaarden te vermoorden op den St. Francis feestdag. Eene Philippijnsche vrouw, die met een’ Chinees leefde, gaf den stedehouder van Quiapo kennis van het plan, die daarop den Gouverneur waarschuwde. Eene troep der zamenzweerders was op een halve mijl afstands van Manilla verzameld, en Eng Kang werd nu met eenige Spanjaarden afgezonden om de beweging te onderdrukken. De poging mislukte, en later bleek dat Eng Kang een der hoofden van den opstand was geweest. Des avonds vielen de Chinezen Quiapo en Tondo aan en vermoordden daar vele inlanders. Zij werden door 130 Spanjaarden te gemoet gegaan, waarvan de meesten om het leven werden gebragt. De opstandelingen zonden hunne hoofden naar Parian, dat zij veroverden, terwijl zij de stad Manilla uit Dilao belegerden. Het gevaar maakte de inspanning der Spanjaarden nog grooter en de geestelijken namen hierin een werkdadig deel. De Chinezen poogden de muren te beklimmen, doch werden teruggedreven. De monniken verklaarden, dat St. Francis in persoon was verschenen om hen aan te moedigen. De Chinezen trokken toen terug, doch de Spanjaarden verlieten de hoofdstad, verbrandden en vernielden Parian en vervolgden de vlugtende Chinezen tot Cabujao. Intusschen rukten nieuwe versterkings-troepen aan en men joeg de Chinezen tot de provincie Batangas na, waar zij op nieuw werden aangevallen en verstrooid. Men zegt dat van de 24,000 opstandelingen slechts 100 ontkwamen, die men naar de galeijen zond. Ongeveer 2,00 °Chinezen, die zich niet met den opstand hadden ingelaten, werden op vrije voeten gesteld. Eng Kang werd onthoofd en zijn hoofd in eene ijzeren kooi ten toon gesteld. Eerst drie jaren na dezen opstand, kreeg het hof van Madrid er kennis van.

Pedro de Acunha veroverde na de demping van dezen opstand, Ternate en voerde den Koning weg, doch stierf plotseling in 1606, nadat hij vier jaren geregeerd had. Cristobal Tellez vermeesterde, gedurende den korten tijd zijner regering, eene nederzetting der Japanezen in Dilao. Juan de Silva bragt in 1609 versterking van de Europesche troepen met zich en maakte, in het zevende jaar zijner regering, groote toebereidselen om de Hollanders aan te vallen, doch stierf na eene korte ziekte. In 1618 kwam Alonzo Fajardo in de Philippijnen, met conciliatoire bevelen voor de inlanders, bij wie hij zich populair maakte. Hij strafte een’ opstand in Buhol, zond eene missie naar Japan, die echter niet slaagde, en doodde zijne vrouw in eene vlaag van jalouzij. Hij had hare ontrouw vermoed en overviel haar eens ’s nachts in een huis, waar zij gewoonlijk rendez-vous aan haren minnaar had gegeven, en in eene kleeding, die geen twijfel meer omtrent hare schuld overliet. De Gouverneur liet een priester ontbieden, beval hem haar de sacramenten toe te dienen, en bragt haar toen, niettegenstaande de beden van den geestelijke, met zijn eigen dolk ter dood. Dit had in 1622 plaats. Neerslagtigheid maakte zich van hem meester en hij stierf in 1624. Twee Gouverneurs regeerden daarop ad interim. In 1626 kwam Nino de Tabera aan de regering. Hij bragt 600 man met zich mede, verdreef de Hollanders en zond Olaso, een soldaat, die om zijne heldendaden in Vlaanderen beroemd was, tegen de Jolo-Indianen, doch Olaso leed eene volkomen nederlaag en keerde daarna naar Manilla terug.

In 1630 had eene zonderlinge gebeurtenis plaats. Het heilige sacrament werd uit eene glazen vaas uit de hoofdkerk gestolen. Een algemeene vastendag (rogativa) werd bevolen; de aartsbisschop toog barrevoets, met asch bedekt en een touw om den hals uit zijn paleis om te trachten te ontdekken waar de vaas verborgen was. Toen echter al zijne pogingen mislukten, waren de pijnigingen van den heiligen man zoo hevig en zijne smart zoo ondragelijk, dat hij onder den ramp bezweek. Zijne dood had een hevigen strijd ten gevolge tusschen de geestelijke en burgerlijke beambten.

In 1635 kwam een aantal rijke, bekeerde Japanezen aan, die zich aan de gruwelijke vervolgingen onttrokken, welke de Christenen in Japan hadden te verduren, maar eene menigte Katholieke zendelingen spoedden zich daarentegen naar dat land, ten einde de martelaarskroon te verdienen. Een andere merkwaardige geestelijke twist greep in dien tijd plaats. Een uit Europa aangekomen commissaris beval, dat al de monniken die baarden droegen met zendingen naar China en Japan zouden belast worden, terwijl de geschoren monniken op de Philippijnen zouden blijven. De aartsbisschop verzette zich daartegen, omdat de pauselijke bevelen geene regelen omtrent de baarden inhielden. Hevige geschillen ontstonden ook door de uitoefening van het regt van asijl voor misdadigers, die hetzij tegen de militaire of wel de burgerlijke autoriteiten in verzet waren gekomen. De aartsbisschop excommuniceerde – de kommandant der artillerie kwam in opstand. De aartsbisschop legde hem straf op, – de apostolische vicaris bevestigde het vonnis. De Audiencia vernietigde het, en nu werd de bisschop van Camarines als scheidsregter opgeroepen; deze sprak hem vrij. Men kwam in hooger beroep en eene der partijen werd beschuldigd den Heiligen Vader te hebben gelasterd. De Jezuïten voegden zich bij de tegenpartij van den aartsbisschop, die al de monniken bijeenriep; deze legden de Jezuïten eene boete op van 4,000 dollars. De Gouverneur verdedigde de Jezuïten en eischte de intrekking van het vonnis binnen zes uren. Hiermede liep de twist niet ten einde, maar ten slotte maakte men onderlinge schikkingen op voorwaarden, die de partijen elkander stelden.

De rampen, die de opstand van Eng Kang te weeg bragt, belette de Chinezen niet in de eilanden, en bijzonder in de provincie Laguna door te dringen, waar een andere opstand, waaraan 30,00 °Chinezen moeten deel genomen hebben, in 1639 ontstond. Zij verdeelden zich in guerillas, die het land verwoestten, doch werden in het volgende jaar tot onderwerping gebragt; 7,000 hunner gaven zich vrijwillig over. Spaansche geschiedschrijvers zeggen dat de haat, die de Indianen de Chinezen toedroegen, hen uit hunne gewone bedaardheid deden ontwaken en zij buitengewonen ijver en werkzaamheid aan den dag legden bij de uitroeijing van de aanvallers.

In de twisten tusschen de inlanders en de Spanjaarden werden zelfs de zendelingen niet altijd gespaard, terwijl de Spanjaarden dikwijls verraden werden door die personen, waarin zij het meeste vertrouwen stelden. De zware afpersingen en belastingen, die men die Indianen onder Fajardo oplegde, leidde tot een opstand in Palopag, waarbij de Jezuïtische geestelijke vermoord en het klooster en de kerk verwoest werden. De beweging verspreidde zich over verscheidene eilanden en vele gevangenen te Caraga werden vrij gelaten om een’ Indiaan gevangen te nemen, Dabao genaamd, die zóó goed zijne zending vervulde, dat toen de Gouverneur bij de forteres kwam om de krijgsgevangenen op te eischen, Dabao zich van Zijne Excellentie meester maakte en hem onthoofdde, met behulp van de gevangenen een aantal Spanjaarden, die zich in de nabijheid en waaronder zich priesters bevonden, vermoordde, zoodat niet meer dan zes, en daaronder een Augustijner barrevoets gaande monnik, ontkwamen en naar de hoofdstad vlugtten. Toen nu echter versterking van troepen uit Manilla aanrukte, gaven de Indianen zich over, onder belofte eener algemeene vergiffenis. «Deze belofte – zegt de Spaansche geschiedschrijver – werd niet nagekomen; de leiders van den opstand werden integendeel opgehangen en eene groote menigte Indianen gevangen gezet.» De Gouverneur-Generaal echter «keurde de verbreking van eene in naam des Konings gedane belofte niet goed»; hij beval dat de Spaansche aanvoerders gestraft en de zich nog in de gevangenis bevindende inlanders losgelaten zouden worden.

In 1645 hadden gedurende twee maanden vreeselijke aardbevingen plaats. In Cagajan werd een berg het onderste boven gekeerd en eene geheele stad aan zijnen voet bedolven. Waterstroomen en modderregens overstroomden een aantal plaatsen. Alle openbare gebouwen in de hoofdstad werden vernield, uitgezonderd het klooster en de kerk der Augustijnen en die der Jezuïten. Zes honderd personen werden te Manilla onder de ruïnen van hunne huizen bedolven en 3,000 menschen moeten bij deze ramp het leven hebben verloren.

De Lara onderscheidde zich door zijne godsdienstige gevoelens. Bij zijne komst in 1653 weigerde hij aan te landen, voordat de bisschop hem voorafgegaan was en den grond heiligde, dien hij betrad. Hij vierde een jubilé op gezag van den Paus, waarbij het land van «alle misdaden, wanbedrijven en vloeken» werd gezuiverd, waardoor het sedert zoovele jaren besmet was. De aartsbisschop, staande op een plat-forme te Manilla, zegende de eilanden en hunne bewoners in tegenwoordigheid van eene tallooze menigte. Verzoeningen, belijdenissen, vergiffenissen volgden op deze «gewijde dagen»; doch de zegeningen schenen weinig voordeel te hebben aangebragt, daar zij door aardbevingen, stormen, oproer, ongestrafte zeerooverijen, kortom, om de woorden van een’ Spaansch schrijver te gebruiken, «door een webbe van ongelukken en rampen» gevolgd werden. Men zond zendelingen uit om de Mohammedanen te bekeeren, doch zij werden ter dood gebragt, terwijl menige bekeerling verrader werd. Kung Sing, het hoofd van de zeerooversbende, die Formosa veroverd en 1,000 jonken met 100,000 man onder zijne bevelen had, had eene zending naar Manilla uitgevaardigd, waardoor hij de onderwerping van de eilanden aan zijne magt liet vragen, of anders met een onmiddellijken inval dreigde. Deze bedreiging bragt een algemeene schrik te weeg; men beval al de Chinezen het land te verlaten, doch zij verzetteden zich hiertegen en nu werden zij bijna allen vermoord. «Het is verwonderlijk – zegt de Mas – dat na zulke herhaalde nederlagen een enkel Chineesch schip nog op de Philippijnen heeft durven komen.» Zij moesten die slagen op verschillende tijdperken van hunne landslieden verdragen, ofschoon het zeker is dat zij dikwijls de donderbui op hunne eigene hoofden hebben doen neêrkomen. De Lara, dien men van omkooping had beschuldigd, werd met eene boete van 60,000 dollars gestraft; hem werd vergiffenis geschonken en hij keerde naar Spanje terug, waar hij geestelijke werd en te Malaga, zijne geboortestad, stierf.

De «godsdienstige» de Lara vond in zijnen opvolger een man van een geheel ander karakter. Het was Salcedo, een Belg van geboorte, die in 1663 werd benoemd. Hij twistte met de priesters, beboette den aartsbisschop en veroordeelde hem tot ballingschap; liet hem staan terwijl hij hem ten gehoore ontving, en beleedigde hem daarna, en bij den dood van den aartsbisschop, die weinige maanden later plaats had, werden er groote fiestas gegeven en daarbij de heilige dienst «de Profundis» ter eere van den afgestorvene verboden als onvereenigbaar met de burgerlijke festiviteiten. De inquisitie kwam later tusschen beide, en hare agenten bijgestaan door eene oude vrouw, die de sleutels bewaarde, drongen in het paleis waar zij den Gouverneur slapende vonden, hem ketenden in boeijen en als gevangene naar het Augustijner klooster bragten. Daarop scheepten zij hem in naar Mexico, doch onderweg stierf hij. De koning van Spanje veroordeelde echter deze handelingen; hij verklaarde de eigendommen van hen die daartoe medegewerkt hadden, verbeurd en stelde de erfgenamen van Salcedo weder in het bezit van al hetgeen hem ontnomen was.

Manuel de Leon verkreeg in 1669 eene groote reputatie onder de geestelijken. Hij regeerde acht jaren en vermaakte zijne goederen aan obras pias (liefdadige werken of instellingen). Zijn voorganger, Manuel de la Pena Bonifaz (tijdelijk aangesteld), had geweigerd zijn gezag over te geven. Hij werd nu als opstandeling beschouwd, zijne goederen verbeurd verklaard en zijne inhechtenisneming bevolen, doch hij zocht eene schuilplaats in het klooster der Recoletos, waar hij stierf. Er ontstond een twist tusschen de adspiranten naar het tijdelijke bestuur; de daartoe benoemde oefende zijn gezag slechts zes maanden uit. Hij werd bij zijnen dood opgevolgd door zijnen mededinger, die in 1678 door Juan de Vargas Hurtado werd vervangen. Omstreeks dezen tijd hadden er groote geschillen plaats tusschen de geestelijkheid en de burgers. Er werd eene excommunicatie tegen den Gouverneur uitgevaardigd; hem werd bevolen iederen feestdag in de kathedraal en de kerken van Parcan en Binondo barrevoets en met een touw om den hals te verschijnen. Hij weigerde zich aan zulk eene onteering te onderwerpen en leidde nu een eenzaam leven aan de oevers van rivieren, geheel van de wereld afgetrokken, tot dat men hem vergunning gaf zich naar Nieuw-Spanje te begeven; hij stierf echter van verdriet op de reis.

Men moet, wanneer men de gebeurtenissen op de Philippijnen nagaat, in de gedachte houden dat de eenige geschiedschrijvers de monniken zijn, en dat hunne goedkeuring of veroordeeling wel niet als een onpartijdig en billijk oordeel kan aangemerkt worden. Hurtado wordt door hen van vele despotische handelingen beschuldigd; zij zeggen dat hij, ten einde zijne plannen te doen gelukken, de monniken met den hongerdood dreigde en door wachten verhinderde dat men voedsel in de kloosters bragt; dat hij zich in verkiezingen van geestelijken mengde en de inhechtenisneming beval van Bonifaz, dien hij vervolgde en die zijn onmiddellijke tijdelijke voorganger was geweest; deze vlugtte naar een klooster der Recoletos (barrevoets gaande Augustijners) en werd door hen beschermd. De Jezuïten ontkenden zijne aanspraak op bescherming, doch gedurende de geschillen stierf Bonifaz en thans openbaarde zich een ander voorbeeld van de haatdragendheid van het odium theologicum en van de eenheid en harmonie waarop de kerk van Rome somtijds boogt als gevolgen van hare onfeilbaarheid. De aartsbisschop twistte in dien tijd met de burgerlijke regtbanken, tot wie hij zijne mandamus rigtte, en wier vertoogen hij beantwoordde met hen te herinneren dat alle wereldlijk gezag aan dat der geestelijken onderworpen was. De aartsbisschop werd in arrest genomen en door de Audiencia tot ballingschap veroordeeld. Hij werd gedwongen zich in zijne ambtelijke kleederen naar het vaartuig te begeven, dat hem naar Pangasinan voerde. De Dominikaners, tot wier orde de aartsbisschop behoorde, slingerden daarop hunne excommunicatiën en censuur, terwijl troepen naar het klooster werden gezonden om te beletten dat men de klokken luidde, en door alarm te maken het volk zou verzamelen. De provinciaal, die het meest aan dezen tegenstand had deelgenomen, werd met andere monniken naar Spanje gebannen. Toen zij gereed stonden te vertrekken, beval de deken de tegenwoordige soldaten de voeten van den provinciaal te kussen en hem alle eer te bewijzen, terwijl hij zijne zegeningen over de monniken uitsprak. Te midden van deze verwarring kwam een nieuwe gouverneur (Curuzcalegui) in 1684 aan het bewind, die zich voor de geestelijkheid partij stelde, ten gunste van den verbannen aartsbisschop oordeelde en diens regter tot ballingschap veroordeelde. Een hunner vlugtte naar het Jezuïten collegie, een heiligdom, doch werd door de troepen gevat. Dit maakte in lang geen einde aan de twisten, waarvan het vervolg te ingewikkeld en te min belangrijk is, om het hier verder na te gaan.

In 1687 zond de Koning van Spanje een commissaris om een onderzoek in te stellen naar de onlusten, die op de Philippijnen heerschten. De Paus had de partij opgenomen voor de meest hevigen der geestelijkheid en Pardo (de aartsbisschop), die zich dus in zijne hartstogtelijkheid aangemoedigd zag, verklaarde de kerken der Jezuïten ontwijd, waarin de ligchamen der burgers waren begraven, die tegen de monniken hadden geoordeeld. Hun stoffelijk overschot werd opgegraven, doch de meeste regters, die de regten van den Staat tegen de geestelijke invallen hadden verdedigd, waren gestorven vóórdat de commissaris aankwam, en gelukkig voor de openbare orde, overleed de oproerige prelaat zelf ook in 1689. Curuzcalegui stierf hetzelfde jaar. Na eene korte tijdelijke tusschenregering (gedurende welke Valenzuela, de Spaansche Minister, die door Karel II naar de Philippijnen was gebannen, op zijne terugreis te Mexico door den trap van een paard werd gedood) werd Fausto Cruzat y Gongora in 1690 met de waardigheid van Gouverneur bekleed. Zijn bestuur is zeer merkwaardig door den finantiëlen voorspoed. Het duurde elf jaren, want zijn opvolger, Domingo de Zubalburo, ofschoon in 1694 benoemd, kwam eerst in 1701 aan. Hij verbeterde de haven, doch werd door den Koning van Spanje ontslagen, omdat hij een Pauselijken legaat à latere had toegelaten zonder hem zijne geloofsbrieven af te vragen. De Audiencia vorderde ze van hem, waarop de legaat antwoordde dat hij verbaasd was dat zij het wagen durfden zijn gezag in twijfel te trekken. Hij verschrikte het volk door deze verklaring en ging voort een collegie te stichten in den naam van St. Clement. De Koning was zóó verstoord, dat hij bevel gaf om het gebouw te vernielen; voorts legde hij de Oidores (regter) eene boete van 1,000 dollars op en ontzette den deken van zijn ambt. Martin de Ursua y Arrimendi kwam in 1709 en stierf diep betreurd in 1715; hij stuitte de toevloeijing van Chinezen en verzoende dus volksvooroordeelen. De tijdelijk aangestelde Gouverneur, José Torralba, werd beschuldigd van diefstal uit ’s lands schatkist tot een bedrag van 700,000 dollars. Een koninklijk bevel gelastte hem 40,000 dollars terug te geven en te waarborgen; hieraan echter niet voldoende, werd hij, in boeijen geklonken en gevangen gezet. Later werd bevel gegeven hem naar Spanje te zenden, doch hij stemde er in toe 120,000 dollars te betalen. Hij had de middelen niet en stierf als een bedelaar. Fernando Bustillo (Bustamente) landde in 1717 aan. Hij besteedde groote sommen aan nuttelooze gezantschappen en leefde op een grooten en verspillenden voet. Hij stelde finantiële hervormingen in het werk en liet een aantal personen, die geld aan den Staat verschuldigd waren, gevangen nemen. Hij maakte zich ook van eenige der voornaamste inwoners van de hoofdstad meester, dreigde de regters, die naar het klooster vlugtten en daar bescherming zochten. Torralba kwam in gunst bij hem; hij verloste hem uit de gevangenis en gebruikte hem om de magt van de Audiencia te ondermijnen, door hem met zijn gezag te bekleeden. Hij beval dat, op het lossen van een stuk geschut, al de Spanjaarden zich naar het paleis zouden begeven; arresteerde den aartsbisschop, het kapittel der hoofdkerk en verscheidene prelaten en geestelijken, waarop een oproer ontstond; eene massa volks ijlde naar het paleis en doodde den Gouverneur en zijn’ zoon, die zijnen vader ter hulpe gesneld was. Francisco de la Cuesta werd tot het bestuur geroepen. De nagelaten kinderen van Bustillo werden naar Mexico gezonden, en de Audiencia maakte een rapport van het gebeurde aan den Koning op, die Toribio José Cosio y Campo benoemde en degenen liet straffen, die den dood van den vorigen Gouverneur hadden veroorzaakt, doch door den invloed van een’ Franciskaner monnik bragt men Cosio er toe herhaaldelijk uitstel te verleenen, zoodat niets gebeurde van hetgeen bevolen was. In 1729 werd het bestuur overgedragen op Fernando Valdes y Tamon, die de militaire inrigtingen hervormde en eene expeditie tot verovering van het eiland Palaos zond; doch deze poging mislukte en in 1739 werd hij opgevolgd door een’ Vlaminger, Gaspar de la Torre. Hij behandelde den fiscaal Arrojo zóó gestreng dat hij daarvan stierf. Hij werd gemelijk, neêrslagtig en in zich zelven gekeerd en stierf in 1745. De bisschop van Ilocos, vader Juan Arrechedera, volgde hem als Gouverneur op en de Sultan van Jolo, die gedoopt wenschte te worden, bragt hem een bezoek te Manilla. De aartsbisschop, wien de zaak werd opgedragen, verklaarde dat de Sultan door de Dominikaner monniken van Panogui in den schoot der kerk was opgenomen. De markies van Obando kreeg in 1750 het bestuur in handen. De aartsbisschop, dien hij deed vervangen, had van het Spaansche kabinet bevel ontvangen de Chinezen van de eilanden te verdrijven; doch hetzij uit eerlijke overtuiging dat de tenuitvoerlegging van dit bevel de belangen van de Philippijnen zou schaden, waaromtrent hij zeer juist oordeelde – of wel (zooals de inlanders willen) uit eene zekere genegenheid voor de Chinezen, stelde hij, onder verschillende voorwendsels, de openbaarmaking van het koninklijk bevel uit. Obando wikkelde zich in twisten met de Muselmansche inwoners van Mindanao, waartegen hij niet was opgewassen. Hij besloot den Sultan van Jolo te herstellen, doch toen hij Zamboanga bereikte, beschuldigde hij den Sultan van ontrouw (infidencia), zond hem naar Manilla en liet hem in de gevangenis zetten. De Mohammedanen kwamen hiertegen op. Obando verlangde het bevel tegen hen te voeren. De Audiencia maakte echter bezwaar den persoon des Gouverneurs bloot te stellen. De expeditie mislukte en de onlusten namen toe. Hij legde het bewind neder in een slechten gezondheidstoestand en stierf op den terugweg naar zijn vaderland. Pedro Manuel de Arandia kwam in 1754 aan het bestuur. Hij bestreed de Mohammedanen (of Mooren, zooals de Spaansche schrijvers ze gewoonlijk noemen) met eenig succes. Hij koesterde het voornemen den Sultan van Jolo te herstellen, doch liet zich in twisten met de geestelijkheid in en zijne handelingen vonden afkeuring bij het Spaansche Hof. Zijne onpopulariteit wekte droefgeestigheid bij hem op en ten gevolge daarvan stierf hij in 1759. Ofschoon hij zijne goederen voor liefdadige doeleinden vermaakte, vermoedde men dat het aanzienlijke bedrag van de waarde daarvan, 250,000 dollars, een gevolg was van de oneerlijke administratie, door hem gevoerd. De bisschop van Zebu, en daarna de aartsbisschop van Manilla, Manuel Rojo, voerden tijdelijk het bewind na den dood van Arandia. Rojo gaf Manilla in 1762 aan de Britten over[4 - Het verhaal, dat de Spaansche schrijvers van het nemen van Manilla door de Britten geven en dat hier uit Buzeta’s werk wordt overgenomen, kan als op de waarheid gegrond worden beschouwd:“In 1762 was de voorspoed van de stad Manilla buitengewoon toegenomen. Hare handelsbetrekkingen strekten zich uit tot de Molukken, Borneo, verschillende gedeelten van Indië, Mallaka, Siam, Cochin-China, China, Japan, in één woord tot alle plaatsen tusschen de landengte van Suez en de straat van Behring gelegen. Op het einde van voornoemd jaar werd de stad echter door eene ramp getroffen, die haar jaren achteruitzette. De Engelschen, die toen in oorlog met de Spanjaarden waren, vertoonden zich met eene aanzienlijke magt. De zeer doorluchtige aartsbisschop Don Manuel Rojo, die toen tijdelijk het bewind voerde, had niets van eenige oorlogsverklaring vernomen en zich niet tot de verdediging voorbereid. Eerst bij de aankomst van de vijandelijke vloot werd deze tijding bekend. Het garnizoen bestond uit het regiment del rey, dat een aantal van 2,000 man moest bedragen, doch door detachementen, desertie en zieken tot 500 was gereduceerd. Men had niet meer dan 80 artilleristen, allen Indianen, die bijna niet met het kanon wisten om te gaan. Bij dezen stand van zaken verscheen de Engelsche vloot plotseling den 22 September 1762. Zij bestond uit 13 schepen en 6,830 man uitmuntende troepen. Daar men hoegenaamd niets van de zaak af wist, meende men dat de vloot een van Chinesche sampans was. Er werden eenige maatregelen tot verdediging in het werk gesteld en een officier afgezonden, om den kommandant der vloot te vragen onder welke vlag hij voer en wat het doel van zijn onverwacht bezoek was. De afgezant keerde den volgenden dag terug, vergezeld van twee Engelsche officieren, die verklaarden dat het doel der expeditie was de eilanden te veroveren. Men antwoordde hen dat de eilanden zich zouden verdedigen. In den nacht van den 23 op den 24 ontscheepte de vijand zich aan de redoute van St. Anthony Abbot. Men deed eene poging hen te verjagen, die echter mislukte. In den morgen van den 24sten schoot men op hen, doch met weinig succes, daar zij in verschillende gebouwen waren verschanst en daardoor beschermd. Ten einde hun voortgang te stuiten, werd besloten tot een krachtigen uitval, waarover het bevel werd opgedragen aan den heer Fallu, een Fransch officier in Spaansche dienst; doch deze dappere krijgsman zag weldra in, dat de vreemde troepen te talrijk waren om zich met hen te meten. Hij streed gedurende den geheelen nacht en keerde eerst ongeveer ten 9 ure in den volgenden morgen naar de citadel terug. De vijandelijkheden werden gestaakt en de aanvallers zonden een parlementair naar de stad. Den 25sten werd het bombardement voortgezet en ons kanon deed den vijand veel afbreuk. In den morgen van den 28sten liet de Engelsche generaal het hoofd opeischen van den officier, die twee dagen vroeger als parlementair gezonden en door de Indianen onthoofd was. Hij vorderde ook de uitlevering van de personen, welke die misdaad hadden begaan, en dreigde bij weigering met schrikbare represailles. Aan dezen eisch werd voldaan en de aartsbisschop, die de teugels van het bewind in handen had en de verdediging der stad bestuurde, begaf zich zelf te paard naar het vijandelijke kamp, doch zonder resultaat. Den 29sten verkreeg het Engelsche eskader eene versterking van drie schepen, die 350 Franschen uit Pondicherry aanbragten, welke de gelegenheid zochten de Engelschen te verschalken en twee hunner vertrouwden benoemden om hunne desertie te bewerkstelligen en hun plan door te drijven; doch de twee afgezanten werden door de Indianen als Engelschen beschouwd en, in plaats van welkom geheeten, verslagen. De Engelschen, die met het gebeurde bekend werden, verzekerden zich tegen verder verraad van de zijde der Franschen. Den 3den October kwam eene sterke legermagt Indianen uit Pampangan aan en er werd tot een gevecht besloten; de strijd was bloedig, doch leverde geenerlei succes op voor de verdediging. Den volgenden dag schoten de belegeraars een bres in de bolwerken der Fundicion. Er werd een krijgsraad gehouden en de militairen oordeelden dat eene capitulatie onvermijdelijk was; de burgers echter wilden de verdediging volhouden.“Ongelukkig liet de Aartsbisschop zich van die meening afbrengen, waarvan zoovele rampen in Manilla het gevolg waren. Den 4den was men algemeen overtuigd dat die stad weldra genoodzaakt zou zijn zich over te geven en nu werd de titel van Luitenant-Generaal opgedragen aan den regter (Oidor) Simon de Anda y Salazar; ten einde den zetel van het Spaansche gezag naar eenig ander gedeelte van het eiland over te brengen en voor zijne verdediging te zorgen, vertrok hij denzelfden avond ongeveer ten 10 ure in eene boot met eenige roeijers, een’ Tagaleschen bediende, 500 dollars in zilver en veertig bladen gezegeld rijkspapier. Dit waren zijne hulpmiddelen tegen een vijand, die 16 vaartuigen in de baai had liggen en op het punt stond de stad binnen te rukken. Op die wijze, zonder legermagt of vloot, bereikte een meer dan zestigjarig man Bulacan, vast besloten tot een’ volhardenden wederstand tegen de veroveraars, die weldra de hoofdstad zouden inrukken. Den volgenden dag geschiedde dit werkelijk; de vijand verliet zijne verschansingen en naderde in drie kolonnes de bres, die bijna ontoegankelijk was. Veertig Franschen van Pondicherry gingen voor en vonden geenerlei tegenstand. De vesting was genoodzaakt zich over te geven. In veertig uren tijds was de stad verwoest en daarbij de kerken evenmin als de paleizen van den aartsbisschop of Gouverneur gespaard. De Spanjaarden hadden gedurende het beleg drie officieren, 2 sergeanten, 50 soldaten en 30 burgers der militie verloren, behalve de gewonden; het verlies van de Indianen bedroeg 300 dooden en 400 gekwetsten. De belegeraars verloren ongeveer 1,000 man, waaronder 16 officieren. De vloot had de stad met meer dan 5,000 bommen en 20,000 kogels beschoten. Men voedde de hoop dat eene verwoesting gedurende 40 uren en de overgave van het garnizoen den vijand zouden bevredigen, maar hierin bedroog men zich. Terwijl de plundering plaats greep berigtte de kommandant den Aartsbisschop dat al de inwoners vermoord zouden worden, zoo niet onmiddellijk 2 millioen dollars in specie toegestaan en voor 2 millioen aan biljetten op de Spaansche schatkist uitgegeven zouden worden. Men was wel genoodzaakt hierin toe te geven; men offerde de liefdadige fondsen en de sieraden der kerken op, om aan dezen eisch te voldoen.“Terwijl de gebeurtenissen te Manilla zulk een tragisch einde hadden, verzamelde Anda te Bulacan den Alcalde, de geestelijken en andere Spanjaarden en toonde hun zijn gezag aan, dat met geestdrift werd erkend. Op den avond van denzelfden dag werd de tijding van den val van Manilla bekend en nu publiceerde Anda eene proclamatie, waarbij hij zich tot Gouverneur-Generaal over de Philippijnen verklaarde, terwijl hij den zetel van het Gouvernement te Bacalor in Pampanga koos. Vijftien maanden lang liet hij den oorlog voortduren, niettegenstaande de hevige aanvallen door de Engelschen, vooral onder de Chinezen en in weêrwil der algemeene desorganisatie der provinciën. Hij hield dan ook de Engelschen te Manilla ingesloten; zij durfden zich naauwelijks buiten de muren te vertoonen. Te Malenta, een eigendom van de Augustijner monniken, werd een Fransch sergeant Bretagne genaamd, die van de Engelschen was gedeserteerd en eenige zijner landslieden uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen, tot kapitein benoemd en vijandelijkheden tegen de invallers, die hij veel schrik moet aangejaagd hebben door het onderscheppen van levensmiddelen en het aanvallen van achterblijvers uit de stad. De Engelschen loofden 5,000 dollars uit aan dengene, die Anda levend in hunne handen zoude overleveren. Den 3den Julij 1763 kwam echter een Britsch fregat, dat eene wapenschorsing tusschen de oorlogvoerende partijen aankondigde en het ophouden der vijandelijkheden bewerkstelligde. In Maart 1764 kwam de tijding van het sluiten van den vrede; de Engelschen ontruimden Manilla, waar het Spaansche gezag hersteld werd. De schade door de Engelschen te weeg gebragt, werd door Gouverneur Basco hersteld.”]. Hij werd gevangen genomen en stierf in 1764 in den kerker, naar men wil van verdriet en schaamte. Simon de Anda Salazar, een der regters van de koninklijke Audiencia werd met het bestuur belast tijdens de Engelschen de hoofdstad in bezit hadden, en vestigde zijn gezag te Pampanga, waar hij zelf het bewind voerde tot de komst van Francisco de la Torre, die voorloopig door de kroon werd benoemd en door tusschenkomst van Anda, Manilla van de Britten wederkreeg. José Raon kwam in 1766 aan het bestuur.

De Sultan van Jolo, die door de Engelschen op zijn troon hersteld was, veroorzaakte veel schade op het eiland Mindanao aan Raon, die niet in staat was zijne landslieden te beschermen. Er werd besloten tot de verdrijving der Jezuïten en dit geheime plan kwam den Gouverneur ter oore. Hij werd beschuldigd van ontijdige openbaarmaking, en verdacht eene portefeuille met belangrijke documenten te hebben verborgen. Men beval zijne gevangenzetting in zijn eigen huis, waar hij stierf.

Een der geschiedschrijvers van de monnikenorde geeft het volgende verhaal van de wijze waarop de weêrspannige Indianen werden behandeld: «Arza begaf zich met den invloedrijken bijstand van de Augustijner monniken en van de (talrijke) getrouwen naar Vigan en herhaalde daar wat hij te Cagallan had verrigt; hij had meer dan honderd personen laten ophangen en daaronder Dona Gabriela, de vrouw van Silang, eene mestiza, die malas manas (slechte streken) had en niet minder dapper dan haar man, die notaris was, – benevens een groot aantal cabecillas (oudsten van familiegroepen), die naar de bergen van Alva vlugtten; wat het overige gepeupel van deze weêrspannige menigte betreft, vergenoegde hij zich ieder hunner 200 geeselslagen te geven en hen te pronk te stellen. Hij zond 3,000 Ilocos zegevierend en met een rijken buit naar Pangasinan. Dit gebeurde in 1763[5 - Manuscript van het beleg van Manilla, door pater Juan de Santa Maria.].»

Na de verovering van Manilla door de Britten, vermoedde men natuurlijk dat zij de verschillende oproeren, die op deze gebeurtenis volgden, aanmoedigden. Het onstuimige en despotische karakter van Anda, die het bestuur over de eilanden aanvaardde, haalde hem vele vijanden op den hals en hij schijnt al die oppositie tegen zijne willekeurige handelingen als de bewijzen van verraderlijke verhoudingen met de Engelschen te hebben beschouwd. Ongetwijfeld werd hunne tegenwoordigheid met vreugde begroet, vooral door de Muselmansche bevolking van de zuidelijke eilanden, die daarin eenige hoop zagen van het Spaansche juk bevrijd te worden, doch zelfs de Philippijnsche geschiedschrijvers doen de Britsche autoriteiten regt wedervaren en merken op dat zij de zeerooverijen van hunne bondgenooten straften, zonder aanzien des persoons. De Spanjaarden echter moedigden Tenteng, een Mohammedaanschen dato (hoofdman), aan om de Britten aan te vallen, wier bezetting in Balambangan door ziekte van 400 tot 75 man infanterie en 28 man cavalerie was verminderd. Dit was echter – zegt de Mas – «bloot in de verwachting van buit te verkrijgen.» Zij slopen ’s nachts uit de wouden naar de Engelschen terwijl deze sliepen, staken hunne huizen in den brand en vermoordden allen op zes na, die met den Engelschen kommandant in eene boot ontkwamen. Daarop heschen zij de witte vlag en spaarden het leven van geen’ enkelen Engelschman, die aan land gebleven was. De Mohammedanen maakten zich van eene menigte wapenen en geld meester. De Sultan van Jolo en de dato’s, die de wraak van de Engelschen duchtten, ontkenden elk aandeel in de zaak, doch toen Tenteng Jolo bereikte en zijne buit aan de autoriteiten overleverde, «meenden zij dat er thans wapenen en geld genoeg waren om èn Spanjaarden èn Engelschen af te weren»; zij verklaarden Tenteng als een held, die wel gehandeld had met zijn vaderland. Weinige maanden later verscheen een Britsch oorlogschip en verkreeg zooveel schadeloosstelling als in dit geval mogelijk was.

Anda had zooveel roem verworven door zijnen weêrstand tegen de Engelschen, dat zijn souverein hem tot belooning eene menigte eereteekenen schonk en hem tot Raadsheer van Castilie benoemde. In 1770 keerde hij als Gouverneur naar Manilla terug. Hij liet zijnen voorganger, verscheidene regters, den Gouvernements-secretaris, een’ kolonel en andere personen in hechtenis nemen. Sommigen zond hij naar Spanje, terwijl hij anderen uit de hoofdstad verbande. Hij liet zich met geestelijke geschillen in, had vele kwellingen te verduren en begaf zich eindelijk naar de verblijfplaats van de Franciskaner monniken, waar hij in 1776 stierf. De Mas zegt met opzigt tot dit tijdperk: «Gedurende meer dan twee eeuwen hadden de Philippijnen aan de Spaansche kroon zulk eene opeenstapeling van twisten, moeijelijkheden en uitgaven veroorzaakt, dat de ministers meer en meer er op aandrongen de kolonie op te geven, doch de katholieke monarchen konden nooit medewerken tot het verlies van al de zielen, die men in deze streken reeds gewonnen had en die men nog hoopte te winnen.» Na eene korte tusschenregering van Pedro Sarrio, kwam José Basco in 1778 tot het bestuur. Hij vestigde het tabaksmonopolie, zond drie regters naar Europa en noodzaakte andere beambten de hoofdstad te verlaten, doch na drie jaren den Gouverneurszetel te hebben bezet, keerde hij naar Spanje terug, alwaar de Regering hem een ander ambt opdroeg. Pedro Sarrio werd op nieuw tijdelijk met het gezag belast. Felix Berenguer de Marquina kwam in 1788 aan en regeerde zes jaren. Hij werd beschuldigd van omkooping, doch de koning sprak hem vrij. Rafael Maria de Aguilar werd in 1793 benoemd.

In 1800 raadpleegde de Gouverneur-Generaal den assessor over de handelwijze jegens de Muselmansche zeeroovers in acht te nemen, die de haven van Manilla waren binnengekomen. Hij ontving het volgende antwoord, dat niet van grootspraak is vrij te pleiten.

«Het wordt tijd dat al de wenschen des Konings worden vervuld en dat deze eilanden ophouden leenpligtig te zijn aan een verachtelijken mohammedaan. Laat hem de schrikbarende bezoekingen gevoelen van een volk, wiens roem reeds zoo dikwijls is gesmaad en beleedigd, doch dat zijn onregt heeft verborgen en verdragen om des te beter zijne wraak ten uitvoer te willen brengen; zuiver de kroon van den smet waardoor zij in deze haven en ten aanzien van zoo menige Europesche natie door het lage gepeupel (canalla) is bevlekt. De herhaalde rampen der Indianen schijnen de Spanjaarden ongevoelig te hebben gemaakt; doch is er een man, getuige van de smart, den moord, den ondergang van zoovele gezinnen, wiens ziel niet vervuld is met een’ dorst naar wraakneming op den vernieler, op den verwoester? Wanneer het onze vrouwen, zonen, vaders of broeders waren geweest, met welken aandrang zouden wij de autoriteiten niet uitgenoodigd hebben om de misdadigers te straffen en onze vrijheid te herstellen? De regtvaardigheid, het medelijden, de pligt van uw geweten, waarop dat van den Koning steunt, dat alles roept om wraak. Ten eeuwigen dage zal degene herdacht worden, die ons van het juk bevrijdt, dat ons sedert eeuwen knelt!»

In 1805 werd een tractaat gesloten tusschen het Gouvernement van Manilla en den Sultan van Mindanao. De Minister van Staat van den laatste was een Mexicaansche deserteur; de ambassadeur der Spanjaarden een Mexicaansche veroordeelde. Men behandelde hem inderdaad gestreng, want, nadat hij het tractaat had gemaakt, beval men hem den termijn van zijne bannelingschap te vervullen.

In 1811 brak eene zamenzwering in Ilocos uit, waar een nieuwe god door de Indianen werd geproclameerd onder den naam van Lungao. Ter zijner eere werd eene hierarchie van priesters gesticht. De eerste pogingen van deze waren om de afgodendienaars te Cagajan te bekeeren en hen te nopen de partij tegen de Spanjaarden op te nemen. Vooral droegen zij haat toe aan de Katholieke zendelingen, doch de berigten, die deze geestelijken aan de autoriteiten gaven, stelden deze in staat den opstand te fnuiken en de leiders te straffen.

In 1819 werd Manilla door de cholera bezocht. Hiervan was het gevolg dat vreemdelingen en Chinezen werden vermoord; men beschuldigde hen toch, en vooral de Engelschen, dat zij de bronnen vergiftigd hadden. Diefstallen en andere buitensporigheden volgden op deze misdaden. Te vergeefs trokken patrouilles door de straten. De roof en moord werden gestaakt toen er geene slagtoffers meer te vinden waren, doch de Spanjaarden en hunne eigendommen werden gespaard.

Onder het bestuur van Martinez, in 1823, had een nieuwe opstand plaats, aan het hoofd waarvan Novales stond, een bewoner van Manilla, in Spaansche dienst. Meer dan 800 soldaten namen aan de beweging deel. Zij maakten zich meester van het paleis, vermoordden den luitenant des Konings en zouden waarschijnlijk het Gouvernement hebben overrompeld, zoo er eenige organisatie of eenheid onder de bende hadde geheerscht. Maar eenige moedige mannen verzamelden tallooze personen rondom zich, die getrouw aan den Koning en zijne partij waren. Soldaten rukten aan; de aanvallers wankelden; het onstandvastige volk begon de revolutionaire leiders te wantrouwen, zoodat Novales met een stuk geschut en ongeveer 300 à 400 volgelingen werd achtergelaten. Men overmeesterde hem; hij vlugtte, doch was genoodzaakt zich over te geven. Onmiddellijk voor een’ krijgsraad gebragt, verklaarde hij geene medepligtigen te hebben, doch alleen de leider der troepen te zijn geweest, waarop hij denzelfden dag met een zijner sergeanten werd doodgeschoten. Hierna werd eene amnestie geproclameerd, nadat 20 onder-officieren waren geëxecuteerd.

Eene ernstige muiterij ontstond te Tajabas gedurende het korte bestuur van Oraa (1841 – 43). De Spanjaarden zeggen dat dit het werk was van een’ Tegalees, Apolinano genaamd, leekbroeder van het klooster van Lucban, die nog geene 20 jaren oud was en eene broederschap (Cofradia) stichtte, die zich uitsluitend tot inlandsche Indianen bepaalde. De zaak was niet bekend geworden, zoo de bijeenkomsten van de Cofrades niet den argwaan had opgewekt. De aartsbisschop ontbood den Gouverneur-Generaal om deze vergaderingen te beletten, die op sommige plaatsen door de autoriteiten gewettigd waren. Er werd bevel gegeven tot inhechtenisneming van Apolinano, waarop hij naar de bergen vlugtte; 3,000 Indianen voegden zich daar bij hem, en nu verspreidde zich te Manilla het gerucht dat hij te Igsavan het vaandel van den opstand had geplant. De Alcalde-major, vergezeld door twee Franciscaner monniken, eenige troepen en twee kleine stukken geschut, rukten hierop naar de verraden opstandelingen. Deze schoten op de Spanjaarden en doodden den Alcalde. Toen deze tijding in de hoofdstad werd aangebragt, verzamelde zich eene krijgsmagt van 800 man. Men zegt dat de door Apolinano bezette positiën ongenaakbaar waren, doch hij had de aan de Indianen gedane beloften niet gehouden, dat er wonderen ten hunnen voordeele zouden plaats grijpen. Slechts weinigen gingen de Spanjaarden te gemoet en de meesten daarvan werden nog gedood, terwijl de overigen de vlugt namen. Bijna zonder verlies van hunne zijde, lieten de Spanjaarden meer dan 240 Indianen op het slagveld achter en namen 200 gevangen. Apolinano, die eene rivier wilde overtrekken, werd door twee zijner eigen lieden gegrepen, gebonden en aan de autoriteiten overgeleverd. Men beschuldigde hem dat hij naar de waardigheid van Koning over de Tegalezen haakte. Hij bezwoer echter dat het doel zijner Cofradia zuiver godsdienstig was. Den 4den November 1841 werd hij doodgeschoten. De Mas, die hem kende, zegt dat hij een bedaard, eenvoudig jongman was, die niets van het heldhaftige van een held of gelukzoeker had. Hij verrigtte huiselijke bezigheden in het klooster van Lucban, en voor zoover bekend is, was de eenige grond waarop zij verdacht werden, dat hij geene Spanjaarden of Mestizen in zijne godsdienstige broederschap opnam, maar het is niet met grond aan te nemen dat zoovele levens op een bloot vermoeden zouden zijn opgeofferd.

Tusschen 1806 en 1844 volgden niet minder dan 14 Gouverneurs elkander op. Onder hen is opmerkenswaardig Narciso Claveria, die van 1844–49 regeerde. Hij vermeerderde de Spaansche bezettingen bij het eiland Balanguingui. Eene zijner verklaringen vond veel bijval; hij zeide «Spanje te hebben verlaten, terwijl het door burgerkrijg werd geteisterd, doch hier geen onderscheid te zullen maken tusschen zijne landslieden op grond van verschil in politieke gevoelens en geen anderen titel te zullen erkennen als dien van Español y Caballero (Spanjaard en man van eer).» Sedert is Ramon Montero Gouverneur ad interim geweest en wel in 1853, 1854 en 1856. De markies van Novaliches kwam in 1854 aan het bestuur, doch regeerde slechts ongeveer 8 maanden. Don Manuel Crespo kwam in November 1854 en de tegenwoordige Gouverneur-Generaal, Don Fernando de Norzagaray, den 9den Maart 1857 aan.

Het is opmerkenswaardig, dat gedurende den tijd dat 78 Gouverneurs aan het bestuur waren, slechts 22 aartsbisschoppen elkander hebben afgewisseld, zoodat het gemiddelde tijdperk van het burgerlijk bestuur vier jaren, dat van het geestelijke bewind elf en een half jaar bedroeg.




HOOFDSTUK IV.

AARDRIJKSKUNDE, KLIMAAT, ENZ


De algemeen aangenomen theorie omtrent de vorming van de Philippijnen is, dat zij allen deel uitmaakten van een uitgestrekt primitief vasteland, dat door eene omwenteling in de natuur werd doorgebroken, en dat deze eilanden de verspreide stukken van dat vasteland zijn. Buzeta onderstelt dat de overige eilanden van Luzon werden losgerukt.[6 - Diccionario geográfico, estadístico, histórico de las Islas Filipinas. 2 vols. Madrid, 1850.]

De Indianen hebben eene traditie, volgens welke de aarde op de schouders zou zijn gedragen door een reus, die vermoeid geworden door zijnen zwaren last, haar in den oceaan wierp, waardoor niets boven water bleef dan de bergen, die tot eilanden werden tot heil van het menschdom.

Ik stel mij niet voor eene uitgebreide geographische beschrijving van de Philippijnsche eilanden te geven. Uit de twee lijvige deelen van Buzeta leert men de kleinste bijzonderheden kennen, waardoor ik met de verschillende localiteiten ben bekend geworden. De feiten, die ik in den loop van mijne persoonlijke opmerkingen verzameld heb, betreffen voornamelijk de eilanden Luzon, Panay en Mindanao. De meer algemeene berigten zijn ontleend aan Spaansche autoriteiten op de plaats zelve of heb ik gevonden in Spaansche boeken, door mij geraadpleegd. Ik kan niet vermoeden dat men het tegenwoordige werk als compleet of volledig zal beschouwen, doch het zal althans eenigzins de kennis kunnen vermeerderen, die men reeds van deze streken heeft.

De uitgestrektheid van den Philippijnschen Archipel bedraagt ongeveer 300 mijlen van het noorden tot het zuiden en 180 van het oosten tot het westen. Hij omvat een ontelbaar aantal eilanden, waarvan de meeste groote eene Spaansche of mestizen bevolking hebben. Eene reeks onregelmatige bergen loopt midden door allen. Die, welke als de Caraballos in Luzon bekend zijn, worden door onafhankelijke stammen van afgoden dienende Indianen bewoond en strekken zich tot ongeveer 60 mijlen uit. Verscheidene groote rivieren ontspringen in de Caraballos. Aan den kruin van den berg Cabunian, die zeer moeijelijk te beklimmen is, bevindt zich een graf dat door de heidensche Igorottes wordt vereerd. Op verscheidene eilanden vindt men groote meeren, waarvan sommige gedurende den regenmousson zeer uitgestrekt worden. Deze overstroomingen zijn natuurlijk voordeelig voor het gewas, daar zij groote plekken land vruchtbaar maken. Mindanao, hetgeen «man van het meer» beteekent, ontleent zijn’ Indischen naam aan het tal binnenwateren, even als de benaming la Laguna door de Spanjaarden is aangenomen ter aanduiding van de provincie, die aan het meer of de baai grenst. In het laatste district vindt men vele minerale en warme bronnen, waaruit eene der gemeenten den naam van Los Banos (de baden) heeft verkregen. Een dezer bronnen heeft op de plaats waar zij ontspringt eene temperatuur van 67° Reaumur. Zij worden dikwijls bezocht door de inwoners van Manilla. In de gemeente Mainit heeft men ook warme bronnen.

Het klimaat van de Philippijnen onderscheidt zich weinig van dat van de meeste andere tropische streken in het Oosten. Het wordt in een Spaansch spreekwoord aldus beschreven:

		Seis meses de polvo,
		Seis meses de lodo,
		Seis meses de todo,

dat is: «zes maanden stof, zes maanden modder, zes maanden van alles», ofschoon men mag aannemen dat het regensaizoen een half en het drooge jaargetijde mede een half jaar duurt. Intusschen heeft men, zooals het versje zegt, menige maand van onzekerheid, waarin de vocht het gewone drooge saizoen vervangt en zoo omgekeerd. Van Junij tot November echter is het land overstroomd, zijn de wegen grootendeels onbegaanbaar en is het reizen in het binnenland moeijelijk en onaangenaam. Zelfs in de maand December vonden wij in verschillende districten van Luzon, zooals wij vroeger hebben medegedeeld, plaatsen, waarin men de rijtuigen moest verlaten en de dragers van den palanquin tot hunne enkels in den modder zakten, even als andere plaatsen waar wij ons genoodzaakt zagen een nieuwen weg door de bosschen te banen. De hitte is te drukkend om op het midden van den dag eenig vermoeijend werk te verrigten, zoodat de siesta gewoonlijk van 1 tot 3 ure plaats heeft; vóór en na dien tijd worden bezoeken afgelegd en zaken gedaan. De aangename avondtijd levert intusschen gezellig verkeer op. De voornaamste lieden hebben hunne tertulias, waarop gasten van 8½ tot ongeveer 11 ure welkom zijn.

Het verschil in de warmte bedraagt zelden meer dan 10° Reaumur; het maximum der hitte is 28° à 29°, het minimum 18° à 19°. Winterkleederen zijn bijna nergens noodig.

Het verschil tusschen den kortsten en langsten dag is 1 uur 47 min. 12 sec. Den 20sten Junij gaat de zon te Manilla op ten 5 uur 33 min. 12 sec. en gaat ten 6 uur 26 min. 48 sec. onder; den 20 December gaat zij ten 6 uur 26 min. 48 sec. op en ten 5 uur 33 min. 12 sec. onder.

De regen valt te Manilla minstens 84 duim en op zijn meest 114. Hagelbuijen zijn zeldzaam. Geen berg is hoog genoeg om een «sneeuwkruin» te vertoonen; de hoogste, Banaho, verheft zich 6 à 7,000 voet boven de oppervlakte van de zee.

Even als alle andere tropische klimaten worden ook de Philippijnen door de gewone rampen bezocht, die de woeste elementen aanbrengen om die linie, welke de gordel der wereld wordt genoemd. Hevige orkanen brengen vreesselijke verwoestingen aan; typhons bedekken de kusten met wrakken; rivieroverstroomingen en buitengewone regens vernielen de producten der aarde, terwijl langdurige droogten even noodlottig zijn voor den landbouw en zoo vaak de hoop van zoovele gezinnen teleurstellen. Aardbevingen doen het land schudden, werpen de sterkste gebouwen omver en vernielen menschelijk werk; vulcanische bergen overstroomen de aarde met hunne stroomen brandend lava. Zwermen sprinkhanen verslinden dikwijls al wat groen is op den grond en epidemische ziekten slepen zeer vele duizenden ten grave. Ook de verwoestingen, die door brand veroorzaakt worden, zijn dikwijls niet minder vreesselijk, omdat het grootste gedeelte der huizen van ontvlambare stoffen zijn gebouwd. Wanneer zulk een ongeluk plaats grijpt, verspreidt het zich dan ook met verwonderlijke snelheid en daar hier geene genoegzame middelen van blussching zijn, wordt daarbij meermalen eene geheele bevolking van huis en have beroofd.

Vooral gedurende de afwisseling der moussons zijn de stormen dikwijls schrikbarend en gaan zij vergezeld van zeer hevige regens, bliksem en donder. Wanneer dit ’s nachts plaats heeft, wordt de duisternis nog grooter. Menigeen verliest zijn leven door een bliksemstraal die hem treft, en huizen worden dikwijls door de hevige stroomen weggerukt.

Bagyo is de Indische benaming voor orkaan. Deze hevige uitbarstingen worden gewoonlijk ’s morgens aangekondigd door een dunnen rookenden mist, die zich op de bergen vertoont; deze pakt zich zamen, verduistert, vereenigt zich eindelijk in dikke wolken en breekt, vóórdat de dag nog verloopen is, in al zijne hevigheid en vernielingskracht uit, zoodat hij 1½ à 2 uren blijft voortwoeden. De heer de Gentil zegt dat in de heete luchtstreek de wolken, die de meest vernielende orkanen te weeg brengen, zich niet hooger dan 400 ellen loodregt verheffen.

De grootste der vulkanen is de Mayon in Luzon. Hij heeft den vorm van een suikerbrood en volkomen als een kegel. Zijn basis beslaat verscheidene mijlen in de provinciën Albay en Camarines en hij is een der meest uitstekende voorwerpen en landteekenen, die men uit de zee kan zien. Er stijgt voortdurend rook uit op, die wel eens van vlammen vergezeld gaat, terwijl het onderaardsche gerommel dikwijls op een’ afstand van verscheidene mijlen hoorbaar is. Het land in den omtrek is met zand en steenen bedekt, die de krater op verschillende tijden uitgebraakt heeft. De Alcalde heeft eene beschrijving gemaakt van eene in 1767 plaats gehad hebbende uitbarsting, die tien dagen duurde, gedurende welken tijd een rookzuil, wiens basis ongeveer 40 voet in middellijn was, opsteeg; eene lava rivier werd gedurende twee maanden op eene breedte van 120 voet uitgestort. Groote schade werd daarbij aan de naburige dorpen toegebragt. De lavastroom werd omstreeks eene maand later door ontzaggelijke waterstortingen gevolgd, die of de beddingen van de bestaande rivieren uitbreidden of nieuwe kanalen vormden in hun stroomen naar de zee. De stad Malinao werd geheel vernield, even als een derde gedeelte der stad Casana. Vele andere dorpen werden insgelijks geteisterd; bosschen werden onder het zand begraven, dat huizen en menschelijke wezens overstroomde. De verwoestingen strekten zich over meer dan 6 mijlen uit.

Bij eene uitbarsting te Buhayan, op 60 mijlen afstand van Zamboanga, op het eiland Mindanao, die in 1640 plaats greep, werden groote steenmassa’s op een’ afstand van 2 mijlen geslingerd. De asch viel in de Molukkos en op Borneo. Zamboanga lag in eene dikke duisternis gehuld. Op de vaartuigen in zee werd het licht ontstoken, doch ook dit licht werd door de zandwolken verduisterd. De berg, waarin de uitbarsting ontstond, verdween en in zijne plaats werd een meer gevormd, dat zich nog daar bevindt ter herinnering aan de schrikbarende gebeurtenis. De wateren van het meer waren geruimen tijd wit van de asch. Te Manilla had men het geraas van de uitbarsting gehoord.

Ongeveer 20 mijlen van Manilla is de provincie Batanga gelegen. In eene der baaijen bevindt zich een eiland, dat de inlanders Binintiang Malagui noemen en dat merkwaardig is door zijne schoonheid, zijne verscheidenheid van gewas en het groote aantal dieren, dat men er vindt. Het oostelijke gedeelte van het eiland vormt een berg, welks uitgedoofde krater zigtbaar is in den vorm van een ontzaggelijk grooten gespleten kegel. De kanten van den berg zijn door groote kanalen vernield, waar langs de lavastroomen moeten hebben geloopen. De zijden zijn bedekt met ijzer- en zwavelachtige deelen en puimsteen, die het opstijgen moeijelijk maken. Aan de zuidzijde is hij echter wel toegankelijk; langs dien kant bereikt men den mond van den krater, wiens omvang meer dan drie mijlen bedraagt en wiens diepe en woeste uithollingen verbazingwekkende bewijzen opleveren van de beroeringen, die in vroegere dagen dit gedeelte der aarde moeten hebben geschokt. Een Spaansch schrijver zegt dat het er uitzag «als een vreesselijke vloek door Satan tegen de godheid uitgebraakt.» Men vindt nog eenige teekenen van het verledene in den rook, die uit den afgrond opstijgt, maar het karakteristieke van de plaats is vooral het contrast tusschen de reusachtige brokstukken en ruïnen van de natuur aan de eene zijde, en de buitengewone lieftalligheid en rijke verscheidenheid op andere gedeelten van het landschap. Wanneer men met koorden om het lijf gebonden in den krater afstijgt, bereikt men op eene diepte van ongeveer 600 voet een groot vlak; hier vindt men vier kleinere kraters; uit een daarvan stijgt voortdurend, en uit de anderen van tijd tot tijd rook op; men kan er echter niet bijkomen door de weekheid en de hitte van den grond. Ten oosten bevindt zich een meer, waaruit een stroom rondom de kraters over zwavelbedden loopt, die de kleur van smaragden aannemen. Vroeger was dit meer in kokenden toestand; tegenwoordig is zijne temperatuur iets hooger dan de gewone; zilver wordt in zijne nabijheid onmiddellijk zwart. Voortdurende aardbevingen veranderen het uitzigt van den krater en zijne omstreken, zoodat iedere nieuwe beschrijving van eene vroegere verschilt. De Indianen hebben grootsche denkbeelden van den mineraal rijkdom, die de berg in zijnen boezem verbergt; de zwavelmijnen werden weinige jaren geleden met vrucht geëxploiteerd, toen een wel bekend natuurkundige (Lopez, sedert overleden) het Spaansche Gouvernement groote sommen aanbood voor het regt van monopolie, om de mijnen in het district Taal te exploiteren.

Den 21sten September 1716 hoorde men een geraas als dat van het vallen van zwaar geschut uit den Taal vulcaan en scheen de berg over eene uitgestrektheid van drie mijlen naar Macolot in een’ staat van ontvlamming te verkeeren. Reusachtige stroomen kokend water en asch werden uitgeworpen, de aarde werd aan alle kanten geschokt, de wateren van het meer werden onstuimig en overstroomden den oever; dit duurde drie dagen. Het water werd zwart en de zwavelachtige reuk verpestte het geheele district. In 1754 had eene nog heviger uitbarsting gedurende acht dagen plaats, waarmede vreesselijke ontploffingen, schokken, duisternis en zulke dikke stof- en aschwolken gepaard gingen, dat daarmede al de huizen te Manilla, op een’ afstand van 20 mijlen, overdekt werden. Groote steenmassa’s, vuur en rook, spuwde de berg uit. Het meer kookte al borrelend. Stroomen jodenlijm en zwavel liepen over het district Bongbong. De krokodillen, haaijen, tonijnen en alle groote visschen werden in de rivier gedood en dreven naar de oevers, terwijl zij de lucht verpestten. Men zegt dat de onderaardsche en atmospherische donders op een’ afstand van 800 mijlen van den vulkaan werden gehoord, en dat de wind de asch naar ongeloofelijke afstanden voerde. Te Panay was het midden op den dag volslagen donker. Eene menigte pueblos werden geheel vernield en daaronder Sala, Janavan, Lipa en Taal: andere plaatsen van denzelfden naam zijn later op grooteren afstand van den berg gesticht.

Lopez geeft eene beschrijving van zijn’ togt naar den krater. Hij hield gedurende acht dagen 100 man bezig tot vervaardiging van een touwladder om af te dalen. Hij zegt dat de krater ovaal is en twee mijlen in middellijn heeft; dat het meer in den krater door vlakken en vasten grond is omringd, dat er zich een diepe bres in bevond, die kortelings in vuur had gestaan: er was zwavel genoeg om een er aantal schepen mee te laden. Hij zag een kubiek stuk porphier van 20 à 25 voet in het vierkant. De wand van den krater is aan alle zijden loodregt; die aan de noordzijde is 1,200 voet hoog en de laagste ruim 900 voet. Hij meent dat de zuidzijden van porphier zijn. ’s Nachts, op de helft van den weg, zag hij «duizend millioenen» pitten, waarvan het gaz onmiddellijk ontvlamde, wanneer het in aanraking kwam met den atmospheer en hij hoorde vele kleine ontploffingen. De wateren van het meer werden met zwavelzuur bezwangerd en 12 pond water leverde, wanneer het gedistilleerd was, een’ minerale oplossing van 2


 pond gewigt op.

Men vindt vele merkwaardige spelonken op de Philippijnen. Ik vertaal hier eene beschrijving van eene in de provincie Tondo. Twee steenbergen zijn vereenigd en aan den rand vindt men den weg, die naar een tak van de hoofdrivier leidt. Ter regterzijde is eene spelonk, wier voorzijde naar het zuiden gekeerd is. Aan de opening ziet men meestal kronkelgewas, doch in den vorm van een’ boog, en daar zij geheel van marmer is, levert dit, vooral bij zonneschijn, een heerlijk uitzigt op. Men treedt binnen door een hoogen, gladden, natuurlijken muur als de façade van eene kerk, waarover eene holte kapelvormig ligt. Het pad binnen in is vlak, ongeveer 4 yards breed en 6 hoog, doch op sommige plaatsen eenigzins lager. Het dak stelt eene menigte bevallige figuren voor, die veel op afhangende ananassen gelijken, welke door de voortdurende afdruiping van het water worden gevormd. Sommigen zijn bijna 2 el lang en schijnen in regelmatige groeven te zijn gehouwen; anderen zijn in den vorm van pyramiden, wier grondslagen tegen het dak rusten. Bogen, waardoor men en van boven en van beneden kan doorgaan, vindt men onder deze merkwaardige werken. Niet ver van de deur is een door de natuur gevormde trap, waarmede men in eene groote kamer komt; aan de regterhand vindt men een anderen weg, die naar een tweede trap leidt, waar langs men naar de hoofdcommunicatie gaat. Een zeer groot aantal vleêrmuizen hangen met een’ vleugel tegen de zoldering. Ofschoon sommige paden modderig zijn, is de grond over het algemeen van steen, en geeft een hollen klank van zich af alsof er gangen onder liepen. Wanneer men de spelonk ruim 200 el ver is binnengedrongen, verneemt men een groot geraas, dat eene heldere rivier veroorzaakt, aan wier zijde de spelonk voortloopt onder een half cirkelvormig dak. In de groote spelonk zijn meerdere kleine gewelven en uitstekende punten, die een grootsch aanzien en een Gotischen vorm hebben. De stroom loopt van het noordwesten naar het zuid-oosten.

De vreesselijke verwoestingen en veranderingen door aardbevingen te weeg gebragt, zijn nergens opmerkelijker dan op de Philippijnen. Daar hebben zij bergen omver geworpen, valleijen opgevuld, uitgestrekte vlakten verwoest; zij hebben een’ weg van de zee naar het binnenland en van de meeren naar de zee gebaand. Er bestaan vele legenden van deze omkeeringen op de aarde, doch de verhalen van de latere rampen kunnen als waar aangemerkt worden. De aardbeving van 1796 vooral was ijzingwekkend. In 1823 werden vele kerken te Manilla, benevens de hoofdbrug, de barakken en een aantal particuliere huizen vernield, terwijl eene bres van bijna 4 mijlen in de lengte werd geopend. Al de inwoners vlugtten naar de velden en de zes in de haven liggende vaartuigen werden stuk geslagen. Men heeft nooit eene juiste opgaaf erlangd van het aantal slagtoffers. In 1828, tijdens eene andere aardbeving, verkregen de lampen zulk een’ schok, dat zij een boog van 4½ voet beschreven; de groote hoeksteenen van de hoofdpoort der stad werden uitgerukt en de klokken begonnen van zelve te luiden. Deze aardbeving duurde 2 à 3 minuten en haalde de muren van verscheidene kerken en andere gebouwen omver, doch ging zooals gewoonlijk van onderaardsch gerommel vergezeld.

Er bestaat te weinig gelegenheid om wetenschappelijke opmerkingen te doen omtrent aardbevingen, die de menschen verrassen en gewoonlijk zooveel schrik verwekken, dat men daarvan geene juiste en authentieke bijzonderheden kan mededeelen. Een heer, die te Manilla verschillende tijdmeters had verzameld, ten einde de buiging der hoeken en den loop der slingering na te gaan, beweert, dat bij de ligte aardbevingen van 20 en 23 Junij 1857, waarbij de thermometer op 88° stond, de rigting van den eersten schok van het N. N. O. naar het Z. Z. O. was, de duur 14 sec. en de slingering van den tijdmeter 1½ graad; dit geschiedde ten 2 uur 0 m. 40 s. op den 20sten Junij. Bij den tweeden schok was de rigting van het N. O. naar het Z. W.; de duur 26 sec; de slingering van den tijdmeter 2°; de tijd 2 uur 47 m. (mede op 20 Junij). De derde schok was van het Z. W. naar het N. gerigt; hij duurde 15 sec. en de grootste slingering bedroeg 6°, doch gedurende eene minuut merkte men ligte bewegingen op en beliepen de slingeringen van 2 tot ¾°; hij viel voor ten 5 uur op den 23sten Junij.

De aardbevingen hebben groote veranderingen in de aardrijkskundige ligging der Philippijnen gebragt. Bij die van 1627 verdween een der hoogste bergen van Cagajan. In 1675 ontstond op het eiland Mindanao een doortogt naar de zee en werd eene groote vlakte overstroomd. Ook op Luzon hebben achtereenvolgende aardbevingen eene reeks van rampen te weeg gebragt.

Landziekten zijn zeldzaam op de Philippijnen. Afgaande koortsen en chronische roode loop behooren tot de gevaarlijkste ziekten. Tweemaal heeft zich de cholera op de eilanden vertoond: in 1820 en in 1842. Elephantiasis, melaatschheid en het St. Anthony’s vuur zijn de plagen der Indianen, en de wildere stammen in het binnenland lijden aan verschillende huidziekten. De berri-berrie is algemeen en noodlottig. Venus-ziekten zijn algemeen verspreid, doch gemakkelijk te genezen. Onder de Indianen worden gewassen tot geneesmiddelen gebruikt. Chinesche kwakzalvers hebben veel invloed. In het uitroeijen van sommige tropische ziekten, kan geen Europeaan met de inlanders wedijveren. Zij genezen de schurft met groote behendigheid en moeten ook geneesmiddelen hebben voor longziekten. Hunne pleisters hebben voor uitwendige wonden eene goede uitwerking. Zij gebruiken nooit lancet of bloedzuigers. Heelkunde is natuurlijk onbekend.

Over het algemeen waren op de Philippijnen eenige personen uit Europa, die met goed gevolg de geneeskundige praktijk hebben uitgeoefend. Vreemdelingen mogen er hun beroep uitoefenen, na vooraf de magtiging van het Spaansche Gouvernement te hebben verkregen; doch de inlanders wijken zelden van hunne eigene eenvoudige wijze van behandeling van de algemeene ziekten op de eilanden af en in die gedeelten waar geene of weinig Spaansche bevolking is, vindt men niemand, wien een heelkundige operatie kan worden toevertrouwd. De plantenwereld verschaft eene groote verscheidenheid van geneeskruiden, die het instinct of de ondervinding van de Indianen hebben leeren gebruiken en die waarschijnlijk over het geheel even doeltreffend zijn als de meeste krachtige geneesmiddelen, die de Europesche wetenschap aanwendt. Quinine, opium, kwik en arsenicum zijn de wondermiddelen op het veld van Oostersche ziekten en het vroegtijdige en juiste gebruik daarvan stuit den loop van de ziekte over het algemeen.

Ik trof op het eiland Panay den practiserenden docter Lefevre aan, dien ik meer dan 20 jaren vroeger in Egypte had gekend en die een der moedige mannen was, welke met kracht streden tegen de bijgeloovige massa, die den besmettelijken aard van de Oostersche pest bespot en wantrouwt aan de deugdelijkheid van de quarantaine-bepalingen, die zoo geheel nutteloos, kostbaar en nadeelig zijn. Hij stelde mij eenige opmerkingen ter hand, die hij in 1840 te Bombay had gepubliceerd, waar vaartuigen aan een quarantaine-onderzoek onderworpen waren. Hij verzekert dat de pest slechts op bijzondere jaargetijden, bij zekeren bepaalden toestand der atmosfeer ontstaat en ook dan wanneer kwade dampen door de ontbinding van bedorven voorwerpen verspreid worden; dat landziekten onbekend zijn in die streken waar men geschikte voorzorgmaatregelen neemt omtrent den gezondheidstoestand; dat strenge koude of zware hitte den voortgang van de pest stuit; dat zij de meeste verwoestingen aanrigt als dampen en dierlijke en plantaardige zelfstandigheden het grootste gedeelte van de zuurstof absorbeert; eindelijk dat de pest nergens ontstaat of zich verspreidt waar de lucht zuiver is. Ik verheugde mij na zulk eene langdurige ondervinding de zaak nog eens met hem te kunnen bespreken en ik zag met genoegen dat hij meer en meer gesterkt was in zijne vroegere meening daaromtrent, door langdurig verblijf in die streken, waar land- en epidemische ziekten een besmettelijk karakter hebben, schoon zij niet van den aard der Levansche pest zijn. Dr. Lefevre bevestigt dat de quarantaine nooit in het minste het gevaar van de pest verminderd of hare verwoestingen gestuit, maar veeleer de voortplanting daarvan heeft bevorderd. Hij beklaagt de doofheid en ongeloofelijkheid van diegenen, welke «duizend onbetwistbare feiten» niet kunnen overtuigen en besluit aldus: «Indien ik niet met bijzondere zorg de pest had bestudeerd te midden van eene epidemie, en zonder meer voorzorgen dan het gevaar vereischte, – indien ik, ten gevolge van de verschrikkelijke bezoeking in Egypte van 1835, niet zoo herhaaldelijk bij elk geval tegenwoordig ware geweest, – indien ik eindelijk sedert dien tijd mij niet met warmte aan de voortdurende studie van deze ziekte, aan de geschiedenis der plagen waarmede de wereld reeds is geteisterd en aan het onderzoek van alle soorten van tegenwerpingen had gewijd – zou ik mijne opinie niet zoo bepaald vooropgesteld hebben, – eene meening aan welker gegrondheid ik geen oogenblik twijfel.»

Men kan niets anders dan, ten opzigte van de geographische ligging van deze eilanden, getroffen worden door de ontzagwekkende stilte en de uitstekende schoonheid van hunne nog oorspronkelijke bosschen, die zoo zelden nog doordrongen zijn en hunne kronkelwegen, die nog geen menschelijke voet heeft betreden. Niets stoort daar de stilte dan het gegons der insecten, het gezang der vogelen, het gehuil der wilde dieren, het geruisch der bladeren, het vallen van oude takken. Het is alsof het gewas zich ongestoord en zonder toezigt weelderig voortplant. Slingerplanten klimmen van boom tot boom op; schoone orchideën hangen van de stammen en takken. Men vraagt, waarom is zooveel schoonheid, zooveel luister in het niet gelaten? Maar is het inderdaad zoo? Voor den Schepper moet de beschouwing zijner werken, zelfs waar zij voor het menschelijke oog onzigtbaar blijven, aangenaam zijn en deze half verborgen, half ontwikkelde schatten zijn slechts afgezonderde stapelplaatsen, die den mensch overgelaten zijn te exploiteren; zij zullen de nieuwsgierigheid opwekken en de nasporingen van latere eeuwen beloonen. De mensch zwerve waar ook, hij exploitere zooveel hij wil; hij moge weetgierig en vindingrijk zijn, overal vindt hij, alom zal er steeds boven en rondom hem een oneindig en door tallooze geslachten heen onuitputtelijk veld tot bearbeiding voor de toekomst zijn.




HOOFDSTUK V.

BESTUUR, ADMINISTRATIE, ENZ


Aan het hoofd van het bestuur van den Philippijnschen Archipel staat een kapitein- en Gouverneur-Generaal, die te Manilla, de hoofdstad der eilanden resideert, en deze niet mag verlaten zonder toestemming van den Souverein van Spanje. Naast het bestuur over Cuba, is ’t het belangrijkste en meest winstgevende ambt dat het kabinet van Madrid kan wegschenken en was het helaas meestal eene der prooijen, die betwist werd door de ongelukkige en door de voorheerschende, politieke partij genomen werd. Het was dan ook eene treurige bezigheid voor mij de collectie portretten na te gaan van al de geregeerd hebbende Gouverneurs-Generaal en zoovele lijsten te zien die op toekomstige aanvulling wachtten, – welke de muren versierden van de schoone vertrekken die ik in het paleis bewoonde. Sedert 1835 hebben vijf tijdelijke en elf definitieve benoemingen tot Gouverneur-Generaal plaats gehad. Sommigen hunner bekleedden hunne magt slechts weinige maanden, en werden ten gevolge van ministriële verandering te Madrid, vervangen. Onder andere hooge ambten moet ik opmerken, dat sedert 1830 slechts twee aartsbisschoppen geregeerd hebben, terwijl men rekent dat de hoofden van de departementen tien jaren in functie blijven. De schadelijke gevolgen, die zulk een onzekere toestand in het hoogste bestuur op de algemeene belangen heeft, zijn onberekenbaar. De herhaalde en plotselinge veranderingen en benoemingen komen dan ook in geenen deele overeen met de begrippen van monarchaal en erfelijk bestuur, maar veeleer met de republikeinsche instellingen van de Westersche volkeren, en de langzame ontwikkeling der onmetelijke hulpbronnen van deze schoone eilanden is dan ook voorzeker voornamelijk toe te schrijven aan deze afwisselingen in het hoogste bestuur.

De titels van den Kapitein-Generaal beslaan een bladzijde en omvatten de gewone werkzaamheden van het bestuur, met uitzondering van het gezag over de vloot, dat aan den Spaanschen Minister van Marine is opgedragen, en van eene eenigzins beperkte magt in geestelijke zaken, hetgeen een uitvloeisel is van de uitsluitende vestiging van het Roomsch-Katholieke geloof.

De Luitenant-Gouverneur, die de plaats van den Kapitein-Generaal bij diens dood inneemt, wordt de Segundo Cabo of tweede opperhoofd genoemd.

De Philippijnsche eilanden zijn in provinciën verdeeld, die ieder onder het toezigt van politiek-militaire gouverneurs, of alcaldes mayores staan, meestal burgerlijke personen.

Wanneer het Gouvernement militair is, oefent een adsistent-luitenant-gouverneur, die den graad van doctor in de regten moet hebben verkregen, de eerste regtsmagt (de primera instancia) uit, doch de alcaldes vereenigen dit gezag in hunne eigen personen. Beiden beschikken in hunne provinciën over het militaire gezag en hebben het toezigt over de inning der inkomsten, onder verantwoordelijkheid aan den algemeenen administrateur der belastingen.

De provinciën zijn verdeeld in pueblos (steden of dorpen); aan het hoofd van elk staat een inlandsche Indiaan of mesties, die gobernadorcillo (verkleinwoord van Gouverneur) wordt genoemd. Hij wordt in de uitoefening zijner functiën bijgestaan door inlandsche luitenants en alguacils, wier aantal van de hoegrootheid der bevolking afhangt. Dit ligchaam, dat, als het verzameld is, de principalia van de pueblo wordt genoemd, beslecht alle kleine geschillen van politie of burgerlijke kwestiën tusschen de inlanders waar het de regten van personen en eigendommen geldt. In districten waar de Chinezen of hunne afstammelingen in vrij grooten getale zich bevinden (waar zij onder den naam van Sangleyes bekend zijn) staat men deze toe, onder bijzondere magtiging van het Gouvernement principalia uit hun midden te kiezen, die aan hun Indische regtspraak niet onderworpen zijn. Deze principalia zijn waarlijk door ’t volk gekozen overheidspersonen en zijn er vooral belast met de geestelijkheid in alle zaken te assisteren die op de openbare eeredienst en de geestelijke magt betrekking hebben. Zij beslissen kwestiën, die tot twee taïls goud of 44 zilveren dollars bedragen. Zij trachten licht te verspreiden over criminele zaken, wier behandeling aan het provinciale opperhoofd zijn opgedragen; werken mede tot inzameling van de koninklijke inkomsten, kondigen de bevelen van het Gouvernement onder het volk af en mogen eene geringe doch bepaalde belasting heffen ten einde hunne waardigheid op te houden.

Behalve deze, heeft men in iedere pueblo zekere beambten, die Cabezas (hoofden) de Barangay worden genoemd. Een barangay is eene verzameling van de hoofden van familiën of van personen die belasting betalen; het aantal dezer lieden bedraagt gewoonlijk 40 à 50. Deze staan onder speciaal toezigt van den cabeza, die in hun midden moet wonen en onder borgtogt, de aan den Staat verschuldigde belastingen moet innen. Hem is opgedragen geschillen te vereffenen en vrede en rust te bewaren, de verschillende posten onder de leden van den barangay te verdeelen en de belastingen op te zamelen om den gobernadorcillo of diens plaatsvervanger te betalen. De cabeza’s worden tevens als de procuradores of regtsgeleerden van deze kleine gemeenten beschouwd.

Er bestaat bijna geen twijfel dat de benoeming in vroegere tijden erfelijk was en er zijn zelfs nog plaatsen waar het erfregt wordt gehandhaafd. Over het algemeen echter heeft eene verkiezing plaats, en wanneer eene vacature ontstaat, stelt de gobernadorcillo met de andere cabeza’s een kandidaat aan de opperste magt voor; hetzelfde geschiedt wanneer de vermeerderde bevolking de benoeming van een nieuwen cabeza noodzakelijk maakt. De cabeza’s, hunne vrouwen en eerstgeborenen, die mede de belastingen moeten innen, zijn zelve van de betaling daarvan vrij.

In sommige provinciën worden de cabeza’s slechts voor drie jaren gekozen, waarna zij deel uitmaken van de principalia en den titel van Don erlangen. Ik herinner mij dat op eene plaats waar de principalia, die hare hulde kwam aanbieden, uit meer dan 70 personen bestond. Het Gouvernement klaagt over het toenemend aantal van die lieden, die van het betalen van belasting verschoond zijn, en ik meen dat men thans maatregelen beraamt om het privilegie eenigermate te beperken.

De verkiezing van den gobernadorcillo heeft jaarlijks op den 1sten April plaats. Er heerscht dan meestal een buitengewone drukte, daar men allerwege naar dit ambt haakt, dat wezenlijk gewigtig, populair en invloedrijk is. Drie kandidaten worden gesteld, waarvan een reeds de betrekking van gobernadorcillo moet bekleed hebben, en aan het oordeel van het Gouvernement onderworpen op of vóór den 15 Mei, terwijl de nieuw benoemde den 1sten Junij in functie treedt. Er heeft intusschen wel eens eene verandering van den datum plaats, daar waar, zooals in de tabaksdistricten, het tijdstip der verkiezing op dat van den oogst valt.

Het hoofd der provincie leidt gewoonlijk de verkiezingen, en de voornaamste geestelijke wordt hiertoe mede uitgenoodigd. Bij hunne afwezigheid, kan een inlandsche Spanjaard door de opperste magt daartoe aangewezen worden.

Voor iedere pueblo zijn 13 kiezers – de gobernadorcillo en 12 inwoners – waarvan de helft de laatstgenoemde betrekking moet hebben bekleed en cabezas moeten geweest zijn, terwijl de andere helft in de uitoefening dezer functiën is; zij moeten tevens erkende goede middelen van bestaan hebben; bedienden worden uitgesloten en ook diegenen welke tot criminele straffen zijn veroordeeld.

Voorts wordt vereischt dat de gobernadorcillo een inlandsche Indiaan of mestizo is, een inwoner van de plaats waar hij fungeert en boven de 25 jaren oud; dat hij de ondergeschikte posten van luitenant of cabeza bekleed heeft; dat zijne boeken in orde zijn en hij geen land in eigendom van de gemeente of geen monopolie (estanco) van het Gouvernement heeft. Gelijke voorwaarden bestaan voor den 1sten luitenant en de voornaamste (inlandsche) magistraten, die ter beslissing van kwestiën benoemd worden aangaande het zaaijen, de politie en het vee. Deze magistraatspersonen moeten den rang van gobernadorcillo bekleed hebben. Wat betreft de mindere regterlijke ambtenaren en hunne assistenten, maakt de gobernadorcillo, voordat hij zijne functiën nederlegt, eene lijst op die aan de autoriteit voor de verkiezingen wordt voorgelegd; en na den pastoor (cura) en het commité der verkiezingen gehoord te hebben, keurt de president de lijst goed ter verzending naar het opperste gezag; vindt hij echter tweedragt en verdeeldheid van meeningen onder de voor hem geplaatste partijen, dan is hij zelf gemagtigd kandidaten voor te stellen.

Van al de handelingen wordt proces-verbaal opgemaakt, dat door den president, den pastoor (als hij tegenwoordig is), de kiezers en den notaris wordt geteekend en naar het opperbestuur wordt verzonden, behalve in de aan de hoofdstad grenzende provinciën. De president mag in het proces-verbaal ook doen opnemen zijne aanmerkingen en het antwoord daarop. Bij een decreet van 1850 werd de algemeene invoering van dit stelsel bevolen. Het schijnt mij wel toe de vermelding waard te zijn en aan te toonen hoevele goede elementen van een wijs bestuur in de populaire instellingen van de Philippijnsche eilanden gelegen zijn.

De Chinezen uit de hoofdstad mogen Christelijke bekeerden uit hun midden, onder voorzitterschap van den alcalde-major van Manilla, kiezen voor de ambten van gobernadorcillo, 1sten luitenant en voornaamsten alguacil (baljuw). De ondergeschikte regterlijke ambtenaren worden bilangos genoemd en door den gobernadorcillo bij diens benoeming verkozen. Het innen van belastingen van de Chinezen is niet aan hunne principalia overgelaten, maar geschiedt door den alcalde-major of opperhoofd. Een ambtenaar is belast de Chinezen te classificeren en de op te brengen belastingen te schatten naar het vermogen van den belastingschuldige, die een zoogenaamd patente industrial heeft.

De gobernadorcillo’s en regterlijke ambtenaren hebben zitting in tegenwoordigheid van de provinciale hoofden, die de parochiale geestelijkheid aanmanen hun met verschuldigde achting en eerbied te behandelen.

Mallat, wiens geographische geschiedenis der Philippijnen in 1846 is gepubliceerd, merkt op, dat van alle door de Europeanen gestichte koloniën, deze streken welligt het minst bekend en het meest waardig zijn om bekend te worden. Het aantal eilanden waaruit de archipel bestaat; hunne groote uitgestrektheid en grenzelooze verscheidenheid; de vooruitgaande bevolking van velen; de aard van het klimaat; de bewonderenswaardige vruchtbaarheid van den grond; de onuitputtelijke rijkdom aan heuvelen, valleijen en vlakten – dat alles biedt de beschaving en haar verzachtenden invloed overvloedige belooningen aan.

Maar wat betreft de «nijvere gewoonten» der inlanders, – daaromtrent kan ik, evenmin als Mallat, hoop voeden. Het is juist het gebrek aan deze «industriële gewoonten» onder 4 of 5 millioen inwoners, dat de Philippijnen zoozeer ten achteren heeft gehouden.

Java onder het bestuur der Hollanders en Cuba onder de Spaansche regering, bieden, zonder twijfel, veel gunstiger tooneelen aan dan de Philippijnen; maar vele van de zwarigheden die de Kapitein-Generaal van Manilla ondervindt, zoowel op godsdienstig terrein als op maatschappelijk gebied, hinderen den Gouverneur-Generaal van Batavia niet; het eiland Java, het meest productive van Neêrlandsch-Indië, heeft met al die moeijelijkheden niet te kampen en men kan niet zeggen, dat zelfs Sumatra en Borneo met het voordeeligste der Philippijnsche eilanden gelijk gesteld kunnen worden.

Vele gebreken, die thans op den weg van verbetering zijn, moet men toeschrijven aan den aard van de oorspronkelijke verovering en aan het vroegere bestuur der Philippijnen. In Amerika en de West-Indiën spreidden de militaire veroveraars al hunne magt ten toon, terwijl het bezit en de plundering van nieuw grondgebied door het Spaansche hof werd aangemoedigd en door den Spaanschen aanvaller werd begeerd. Geheel anders echter was de staatkunde in de Philippijnen, waar slechts een klein korps soldaten door ijverige zendelingen werd vergezeld, wier doel het veeleer was de Indianen te bekeeren en tot Christenen te maken, dan hen te plunderen en uit te roeijen. Deze monniken verkregen langzamerhand een grooten invloed over de Indianen. De belangen van den handel zijn steeds door de Hollandsche kolonisten in aanmerking genomen en onder Britsche avonturiers is het handels-element steeds naauw verbonden geweest met het verlangen naar grondgebied. Bij de Spanjaarden daarentegen moet men erkennen dat het godsdienstige doel – welke de waarde daarvan dan ook zij – nooit verlaten of vergeten is. Geestelijk gezag en magt zijn in de Philippijnen doorweven met de staatsmachine van het Gouvernement en ook in het dagelijksche leven worden die ten toon gespreid.

Zulk een geestelijke werking heeft betrekkelijk weinig op de Philippijnen uitgerigt. De ontwikkeling, die de innerlijke emancipatie aan zoovele Protestantsche landen en hunne onderhoorigheden heeft gegeven, is nog tot slechts weinige katholieke koloniën doorgedrongen; doch die emancipatie is inderdaad dan ook niet over een te brengen met de meer strenge begrippen en leerstellingen van Rome. Doch in het geval van de gelukkigste poging tot kolonisatie door de Britten, zijn de inlandsche stammen of geheel verdwenen of smelten weg, terwijl de vermenging van Spaansch en vreemd bloed in de Spaansche koloniën niet alleen de vermeerdering der inlandsche bevolking heeft mogelijk gemaakt, maar zelfs niet in staat is geweest hun nationaal karakter te veranderen of meer te doen dan dit gering te wijzigen. De katholieken hebben zich ongetwijfeld daarop beroemd, dat Francis de Xavier en zijne volgelingen meer voor de Roomsche kerk wonnen in het Oosten dan Luther of Calvin daarvan ooit in het Westen hadden ontnomen; doch de waarde der veroveringen, vergeleken bij die van de verliezen en opofferingen, zou, wel beschouwd, de schaal meer ten gunste van de Protestanten doen overhellen.

Ongetwijfeld geven de groote verwijdering der Philippijnen van Europa en de moeijelijke en weinige communicatie aan de plaatselijke autoriteiten eene grooter onafhankelijkheid in haar bestuur dan dit haar anders vergund zou zijn; bij den dood van een Gouverneur was algemeen de aartsbisschop zijn opvolger; zijne nabijheid bij het Gouvernement en gedurig verkeer daarmede versterkten natuurlijk zijne eigene magt en die van alle geestelijken, die hem ondergeschikt waren.

In de vroegere tijden der Europesche kolonisatie intusschen deden de Portugezen, die wangunstig waren op alle Europesche tusschenkomst buiten de hunne met natiën ten Oosten van de Kaap, al het mogelijke, om te voorkomen dat eene andere vlag dan die van Lusitanië in de Oostersche wateren zou worden gezien. Ten opzigte van de zendelingszaken intusschen liepen hunne inzigten nog al ineen met die van de Spaansche priesters, en hunne handelingen kwamen met die der Spanjaarden overeen, vooral in zoo verre zij beide hunne rigting kregen van den hoogepriester te Rome. Men moet echter niet vergeten dat, welke vorderingen het Christendom reeds in de Philippijnen gemaakt heeft, de vervolgingen, rampen, teleurstellingen en de dood van zoo menigen Christen leeraar in Japan waarschijnlijk te wijten is aan den kwalijk geleiden ijver van de Portugesche Evangeliepredikers in deze nog afgelegener streken. Het is goed voor de belangen der waarheid evenzeer als voor die van handel en beschaving, dat in de laatste tijden een geest van meerdere gematigdheid en verdraagzaamheid met den vooruitgang van den Europeschen invloed in het Oosten is gepaard gegaan.

Het betrekkelijk kleine aantal Spaansche kolonisten in de Philippijnen zou hen niet in staat stellen, zelfs wanneer dit in hun voornemen ware gelegen, hetgeen niet zoo schijnt geweest te zijn, zich onnoodig te mengen in de gebruiken der Indianen, of in hunne wijze van administratie of bestuur, uitgezonderd in zooverre hunne bekeering tot het Christendom de invoering van Christelijke grondregelen noodig maakte, terwijl de monniken hunne werking gereedelijk bepaalden tot de maatschappelijke gewoonten van het volk en hierin, even als zij tot nog toe doen, vele der voorvaderlijke vormen van administratie en bestuur eerbiedigden, die sedert onheugelijke tijden onder hen bestaan hadden.

Men heeft zich bespiegelingen voorgesteld – en Mallat wenscht zulk eene gebeurtenis vurig – dat in den loop van tijden de Philippijnen de dominerende politieke magt van de Oostersche wereld zouden worden en aan hunnen overheerschenden invloed den Nederlandschen Archipel, de Stille Zee, Australië en zelfs China en Japan zouden onderwerpen, – dat Manilla zelfs bestemd zou zijn de grootste haven van de Oostersche en Zuid-Oostersche wereld te worden. Mallat gaat zelfs verder; hij zegt: «Manilla kan zelfs gemakkelijk het centrum van den in- en uitvoer van den geheelen aardbol worden.» Het zal zich met eene eenigzins minder schitterende toekomst moeten te vreden stellen. Zijne handelsbetrekkingen mogen zich ver uitstrekken en de Spaansche archipel kan in waarde toenemen en zijnen invloed versterken; doch in de groote ontwikkeling van de handelsbetrekkingen in de Oostelijke wereld zullen de Philippijnen zich met matige, ofschoon belangrijke voordeelen moeten vergenoegen, zelfs onder de beste administratie en de wijste staatkunde.

De tropische gewesten lokken geene duurzame kolonisten uit het Westen. De vreemde koopman komt om zich eene wat hij noemt evenredige fortuin te verschaffen en daarna weder te vertrekken; de hoogste openbare ambtenaar is onder of boven, maar nooit van het volk. Alles waarop gelet moet worden is het populaire element. Waaruit zijn de millioenen zamengesteld en hoe kan men ze analyseren? Er is geene reden te vermoeden dat zij naar politieke magt of souvereiniteit zullen haken. Hunne voorouderlijke gewoonten zouden geene algemeene organisatie toelaten. De verschillende stammen en geslachten zouden nimmer in één nationaal ligchaam vereenigd kunnen worden of één inlandsch hoofd erkennen. Alle orde en bestuur onder hen is locaal; uitgezonderd onder en voor hunne meesters hebben de verschillende eilanden geenerlei of weinig verkeer onderling. De Tagalees en de Basajer stemmen niet met elkander overeen. Misnoegen zou wanorde veroorzaken, die, zoo zij niet gecontroleerd werd, tot anarchie, niet tot een behoorlijk bestuur zou leiden.

De Philippijnen zijn vrij van den vloek der slavernij. De tijd zal het vraagstuk oplossen of de arbeid van den vrijen man op den duur met dien van den slaaf kan vergeleken worden, vooral in de tropische gewesten, allen echter, die «vooruitgang» in de wereld zien, wenschen de afschaffing van de slavernij en meenen dat de beschaving en het Christendom, de uitroeijing van dien gruwel eischen.

Hoe het zij, de Philippijnen hebben veel aan het moederland opgebragt, en doen dit nog, vooral boven de bepaalde belasting, situado genaamd. Spanje heeft in zijne groote verlegenheid meermalen de hulp der Philippijnen ingeroepen en het is alleen aan het crediet van de opvolgende Gouverneurs-Generaal te danken, dat, welke wanorde ook in de finantiën van het moederland heerschte, zij die van de Philippijnsche schatkist afhankelijk waren, weinig reden tot klagen hadden, en terwijl het schiereiland in gevaarlijke botsingen gewikkeld was, voor zijne onafhankelijkheid en zelfs voor het blijven bestaan van de natie werd de algemeene rust van de koloniën voldoende gehandhaafd; de gewone loop der zaken werd nu en dan wel verstoord, doch dan voor korten tijd.

Men zou denken dat geene wettelijke regeling de magt van den Onderkoning of Kapitein-Generaal bepaalt; maar telkens wanneer eene belangrijke kwestie aanhangig is, moet men zich tot Madrid wenden; dan ziet men dat de teugels van het bewind over dezen uitgestrekten Archipel eigenlijk in handen zijn van het Spaansche Kabinet, dat niet bij magte is groote misbruiken tegen te gaan of eenige belangrijke hervorming in te voeren. De Gouverneur-Generaal moest eene meer uitgestrekte magt hebben, natuurlijk altijd onder persoonlijke verantwoordelijkheid voor de uitoefening daarvan. Daar hij, zoo men een geschikt persoon kiest, in de plaatsen zelve meer zou weten, dan de vreemdelingen daarbuiten, zou zijn bestuur ook om die meerdere kennis vertrouwen verdienen. Te regt zegt een Castiliaansch spreekwoord: «mas sabe el loco en su casa que el cuerdo en la agena» (een gek weet meer van zijn eigen huis dan een wijze omtrent dat van een ander). Hij moest eene ruime bezoldiging ontvangen, opdat ook de oorzaken van verdenking uit den weg geruimd zouden worden. Hij moest omgeven zijn door een raad, uit bekwame mannen bestaande. Zulk een ligchaam moest natuurlijk vele zaken behandelen en tot eene plaatselijke machine worden om bouwstoffen te verschaffen voor eene verbeterde administratie als overzigten en statistieke opgaven van het land en de bevolking, hetgeen tot eene meer doelmatige verdeeling van provinciën, districten en pueblos zou leiden. Een eenvoudig wetboek van burgerlijk en strafregt zou een groote zegen zijn en moest, in zoover de belangen van het regt dit zouden vorderen, gegrondvest zijn op de zeden en gewoonten van het volk, terwijl het een plaatselijk administratief bestuur onder de inlanders zou moeten vestigen, altijd in zooverre dit met het belang overeenkomstig was.

Niets zou heilzamer voor de belangen van Manilla zijn, dan een krachtig comité voor publieke werken dat zich speciaal zou bezig houden om de middelen van gemeenschap gemakkelijker te doen worden. De kosten en moeijelijkheid van vervoer zijn de voornaamste beletselen voor de ontwikkeling van ’s lands hulpbronnen en de langzame voortgang van de weinige werken, die nog ondernomen zijn, is ontmoedigend voor degenen die hoop geven, en teleurstellend voor hen, die verwachten er voordeel van te trekken. In vele provinciën zijn de bruggen in ellendigen toestand en de wegen meestal onbegaanbaar. Zelfs op het volkrijke eiland Panay vertraagt de zeer kostbare en vervelende gemeenschap het vervoer van producten naar de hoofdstad en belemmert natuurlijk de ontwikkeling van den handel. Er ontbreekt – hieraan is niet te twijfelen – veel leidend talent en speciale kennis, die de nieuwere wetenschap kan verschaffen. Daar de bouw van bruggen meestal aan de ruwe handwerkers wordt overgelaten, die in dienst van de Spaansche beambten zijn, of wel aan de leiding der monniken wier algemeene grondstelling het stare super antiquas vias is, kan het geene verwondering baren dat men zoovele voorbeelden ziet van ruwen, onveiligen en onoogelijken bouw. Bovendien moet eene raming van de kosten der voorgestelde plannen naar de hoofdstad worden gezonden en dan is het naauwelijks anders te verwachten dan dat men ook hierbij, even als bij alles, eene kortzigtige en zeer kostbare spaarzaamheid zal ontmoeten. De uitgaven overtreffen daarbij bijna altijd de gemaakte raming; het werk wordt dan gestaakt en soms geheel ter zijde gelegd. Er zijn geene geldmiddelen en de staatkunde evenmin als de vaderlandsliefde zullen die bezorgen. Zelfs wanneer hij sterk geprikkeld wordt, gaat de Indiaan langzaam voort; bij hem bestaat uit zich zelf geen ijver voor de bevordering van het algemeene welzijn. Er bestaat geen drang van buiten om de autoriteiten tot verbeteringen aan te sporen en daardoor is daarop weinig te hopen, behalve van directe administrative werking.

Ik kan naauwelijks met stilzwijgen voorbijgaan aan het romantische werk van de la Gironière[7 - Hiervan bestaat eene Engelsche vertaling: “,” Vizetelly 1853.], daar dit het onderwerp van veler gesprekken op de Philippijnen was. De schrijver had daar 20 jaren gewoond, maar volgens de ondervinding van hen, die er meer dan tweemaal twintig jaren waren gevestigd, vond ik weinig bevestiging van de vreemde verhalen die hij ons in zijn zonderling werk opdischt. Hij hield zijn verblijf op een der Philippijnsche eilanden, tijdens ik die bezocht en ik meen dat hij toen nog op het landgoed woonde dat hij vroeger – doch zooals men mij zeide, thans niet meer – bezat[8 - Ik vernam van den Gouverneur-Generaal dat de heeren de la Gironière en Montblanc thans onder bescherming van het Fransche Gouvernement met “eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen” belast zijn.]. Ik bezocht zijn «Paradijs» niet, maar had een aangenaam gesprek met een Franschen heer, die thans zijne betrekking vervult. Ik trof niets van de buitengewone woestheid aan, waarmede de la Gironière zelf zegt omgeven te zijn, en het antwoord op de vragen die ik aan de naburige autoriteiten deed omtrent de juistheid zijner schilderingen van het Indiaansche karakter, was meestal een schouder ophalen of een glimlach en eene verwijzing naar mijne eigene ondervinding. Maar de heer de la Gironière heeft welligt naar de eer gehaakt van een’ Bernardin de St. Pierre of een Defoe en gedacht dat een paar romaneske en tragische opluisteringen de belangrijkheid van zijn persoonlijk drama zouden verhoogen. «De geheele wereld is een schouwtooneel», en als een acteur op dat tooneel, achtte de heer de la Gironière zich misschien geregtigd tot eenige overdrijving in zijne beschrijving, vooral als op het door hem gekozen «tooneel» de wonderen van zijnen arbeid konden voorgesteld worden.

Wat betreft de la Gironière’s wonderbare ontmoetingen en ontkoming van menschen en beesten; zijne tegenwoordigheid op feesten, waaronder de lekkernijen menschelijke hersentjes waren, die de jonge meisjes in het sap van suikerriet doopten, waarvan hij niet dronk, maar dat zijne bedienden gebruikten: zijne ontdekkingen van handen van inlanders, die tot voedsel waren toebereid; zijne mededeelingen dat de ruwe Indianen uitgewerkte verhalen in de gevernisde taal van een fantastischen roman doen; zijne uitgestrekte bezittingen; zijn ongeloofelijke invloed op woeste bandieten en wreede wilden; – dat alles moet op zijne waarde geschat worden. Ik beken in de la Gironière’s werk met eene verwondering twee «getuigschriften» te hebben gevonden van de heeren Dumont d’Urville en Admiraal la Place, waarin zij, onder meer, een verhaal geven van het broeijen van eijeren door bepaald daartoe aangewezen mannen. Zij zagen, even als ieder ander, in de dorpen aan de Pasig-rivier, verbazende hoeveelheden eenden en waren «verstomd» wanneer zij bedachten hoe zulk eene menigte kon worden voortgebragt; later vernamen zij echter dat dit wonderbare feit werd uitgevoerd door «luije Tagalesche Indianen» die zich op de eijeren legden, welke in asch geplaatst worden. De geduldige lieden eten, drinken, rooken en kaauwen hun betel; terwijl zij zorgen de teedere schilletjes niet te beschadigen, nemen zij voorzigtig de kiekentjes weg, wanneer zij uit zijn. Nu moet men toch vragen wie voor het breken zorgt als de luije Tagalezen slapen en, zoo onze waarde getuigen een oogenblik hadden nagedacht, zouden zij het geweten hebben dat, zoo al de inwoners zich nergens anders mede bezig hielden als met het eijeren broeijen, zij naauwelijks voldoende zouden zijn het «verbazende» aantal kiekens uit te broeijen, die zich aan de oevers van de Pasig bevinden. De uitbroeijing wordt verkregen door de plaatsing van warme padieschillen onder en boven de eijeren; dan worden zij in vormen gelegd en een linnen doek over de schillen uitgespreid. Het komt er dan slechts op aan de noodige temperatuur te behouden; één man is voldoende om te zorgen voor een groot aantal vormen, waaruit hij de kiekentjes haalt, als zij zijn uitgebroeid en die in groepjes naar den waterkant brengt. De verschillende woningen zijn door bamboeschuttingen van elkander gescheiden, maar er is bijna geen hut, die aan den waterkant staat zonder hare patero




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/bowring-john/een-bezoek-aan-de-philippijnsche-eilanden/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Eene nieuwere geschiedenis van de verovering der eilanden en van de Spaansche wetgeving vindt men in het werk van Buzeta, deel I, pag. 57–98.




2


Ik bezocht eenige Cochin-Chinesche gevangenen in de fortificatie: zij waren te Turon gevangen genomen en een hunner was een mandarijn, die daar eenige magt had uitgeoefend, – namelijk de kommandant der plaats was geweest. Zij schreven de Chinesche karakters, doch konden de landtaal niet verstaan.




3


Onder mijne vroegere lettervruchten behoort eene verhandeling waarin ik geheel wederlegde het vreemde verhaal van de vernieling van de manuscripten, die den kardinaal Ximenes tot bewerking van zijnen bijbel in verschillende talen hadden gestrekt.




4


Het verhaal, dat de Spaansche schrijvers van het nemen van Manilla door de Britten geven en dat hier uit Buzeta’s werk wordt overgenomen, kan als op de waarheid gegrond worden beschouwd:

“In 1762 was de voorspoed van de stad Manilla buitengewoon toegenomen. Hare handelsbetrekkingen strekten zich uit tot de Molukken, Borneo, verschillende gedeelten van Indië, Mallaka, Siam, Cochin-China, China, Japan, in één woord tot alle plaatsen tusschen de landengte van Suez en de straat van Behring gelegen. Op het einde van voornoemd jaar werd de stad echter door eene ramp getroffen, die haar jaren achteruitzette. De Engelschen, die toen in oorlog met de Spanjaarden waren, vertoonden zich met eene aanzienlijke magt. De zeer doorluchtige aartsbisschop Don Manuel Rojo, die toen tijdelijk het bewind voerde, had niets van eenige oorlogsverklaring vernomen en zich niet tot de verdediging voorbereid. Eerst bij de aankomst van de vijandelijke vloot werd deze tijding bekend. Het garnizoen bestond uit het regiment del rey, dat een aantal van 2,000 man moest bedragen, doch door detachementen, desertie en zieken tot 500 was gereduceerd. Men had niet meer dan 80 artilleristen, allen Indianen, die bijna niet met het kanon wisten om te gaan. Bij dezen stand van zaken verscheen de Engelsche vloot plotseling den 22 September 1762. Zij bestond uit 13 schepen en 6,830 man uitmuntende troepen. Daar men hoegenaamd niets van de zaak af wist, meende men dat de vloot een van Chinesche sampans was. Er werden eenige maatregelen tot verdediging in het werk gesteld en een officier afgezonden, om den kommandant der vloot te vragen onder welke vlag hij voer en wat het doel van zijn onverwacht bezoek was. De afgezant keerde den volgenden dag terug, vergezeld van twee Engelsche officieren, die verklaarden dat het doel der expeditie was de eilanden te veroveren. Men antwoordde hen dat de eilanden zich zouden verdedigen. In den nacht van den 23 op den 24 ontscheepte de vijand zich aan de redoute van St. Anthony Abbot. Men deed eene poging hen te verjagen, die echter mislukte. In den morgen van den 24sten schoot men op hen, doch met weinig succes, daar zij in verschillende gebouwen waren verschanst en daardoor beschermd. Ten einde hun voortgang te stuiten, werd besloten tot een krachtigen uitval, waarover het bevel werd opgedragen aan den heer Fallu, een Fransch officier in Spaansche dienst; doch deze dappere krijgsman zag weldra in, dat de vreemde troepen te talrijk waren om zich met hen te meten. Hij streed gedurende den geheelen nacht en keerde eerst ongeveer ten 9 ure in den volgenden morgen naar de citadel terug. De vijandelijkheden werden gestaakt en de aanvallers zonden een parlementair naar de stad. Den 25sten werd het bombardement voortgezet en ons kanon deed den vijand veel afbreuk. In den morgen van den 28sten liet de Engelsche generaal het hoofd opeischen van den officier, die twee dagen vroeger als parlementair gezonden en door de Indianen onthoofd was. Hij vorderde ook de uitlevering van de personen, welke die misdaad hadden begaan, en dreigde bij weigering met schrikbare represailles. Aan dezen eisch werd voldaan en de aartsbisschop, die de teugels van het bewind in handen had en de verdediging der stad bestuurde, begaf zich zelf te paard naar het vijandelijke kamp, doch zonder resultaat. Den 29sten verkreeg het Engelsche eskader eene versterking van drie schepen, die 350 Franschen uit Pondicherry aanbragten, welke de gelegenheid zochten de Engelschen te verschalken en twee hunner vertrouwden benoemden om hunne desertie te bewerkstelligen en hun plan door te drijven; doch de twee afgezanten werden door de Indianen als Engelschen beschouwd en, in plaats van welkom geheeten, verslagen. De Engelschen, die met het gebeurde bekend werden, verzekerden zich tegen verder verraad van de zijde der Franschen. Den 3den October kwam eene sterke legermagt Indianen uit Pampangan aan en er werd tot een gevecht besloten; de strijd was bloedig, doch leverde geenerlei succes op voor de verdediging. Den volgenden dag schoten de belegeraars een bres in de bolwerken der Fundicion. Er werd een krijgsraad gehouden en de militairen oordeelden dat eene capitulatie onvermijdelijk was; de burgers echter wilden de verdediging volhouden.

“Ongelukkig liet de Aartsbisschop zich van die meening afbrengen, waarvan zoovele rampen in Manilla het gevolg waren. Den 4den was men algemeen overtuigd dat die stad weldra genoodzaakt zou zijn zich over te geven en nu werd de titel van Luitenant-Generaal opgedragen aan den regter (Oidor) Simon de Anda y Salazar; ten einde den zetel van het Spaansche gezag naar eenig ander gedeelte van het eiland over te brengen en voor zijne verdediging te zorgen, vertrok hij denzelfden avond ongeveer ten 10 ure in eene boot met eenige roeijers, een’ Tagaleschen bediende, 500 dollars in zilver en veertig bladen gezegeld rijkspapier. Dit waren zijne hulpmiddelen tegen een vijand, die 16 vaartuigen in de baai had liggen en op het punt stond de stad binnen te rukken. Op die wijze, zonder legermagt of vloot, bereikte een meer dan zestigjarig man Bulacan, vast besloten tot een’ volhardenden wederstand tegen de veroveraars, die weldra de hoofdstad zouden inrukken. Den volgenden dag geschiedde dit werkelijk; de vijand verliet zijne verschansingen en naderde in drie kolonnes de bres, die bijna ontoegankelijk was. Veertig Franschen van Pondicherry gingen voor en vonden geenerlei tegenstand. De vesting was genoodzaakt zich over te geven. In veertig uren tijds was de stad verwoest en daarbij de kerken evenmin als de paleizen van den aartsbisschop of Gouverneur gespaard. De Spanjaarden hadden gedurende het beleg drie officieren, 2 sergeanten, 50 soldaten en 30 burgers der militie verloren, behalve de gewonden; het verlies van de Indianen bedroeg 300 dooden en 400 gekwetsten. De belegeraars verloren ongeveer 1,000 man, waaronder 16 officieren. De vloot had de stad met meer dan 5,000 bommen en 20,000 kogels beschoten. Men voedde de hoop dat eene verwoesting gedurende 40 uren en de overgave van het garnizoen den vijand zouden bevredigen, maar hierin bedroog men zich. Terwijl de plundering plaats greep berigtte de kommandant den Aartsbisschop dat al de inwoners vermoord zouden worden, zoo niet onmiddellijk 2 millioen dollars in specie toegestaan en voor 2 millioen aan biljetten op de Spaansche schatkist uitgegeven zouden worden. Men was wel genoodzaakt hierin toe te geven; men offerde de liefdadige fondsen en de sieraden der kerken op, om aan dezen eisch te voldoen.

“Terwijl de gebeurtenissen te Manilla zulk een tragisch einde hadden, verzamelde Anda te Bulacan den Alcalde, de geestelijken en andere Spanjaarden en toonde hun zijn gezag aan, dat met geestdrift werd erkend. Op den avond van denzelfden dag werd de tijding van den val van Manilla bekend en nu publiceerde Anda eene proclamatie, waarbij hij zich tot Gouverneur-Generaal over de Philippijnen verklaarde, terwijl hij den zetel van het Gouvernement te Bacalor in Pampanga koos. Vijftien maanden lang liet hij den oorlog voortduren, niettegenstaande de hevige aanvallen door de Engelschen, vooral onder de Chinezen en in weêrwil der algemeene desorganisatie der provinciën. Hij hield dan ook de Engelschen te Manilla ingesloten; zij durfden zich naauwelijks buiten de muren te vertoonen. Te Malenta, een eigendom van de Augustijner monniken, werd een Fransch sergeant Bretagne genaamd, die van de Engelschen was gedeserteerd en eenige zijner landslieden uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen, tot kapitein benoemd en vijandelijkheden tegen de invallers, die hij veel schrik moet aangejaagd hebben door het onderscheppen van levensmiddelen en het aanvallen van achterblijvers uit de stad. De Engelschen loofden 5,000 dollars uit aan dengene, die Anda levend in hunne handen zoude overleveren. Den 3den Julij 1763 kwam echter een Britsch fregat, dat eene wapenschorsing tusschen de oorlogvoerende partijen aankondigde en het ophouden der vijandelijkheden bewerkstelligde. In Maart 1764 kwam de tijding van het sluiten van den vrede; de Engelschen ontruimden Manilla, waar het Spaansche gezag hersteld werd. De schade door de Engelschen te weeg gebragt, werd door Gouverneur Basco hersteld.”




5


Manuscript van het beleg van Manilla, door pater Juan de Santa Maria.




6


Diccionario geográfico, estadístico, histórico de las Islas Filipinas. 2 vols. Madrid, 1850.




7


Hiervan bestaat eene Engelsche vertaling: “,” Vizetelly 1853.




8


Ik vernam van den Gouverneur-Generaal dat de heeren de la Gironière en Montblanc thans onder bescherming van het Fransche Gouvernement met “eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen” belast zijn.


