Eene Egyptische Koningsdochter
Georg Ebers




Georg Ebers

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers





Eerste boek





Eerste hoofdstuk


De Nijl was buiten zijne oevers getreden. Daar, waar anders het oog met welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde zich thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en der bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De wilgenboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken, het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was opgegaan en goot haar zacht en liefelijk licht uit over de Lybische heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven blauwe en witte lotusbloemen. Vledermuizen van verschillende soorten zwierden en fladderden door de stille, van den geur der acacia’s en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eersten verborgen slapend hunne langgesnavelde koppen onder de vleugelen en bewogen zich niet; de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees, dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neêrstort en zoo driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar hij, in verscheidene armen verdeeld, de zee nadert, zijn onstuimig jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust.

In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóor onze jaartelling, eene bark den Canobischen mond[1 - Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette gelegen.] van den Nijl, waarin schier geen stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek, terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede hij den koers van het vaartuig regelde[2 - Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven, en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers, Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und ägyptisches Leben im Altertum.]. In het ruim van het schip zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten priëel, lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men hunne Grieksche afkomst herkennen. De oudste van de twee, een ongemeen groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag, dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijne violetblauwe chlanis[3 - Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen, droegen een eenvoudigen mantel (himation).] verschikte en verplooide, of met de hand over zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek.

De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis[4 - Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie, aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749 v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote later de plek tot stichting van Alexandrië.], de eenige Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken, en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op, zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van onzen tocht bereikt, Aristomachus. Dáár in de hoogte, links, dat zoo lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden verheffenden tuin van palmboomen[5 - Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te dalen. Vgl. Ebers’ Warda (vert.) Dl. I, blz. 169.] is de woning mijner vriendin Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen, en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn.”

De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op het gebouw, bracht met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet de lippen[6 - Spartanen droegen geen knevels.] omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: »Wat is die Rhodopis toch voor een wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer dweepen de Atheners met oude vrouwen?”

Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere zelfvoldoening: »Ik acht dat ik de menschen, en vooral de vrouwen, zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien, en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen[7 - Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.], voorzeker, dan zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!”

»En toch,” antwoordde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delphiër Phryxus hier te ontmoeten.”

»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen zal opwekken.”

Aristomachus schudde ontkennend het hoofd, en zeide: »U, levenslustige Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal het, bij het vernemen van Alkman’s[8 - Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen “vrouwenvereerder” genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.] heerlijke zangen, zijn als in zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden.”

»Meent gij dan,” vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf- en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land, dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus, is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele droeve dagen u verbeiden? – Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige stemming den tempel der Charitinnen[9 - Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia, Euphrosyne).] binnen te treden.

Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bespoelden muur van den tuin. Met een sprong verliet de Athener het vaartuig; de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten tred. Aristomachus had een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken, dat hij met het houten been ter wereld was gekomen.

In den tuin van Rhodopis geurde, bloeide en gonsde het, als in een nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa’s, hagen van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregenstruiken betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nijlacacia’s en balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lagere gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte op den stroom bij wijle verlevendigden.

Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters der pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer bekwame hoveniers te zijn[10 - De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien.]. Zij verstonden de kunst om bloembedden scherp af te steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke priëeltjes en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhouden en aan te kweeken.

Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen, en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit te beduiden heeft. Ik verneem geene stemmen, zie geen licht, alle barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden staak nevens de obelisken aan weêrszijden der poort[11 - Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.]. Rhodopis moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben…?” Hier viel hem eene zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!”

»Goeden avond, Knakias!” riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard vriendelijk groetende toe. »Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs de gasten uit?”

»Sinds wanneer?” antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. »Zoo lang de Parcen[12 - Schikgodinnen.] mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen, als dit huis slechts bevatten kan. Rhodopis is niet te huis, doch zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den lust niet kon weêrstaan, met hare vrienden een tochtje op den Nijl te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij van wal, en de maaltijd is reeds bereid[13 - De hoofdmaaltijd, het “deipnon,” werd door de Atheners eerst laat in den avond gebruikt.]. Zij kunnen niet lang meer uitblijven. Ik bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en volg mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou het mij niet vergeven, als ik zulk een aangenamen gast niet had uitgenoodigd om een wijle te toeven. En u, vreemdeling,” ging hij voort, den Spartaan aansprekende, »verzoek ik dringend te blijven, want als vriend van haar vriend zult gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!”

De beide Grieken volgden den dienaar, en zetten zich in een priëel neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving, die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken: »Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene slavin en hetaere[14 - Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51–69.], het te danken heeft, dat zij als eene koningin leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?”

»Deze vraag verwachtte ik reeds lang,” riep de Athener vroolijk, »en het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze oude stroom dwingt met onweêrstaanbare kracht tot zwijgen en tot stille gepeinzen. Toen ik, gelijk gij daar straks, voor de eerste maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij als was mijne anders zoo radde tong verlamd.”

»Ik dank u,” antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderdvijftigjarigen priester Epimenides van Cnossus[15 - Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.] op Creta, voor de eerste maal zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom Aigyptos[16 - Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, door de Grieken genoemd.]! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!”

»Rhodopis,” aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het Thracische strand zich verlustigde, door Phoenicische zeevaarders geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor[17 - Een geboren Samiër van adellijke familie.], gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid, aanvalligheid en in verstand, en weldra werd zij door allen die haar kenden bemind en bewonderd.

»Aesopus[18 - De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.], de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog[19 - Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.], dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest, zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd met afkeer denkt.

»Toen eindelijk de roep harer schoonheid door geheel Hellas op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de verstverwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen[20 - Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen haar naam kende.], gebeurde er iets, dat op het lot van Rhodopis grooten invloed had. Het volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen Pittacus tot gebieder. De aanzienlijkste familiën moesten Lesbos verlaten, en vluchtten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus[21 - Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid, en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.], de grootste dichter van zijn tijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho[22 - Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer, voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige fragmenten bewaard gebleven.], wier lierzangen te leeren de laatste wensch van onzen Solon was, kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den Egyptischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag Rhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk, dat hij eene ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van den geldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in bijtend scherpe verzen; Alcaeus evenwel liet Charaxus recht wedervaren, terwijl hij Rhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong.

»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder de vele vreemdelingen te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal door Rhodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken overlaadden. Koning Hophra[23 - Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588–569.], die veel van hare schoonheid en haar verstand gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Rhodopis den schoonen Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxus de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pittacus de ballingen in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en wedijverde met haren vriend Alcaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke liederen te bezingen.

»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis[24 - Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum te Leiden.], de tegenwoordige koning van Egypte, had zich intusschen van den troon der pharaonen meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der krijgslieden, uit wier kaste hij gesproten was, te handhaven. Dewijl zijn voorganger Hophra, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn omgang met de door alle Egyptenaren gehaatte vreemdelingen, zijn eigen val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot openbaren opstand had aangezet, hield men ’t voor zeker dat Amasis, gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats van aan den raad der Hellenen het oor te leenen, op de bevelen der priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning, vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis[25 - Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.], zijn vervallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren, en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam, en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om de laatste bekommert zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst[26 - Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben daaraan veel ontleend.], die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen harer belijders eene nog grootere heiligheid ontleent. Deze priesters verbitteren ’s konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar kunnen; ja, ik zou reeds lang het kind van de rekening geweest zijn, zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt.

»Maar ik heb den draad van mijn verhaal laten glippen. Rhodopis werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis, die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke gunst overladen. Hare dochter Kleïs, die, evenmin als thans Sappho, ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen, en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen de Perzen had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op de Keltische kust gestichte Massalia[27 - Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs gesticht.]. De jeugdige echtelingen stierven, ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in haar huis op, liet het met de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weêrstreeft, verder verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische zeden wel veroorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang, bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men steeds de laatste berichten uit het vaderland en uit alle oorden der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats, want de koning heeft zijne vriendin een vrijbrief gegeven tegen alle aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten[28 - In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke opschriften en papyrussen blijkt.]. Hier hoort men zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende macht der tyrannen[29 - Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt van het bestuur.] zal kunnen worden verlost. In één woord, dit huis is het brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte, en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven, de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen, dat deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn.

»Ha, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar het huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan, en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene slavin gelijkt.”

Het huis van Rhodopis[30 - Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166–205.] was in Griekschen stijl gebouwd. De buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was, ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen aan de Egyptische kleurenpracht weten te paren. Door de breede hoofddeur kwam men in het voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur, en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was, waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal, die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen haard, in den vorm van een altaar, door een Aeginaetisch kunstenaar vervaardigd[31 - Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina, door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.], het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal haar licht door eene groote opening in het dak, door welke tegelijk de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door eene zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleidde. Hier vertoefden de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen, in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd, waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zuilen waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in de nabijheid van den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout[32 - Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000 gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen vindt men in de musea te Leiden.], op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en een phorminx[33 - Eene soort van cither.] lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kiki-olie[34 - Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom “kiki.”] gevulde lampen van onderscheidene vormen: deze had de gedaante van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met den gloed van het haardvuur vereenigden.

In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen[35 - Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, 28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.]. Naast dezen stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom der Pythia[36 - Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes[37 - beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk, en Wägner.], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten, die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.

Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium[38 - Men herinnere zich Schillers lied. “Die Kraniche des Ibycus.”], die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van Sybaris[39 - Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet genoemd.], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed, dat hem tot aan de voeten reikte.

Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was, door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen, die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone, en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen, maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.

Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten.

»Ik dacht al,” riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes geene vroolijkheid!”

Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep, zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen: »De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt zijt gij ook mij welkom, Athener!”

»Wat mij aangaat,” sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt, maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat: ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is.”

Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis, zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij, Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft van een vergulden muizenval, zij ’t dan ook met weêrzin, verlaten!”

»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij u te begeven?” klonk het van alle zijden.

»Geduld! geduld! vrienden,” riep Phanes; »ik moet u eene lange geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u verlaten moet.”

»Honger is een voortreffelijk ding,” philosopheerde de Sybariet, »als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft.”

»Stel u gerust, Philoinus,” hernam Rhodopis, »ik heb den kok bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de werken zijner handen. – Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte! – Zijt ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!”

De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding, als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U, Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt?

		’k Leef bij ’t heden, niemand weet toch
		Wat de dag van morgen brengt.
		Proef, geniet dan ’s levens vreugde,
		Wijl het noodlot zulks gehengt.
		Werp den teerling, offer Bacchus,
		Drink en smaak zijn kostbren wijn:
		Immers, als een ziekte u nadert,
		Moogt gij niet meer vroolijk zijn.

Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat, al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde, ook mij zeer na aan ’t hart liggen. Als ik niet te eten had, ging ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken, zij het dan ook een leven zonder kleur of geur.”

De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus, troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton[40 - Het onderkleed, een soort van hemd.], en bracht een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn, waarop eenige regels geschreven stonden.

De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden, toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich, en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen, leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij ’t kunt, lees mij dan voor wat de Pythia zegt.”

De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias[41 - Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere orakelspreuken.] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de priesteres u verkondigt:

		Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
		In ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
		Dan voert de ranke boot u, moê van ’t ommedwalen,
		Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.
		En van de vijf moogt gij in ’t eind verwerven
		Wat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.

Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje bij zich.

De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn best om deze raadselachtige taal te verklaren.




Tweede hoofdstuk


De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten noodigden om zich neder te vlijen[42 - In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.]. Op den disch prijkten heerlijke bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels, vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag fijne zachte kaas van het eiland Trinakria[43 - Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.]. In het midden der tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar, dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat[44 - De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de verhouding van ⅖ tot ⅗. Het drinken van onvermengden wijn, behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.], dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was, evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten[45 - De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden er vele bewaard.]. Over de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.

Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden, en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.

Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven, maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken[46 - De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand, die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.]. Met zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen uit den voortijd liet voorstellen[47 - Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.].

Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken Spartaansch heloot[48 - Naam der Spartaansche slaven.], die zich beroemde eene voortreffelijke bloedsoep – bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche lichaam – te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.

Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd, en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld[49 - Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met een soort van zeep (smegma).]. Toen Rhodopis zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was, en sprak:

»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt, dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen, welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen, Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u, ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen, en u alzoo in ons midden te houden.”

Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes’ lippen. »Ik dank u, Rhodopis,” antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen, die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren, die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente hunner voorvaderen zouden laten ontnemen[50 - Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.], zijn niet trouw maar dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen, als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend, – want, zoo lang ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden, – bij wijle gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?” maar zeg: »Wij willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring verkeerde!” Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van Simonides, als hij zong:

		Dwaasheid is het, tal van dagen
		Toe te wijden aan ’t verdriet,
		Geven we aan de sarkophagen
		Eén dag rouw, en langer niet.
		Och de dood komt snel en vroeg;
		Zonder dat wij ’t ons vergallen.
		Blijft het leven voor ons allen
		Bitter arm en kort genoeg.

En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe: »tot wederziens!”

Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten, niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over… nu ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!”

Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te vertellen, wat er met hem gebeurd was.

»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt, een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve aangewezen[51 - Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes’ zoon en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren (Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen hoogst verdienstelijk gemaakt.]. Sedert de regeering van Psamtik I[52 - De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij den 5den Febr. 664 den troon besteeg.] houden zich de koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.

»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij, mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo’n exemplaar wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch.”

Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had, scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen[53 - De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt, werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- en muizenoorlog.].

»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten,” vervolgde de overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes, die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden, eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek, vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren, te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.

»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest[54 - Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq, thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en de kraamvrouwen.], heeft men verlof alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!

»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude slaaf Mus[55 - Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: muis.], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken, ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch[56 - Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.] naar den Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.

»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel van Ptah[57 - Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort, volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd.

»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht op mijn dienaar bij te wonen.

»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op, dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde, trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd, als de machtige opperpriester niet ‘halt’ geboden had – met het plan mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad onderstelde, mede in het verderf te slepen – en bevolen den gruwelijk mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.

»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet.

»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.

»Het oppergerechtshof[58 - Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op de rechters zou oefenen.], tegen welks uitspraken zelfs de koning niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden: ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad[59 - Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis had gedragen, even schuldig als de dader.], gelijk zij het geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een Arkadisch taxiarch[60 - Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.], die zich onder mijne bewakers bevond, deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man, gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen, waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn, hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte, voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt niet begrijpen – met deze woorden eindigde hij zijn klacht, – in hoeveel zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning, onafhankelijk.

»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te zullen verlaten.

»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins, die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij, Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten te vinden.” Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend, Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber over de troepen van Cyprus[61 - Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid geweest zijn.”

»Al lofs genoeg, vriend Phanes!” viel Aristomachus den Athener in de rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den spijker juist op den kop slaat.”

Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes, heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk, wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft, dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden, want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen, en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis, als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle volkeren als de koningin der aarde worden erkend.”

Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid, stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen, wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis, verdiendet eene Spartaansche te zijn.”

»En eene Atheensche!” riep Phanes.

»Eene Jonische!” de mannen van Milete.

»De dochter van een geomoor van Samos!” de beeldhouwer.

»Maar ik ben meer dan dat alles,” riep de edele vrouw in geestdrift uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!”

Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla[62 - Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.] smaakt mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!”

Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.

»Weest allen gegroet!” riep plotseling eene ons nog onbekende zware stem door het open venster.

»Wees gegroet!” antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond, vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn.

Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren, met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige oogen zag de nieuw aangekomene, – een der rijkste bannelingen uit Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten prijsgeven, – den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de wereld verdwenen is.”

»Wij hebben u sinds lang gewacht,” antwoordde een der Milesiërs. »Gij zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische spelen bericht kunt geven!”

»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan den overwinnaar van weleer,” liet Rhodopis er op volgen.

»Kom, neem plaats,” riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!”

»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot,” hervatte deze. »Het is reeds tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae[63 - Oostelijke haven van Corinthe.] op een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen, ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder aanvaardden.

»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren, wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas[64 - De Noordenwind.], die mij toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad, dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen.”

Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros, die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.

»Dit heb ik voor u medegebracht[65 - Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.],” zeide hij, zich tot de oude vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.

»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens wie in ’t wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?”

»Een Athener?” vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.

»Juist geraden, Phanes!” antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon, de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen, ten tweede male de zege behaalde[66 - Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon, nabij Athene een gedenkteeken oprichten.]. Voorwaar, de Philaïden[67 - Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en Cimon behoorden tot de Philaïden.] verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes, voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over den roem van uw geslacht?”

Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem, en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult aanschouwen!”

Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots, maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te leggen. – Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons, den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft, door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik, Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet, ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht, Kallias, de rijke Daduchen[68 - Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, welk recht in Kallias’ familie erfelijk was.], voor Pisistratus in het stof!”

Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen toeroepen:

“Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland bogen!” Daarop vatte hij andermaal Phanes’ hand en zeide: “Niet minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve.

Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt, houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door Kallaeschrus, Antistates en Porimus, – mannen die gij zeker wel kent, Theodorus, – uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur, en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt, zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd, Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel, het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich om den tiran verdrong. – Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal de hand! – Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.

»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus[69 - Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen liet oprichten.], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië[70 - Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus in Andalusië.], het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van den Pontus Euxinus[71 - De Zwarte zee.], kortom iedere stad die roem draagt op hare Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond Milon[72 - Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal bij de Isthmische spelen.], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand, uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te luisteren[73 - Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen tegenwoordig te zijn.]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs[74 - Karthagers.], Lydiërs, Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van de rookende feesthekatomben[75 - Een offer van honderd ossen, een feestoffer.]; van de bonte kleederdrachten; van de kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden, die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen; van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning; van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden mes van den heiligen olijfboom in de Altis[76 - Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering, uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.], door Hercules zelven voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een rollende donder door het stadium[77 - De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.] weêrklonk, toen Milon van Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld, zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk eene Lacedaemonische baker[78 - Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.] een knaapje draagt.

»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa[79 - Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.], van de Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij ternauwernood den paedanomos[80 - Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de opvoeding was toevertrouwd.] ontgroeid was. Schoon in hunne naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen, hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren, en riep: ‘Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!’ De Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om een kreeft te ontleden.

»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich als eene tang vastklemmende handen. – Lang hield na elken aanval de worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk, – eindelijk was het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.

»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom, vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer, en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg, tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij aan de vermoeide armen van den reus. Democedes[81 - Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug en huwde de dochter van Milon.], de beroemdste arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood.

»Milon moest afstand doen van den krans[82 - Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar, wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.]. De roem van dien jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus, dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina[83 - Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.] eene plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt de olijftak wel toe.”

Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had onder de schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne linker Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, als ware hij de held van Kallias’ verhaal geweest. De verstandige Athener begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam, dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk met zooveel roem werd gekroond, welke schoone gestalten nog steeds, als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding zweefden, toen zag ook hij met afgunstige bewondering den snikkenden grijsaard aan, en ook in zijn oog parelde een traan, dien hij niet zocht weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in den balsem der tranen eenige verlichting hoopten te vinden. De sterkste helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke zielesmart, weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig te worden.

Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen het stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: »Ween vrij uit, Spartaansche man! Ik weet wat het zeggen wil, een zoon te verliezen. Heb ik niet, elf jaren geleden, in het vreemde land, aan de wateren van Babylon, waar mijn volk in ballingschap zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had het beste kind nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in ’t lieve vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers, – Jahveh zegene zijne nakomelingschap! – heeft ons éen jaar te laat vrij gemaakt, en ik beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in het land der vijanden Israëls gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat, vóor ons ten grave dalen? En, – Jahveh zij mij genadig! – zulk een voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen, wanneer hij juist een beroemd man staat te worden, dat moet wel de grootste aller smarten zijn!”

De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide, onder zijne tranen glimlachende: »Gij dwaalt, Phoeniciër; ik ween van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden zoon verloren, indien hij gestorven ware gelijk mijn Lysander.”

De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijden grijsaard met gelukwenschingen. Aristomachus scheen door de vreugde zijner ziel vele jaren jonger te zijn geworden, en riep Rhodopis toe: »Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier ten deelt valt!”

»En wat was het eerste?” vroeg de gastvrouw.

»Een gunstig orakel.”

»Gij vergeet het derde!” riep Phanes. »Op den dag van heden hebben u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die godspraak?”

“Mag ik haar aan de vrienden openbaren?” vroeg de Delphiër.

Aristomachus knikte toestemmend, en Phryxus las ten tweeden male het antwoord van de Pythia:

		Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
		In ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
		Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,
		Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt,
		En van de vijf moogt gij in ’t eind verwerven,
		Wat gij zoo lang met rouw in ’t hart, moest derven.

Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener, juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave, het vierde geschenk der goden, zult gij thans van mij in dit huis ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe verbazing zal wekken, tot het laatst bewaarde: de Perzen komen naar Egypte.”

Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt uw gemak!” riep hij eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyzes, den tegenwoordigen alleenheerscher van het machtige Perzië, en geen leger, gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. Te Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en ook de oude Cresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyzes met Amasis een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren, dat de Perzische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert.”

»Een verbond?” vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op dit oogenblik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De grootste natiën van Azië hebben zich onder hun schepter gebogen; alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog niet erkend als hun meester.”

»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van Azië,” antwoordde Kallias. “Gij vergeet verder, dat een rijk, zoo samengeflanst als het Perzische, hetwelk uit zeventig volkstammen bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet opnieuw in buitenlandsche oorlogen te worden gewikkeld. Want, bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zouden enkele afgelegene provinciën deze gewenschte gelegenheid tot afval kunnen aangrijpen. Vraag den Milesiërs of zij rustig zouden blijven, indien het hun ter oore kwam dat het leger hunner verdrukkers in een of anderen slag het onderspit had gedolven.”

Daarop viel Theopompus, de koopman van Milete, den spreker in de rede, en riep opgewonden: »Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, zoo krijgen zij wel honderd andere vijanden op den hals, en mijn volk zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger verzette!”

»Wat ook de last der gezanten zij,” vervolgde Kallias, »ik houd staande, dat de Perzen op zijn laatst binnen drie dagen hier zullen aankomen.”

»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige Aristomachus,” zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van den Nijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren[84 - Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.], van gezindheid veranderen, en u, den vader van twee der overwinnaars te Olympia, in het vaderland terugroepen. – Vul nog eens de bekers, Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den roemrijken Lysander. Maar dan raad ik u allen op te staan, want het is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op, wanneer de vreugde haar toppunt heeft bereikt. De aangename, door geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder betreden zoudt, zoo gij ook de uren der ontspanning gedenken moest, die zoo licht op de vreugde volgen.”

Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ibycus noemde haar een echte leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den ganschen kring had geheerscht. Ieder maakte zich nu tot vertrekken gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had, richtte zich, door zijne slaven[85 - De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de gastmalen begeleiden.], die men inmiddels binnengeroepen had, ondersteund, uit zijne gemakkelijke houding op, onderwijl zoo wat pruttelende over inbreuk maken op het gastrecht.

Toen Rhodopis hem tot afscheid de hand wilde reiken, riep hij, door den wijn beneveld: »Bij Hercules! Rhodopis, gij smijt ons het huis uit, als waren wij lastige schuldeischers. Ik ben niet gewoon van een gastmaal op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder, mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen!”

»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkebroer…” begon Rhodopis zich lachende te verontschuldigen. Philoinus evenwel, die in zijn roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde: »Onmatige drinkebroer, zegt ge? Goed! Ik geef u daarop ten antwoord: onbeschaamde slavin! Waarachtig, men kan het u altijd nog aanzien, wat ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus, vrijgelatene van Charaxus!..

Maar hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg den bewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte.




Derde hoofdstuk


Al de gasten hadden het huis verlaten.

Gelijk een hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de hoonende taal van den slemper in de vreugde der scheidende vrienden gevallen. Rhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar nog feestlijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden uit. Het helle licht van zoo even begon nu allengs plaats te maken voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne plaats geschovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk vóor het opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten weêrgalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart, als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs.

Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep, totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank[86 - De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen, soms ook gemetseld in den vorm van eene 7–8 voet lange en 2–2½ voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De matrassen en lakens werden daarop gelegd.], waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was, nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen; de andere hield eene kleine amulet van groenen steen[87 - De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.], die van haar hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.

Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Rhodopis het bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende, kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij geleden had, en al den kommer harer ziel afwasschen. Eindelijk stond zij op, drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en keerde dan naar haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was.

De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat wilt gij nog zoo laat, Melitta?” vroeg Rhodopis vriendelijk en zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht! Kom morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!”

Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat zij nog iets te zeggen had, maar niet durfde spreken.

»Hebt gij mij misschien iets te vragen?” zeide Rhodopis.

De oude vrouw weifelde nog.

»Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!”

»Ik zag u weenen,” begon de trouwe slavin ten laatste; »het schijnt mij toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij u waken; wilt gij mij niet zeggen, wat u deert? Reeds menigmaal hebt gij ondervonden, hoe het de borst verruimt en de smart draaglijker maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal u goed doen, o zeker, het zal uwe ziel rust geven.”

»Neen, ik kan niet spreken!” antwoordde hare meesteres. Daarop vervolgde zij, smartelijk lachende: »Wederom is het mij gebleken, dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens menschen uit te wisschen, en dat ongeluk en schande in den regel samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta.”

Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die ’s avonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor den tuin van Rhodopis aan. De zon scheen zoo helder, zoo warm en zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwen Egyptischen hemel; de lucht was zoo zuiver en fijn; de kevers gonsden zoo lustig; de schippers in de tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne eenvoudige, telkens herhaalde liederen; de boorden van den Nijl bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van bonte vanen en van bedrijvige menschen; de palmen, sykomoren, acacia’s en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen; het geheele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die het geven niet moede werd, – dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle ongeluk verbannen, hier is de woonsteê van ware vreugde en levensgenot.

Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschen bloeiende vruchtboomen half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat dáar de zetel is van den vrede, dat niemand daar onvervulde wenschen kent, maar ieder tevreden is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Want, gelijk overal, vinden we ook dáar angst en nood, begeerlijkheid en hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, helaas, zoo weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in het aloude Egypte, dat dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van de ernstigste menschen? Wie zou kunnen gelooven, dat in die sierlijke, door kransen en bloemfestoenen als omwevene gastvrije woning van de gelukkige Rhodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld? Wie der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk lachende matrone?

Bleek, maar schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een dicht belommerd priëel, naast den verfrisschenden waterstraal der fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij lang en veel geweend had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht haar te troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even het hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de rede, zeggende:

»Ik dank u, Phanes! binnen korteren of langeren tijd moet ook deze beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voortaan in strenge afzondering alleen voor mijne kleindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg ik u, sluimert eene geheele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten dat ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats, want het bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant, die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere weeze, in de wereld overblijven. – Ik blijf in Egypte.

»Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht en nieuwen moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gesteld. En deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. In dezen nacht, dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat er nog veel, zeer veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb opgelegd; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen.

»Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neêr te drukken, of ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering zijner waarschuwing: Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid, en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp!” Dezen Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust, aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik tracht onophoudelijk ze ook tot mijn eigendom te maken. De strijd valt soms onbegrijpelijk zwaar, daar het noodlot met zijne ruwe grepen maar al te dikwijls de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik kalm en rustig! – Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man, op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit te drukken. – En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo stil en zonder eenige stoornis ons voorbijvlieten. Hetzij gij goede, hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid, u te hooren.”

»Thans herken ik u weder,” sprak de Athener. »Waart gij den edelen vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen[88 - Hij was de eerste Grieksche denker, die zich “philosophos”, vriend der wijsheid noemde en is zeker in Amasis’ tijd in Egypte geweest.], eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan, dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten bevonden, ruimschoots tegen den smaad van een onbesuisden dronkaard opwoog. Gij hadt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten smaken, die ooit een mensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen u een vriend, om u echter in denzelfden stond een anderen, veel beteren te schenken. Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met mijn verzoek bekend te maken.

»Gij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weêr een Halicarnassiër[89 - Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen, hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.] noemt. De Jonische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich van oudsher nooit goed met de Carische kunnen verstaan. Daarom kwam mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van, ik zou wel haast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groote zwarigheden stooten zal.

»Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit te nemen van de nalatenschap harer ouders. Ofschoon men mij reeds in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch eigenlijk een Cariër, want, waar een mensch geboren wordt, daar is zijn vaderland.

»Te Athene werd ik, als jong Eupatride[90 - Edelman.] uit het aanzienlijke, aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt niet overtrof – er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns vaders – wist zich tot alleenheerscher te verheffen. Aan de vereende pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door de bewoners van Argos en Eretria ondersteund, wilde terugkeeren, stelden wij ons tegen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel van Athene op Pallene[91 - Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.]. Terwijl wij vóor het ontbijt aan de godin offerden, verraste ons de listige tyran, overviel onze ongewapende manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een druppel bloeds te storten. Daar aan mij het bevel over de helft der troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige speer wondde mijn schouder en ik viel.

»Pisistratus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene overwinning in de Pythische spelen[92 - Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van Apollo, den Python-dooder.] behaald en nog eenige andere dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met Aristomachus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al de troepen in Egypte verheven.

»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onverbiddelijken Hades[93 - Hades (Pluto), de god der onderwereld.]. Nu heb ik de kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn, en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar den Thracischen Chersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet, mijn oom door den stam der Dolonkers[94 - Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had geherbergd.] tot vorst is verheven. Daarheen moeten de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis blijven om ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen, dat gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in uw huis; zorg voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze zorgvuldig voor de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik[95 - Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.]. Gij weet, dat deze mij een doodelijken haat heeft gezworen, en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken. – Ik kom tot u met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat uw huis, krachtens den vrijbrief des konings, die het tot een asyl heeft gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten vrijwaart. Want deze personen moeten, in dit land van formaliteiten, kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen, om daarvan aangifte te doen bij de district-beambten.

»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe, wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde vaderhart de rust hergeven, wilt gij…?”

»Ik wil, ik wil, Phanes!” antwoordde Rhodopis met ongeveinsde blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht geschonken. O, reeds nu verheug ik mij bij de gedachte aan de lieve kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes hare eenzaamheid komen vervroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit, Phanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortreffelijk onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed is dagelijks zal worden voorgehouden.”

»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust,” hernam Phanes met een dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat de afleiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten, aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen.”

»En eindelijk,” liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, »kan dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon, mij door een dronkaard aangedaan. – Daar komt Sappho!”




Vierde hoofdstuk


Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rhodopis, heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten, en kooplieden in witte, met veelkleurige franjes omzoomde kleederen, welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zich onder eene groote menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders[96 - Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen van Maria met het Christus-kind.], hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daardoor ook het voorrecht missen om zelf iets van het verwachte schouwspel te zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of te bezeeren.

Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken[97 - Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte niet meer worden gekweekt.] in de hand, welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den Nijl, die gedurende den overstroomingstijd de muren van Saïs bespoelde, was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer beambten allesbehalve overbodig waren.

Aan de breede met sphinxen bezette oevertrappen, de aanlegplaats der koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren, breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nedervielen, hadden bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig geschorene, glinsterende kale schedels, die meestal goed gevormd waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder, en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten, op zijne borst[98 - Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich daarmede het hoofd.].

De bevelhebbers van het Egyptische leger droegen veelkleurige wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdeeling van de lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend, stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus, stond met eenige Grieksche onderbevelhebbers, van de Egyptenaren afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren opgericht. Vóor de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng om het lichaam sloot. Rondom hem stonden de voornaamste hovelingen, kamerheeren, raadslieden en vrienden des konings, die staven in de handen hielden, met pauwenvederen en gouden lotusbloemen versierd[99 - De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven in de hand. “Waaierdragers” was de gewone titel der hofbeambten.].

De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt, keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene, onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik[100 - In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.] en zijn valschen, regelmatig gekroesden baard, had bijzonder veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven.

Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite zeilen[101 - “Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte.” (Ezechiël 27 vs. 7).] van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!” riep men, terwijl het gedrang toenam. – »Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!” – »Minne, houd het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat moois!” – »Heila! je zult me nog in ’t water duwen, Sebek!” – »Zie dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen baard!” – »Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den heiligen stroom te wonen!” – »Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met hen!” riep een tempeldienaar. – »Weg met de zwijneneters[102 - De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische voorschriften ontleend.], die verachters der Goden!” klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe, witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende, oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met kostbare gordels waren vastgesnoerd[103 - Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn modellen van Egyptische vaartuigen.].

Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn, een schoon jongeling met blonde lokken, op de trap. Bij het zien van dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang gerekt »Ah!” niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje.

Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was Bartja[104 - Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya, Babylonisch Barzia.], zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was, kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid, ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen door een gordel van blauw en wit[105 - De kleuren van het Perzische koningshuis.] bijéengehouden. In dezen gordel hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder[106 - Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.].

Deze jongeling was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius, de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van koninklijken bloede en slechts weinig minder kostbaar gekleed dan deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de goedheid van het kind, de wijsheid van den ouderdom en de krachtige geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met mouwen, en gele Lydische laarzen[107 - Om deze laarzen noemde het orakel Cresus “weekvoetig.”]. Zijn geheele voorkomen was hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn tijd, met wiens naam thans nog het toppunt van aardschen rijkdom wordt uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onttroonden koning van Lydië kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes leefde, en den jongen Bartja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning, Zopyrus, de zoon van Megabyzus, een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius, en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan, de spraak teruggekregen had.

Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet, intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen glimlach te plooien. De waardigheidsbekleeders, die hem volgden, bogen zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De Persen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste Bartja, volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte verblijven te brengen.

Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren hadden gezien.

»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhonskinderen[108 - De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der Egyptenaars, Seth.] naloopen?” vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn humeur was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit Saïs.

»Ik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft het gezegd, dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land[109 - Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere kleur van den bodem.] brengen! Och, konden wij dien goeden ouden tijd nog eens beleven, toen geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden mogen verdelgen. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol vreemdelingen. En weet gij, wie die Persen zijn? De opperpriester heeft gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden, in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden en gieren opeten[110 - De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels, alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water worden overgegeven. Men legde dus dakhma’s of begraafplaatsen aan, die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de vrije lucht hing.].”

De kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en nog meer verontrust. Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis den Typhon vernietigt: daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!”

»Ja, wel is het erg!” zuchtte de tempeldienaar. »Men zou haast denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land uit jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos[111 - Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd. – De Ethiopiërs voerden later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka (Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.], die pestmenschen, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen en tot slaven maken.”

»De zevende bark!” riep de kleermaker.

»Mijne gebiedster Neith, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;” klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen heeft hij naar dat vervloekte giftnest Naucratis gezonden, om de bedienden en de pakkage der Perzische gezanten herwaarts over te brengen. Maar die drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen, hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven te bereiden[112 - Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, 40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.]. Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben zij bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na houden? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?”

De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Perzische gezantschap, kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich ten gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden, waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan, met den ouden Cresus in den tuin van het paleis wandelen, terwijl de overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een tochtje op den Nijl naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die, hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest als die van Rhodopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg, die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen.

De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazalt, uit wijdgeopende muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde koning ook al eenige jaren ouder dan de machtige vorst aan zijne zijde, zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende oogen, en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns geestes[113 - Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.]. De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden, dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der pharao’s had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend, zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van den geheelen Egyptischen hofstoet, bijkans overdreven levendig.

De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaximenes van Milete, Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus van Lesbos, de beroemdste Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch van Cresus te Sardes vereenigd. Zijne volle, heldere stem klonk als liefelijk gezang, bij het schrille geluid van Amasis.

»Maar zeg mij thans onbewimpeld,” sprak de pharao, in tamelijk vloeiend Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel, dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blijven. Waarlijk, Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend.”

»En gij de mijne,” haastte de Lydiër zich te zeggen. »Ik bewonder u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming, die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een lotgenoot, want ook gij hebt al het wèl en wee, dat het leven bieden kan, bij ervaring leeren kennen!”

»Met dit onderscheid echter,” hernam Amasis glimlachend, »dat wij op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede, daarna het kwade ten deel. Mij ging het juist omgekeerd, altijd namelijk onderstellende,” vervolgde hij zuchtende, »dat ik mij in mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel.”

»En ook,” vulde Cresus aan, »dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk lijde.”

»Hoe zou dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk rijk en zoo groote schatten?”

»Is dan het geluk alleen te vinden in het bezit van aardsche goederen of macht?” vroeg Cresus. »Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wiens anders zoo heldere blik niet zelden door den glans van zijne schatten verblind wordt, en wiens hart bloedt bij elke nederlaag. Zich bewust van zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne te noemen, maar niet verkrijgen kan.”

Amasis zuchtte weder en antwoordde: »Ik wenschte wel, dat ik u van dwaling kon overtuigen. Maar wanneer ik mij mijn verleden herinner, dan moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenoemde geluk aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich begonnen te doen gevoelen.”

»En ik verzeker u,” liet Cresus er dadelijk op volgen, »dat ik u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Persen de muren van Sardes beklommen, verwenschte ik mijzelven en de goden; haatte ik het leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over mijn schedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de armen, en wederom hoorde ik het eerste woord uit dien dierbaren mond, die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt, boog mij voor hun macht. Ik ontrukte den slaaf het staal, waarmede ik hem bevolen had mij te dooden, als ik in de hand der Persen viel. Ik was een ander man geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus’ vriend werd; dat mijn zoon, die het gebruik van zijn spraakvermogen behield, naast mij als vrij man mocht opgroeien. Al wat ik schoons in mijn langdurig leven had gezien, gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu aan voor mij in dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder draagt het als eene verborgene kiem in zijn hart om. De tevredenheid en het geduld, die den mensch in staat stellen zich niet alleen over het groote en schoone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden, het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan een beter verleden te verzachten; dat zich zelven gelijkblijven onder alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming der goden, en de overtuiging, dat ook het ergste ons voorbijgaat, wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is, – dit alles doet ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen, en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van de fortuin versaagt en vertwijfelt.”

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem[114 - Titel van Amasis. Alle andere pharao’s voerden dergelijke bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.], gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij, den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid, mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers, de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe: Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst; een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande.

»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij, die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den grooten god Ra[115 - Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis (Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn, om ’s avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis- en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland (oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd uit hare omzwerving terug te keeren.] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet, en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder, en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.

»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette, namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen, dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige, dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die ’t uit zou strooien.

»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling, nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone, weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden, leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij, die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn, voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen, regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!”

»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!” viel Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan, die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen; en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid, een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente.”

»Gij zoudt u zeer vergissen,” antwoordde Amasis, »indien gij alle Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken, maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde, geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen, schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de priesters overgebracht.”

»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan die der priesters.”

»Kon ik maar, durfde ik slechts!” riep Amasis. Doch opeens ging hij voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier, die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit den mond zijns konings…”

»Maar bij vader Zeus en Apollo!..”

»Ik begrijp uwe verbazing,” vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert, moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen[116 - Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen, ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.]. De genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen…”

»Wat bekommert ge u om het graf!” riep Cresus met eenigen wrevel. »Men leeft voor het leven, niet voor den dood!”

»Zeg liever,” hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen, in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel, het geluk van mijn tweede leven[117 - Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere gedaanten aan de menschen te vertoonen.] afhankelijk is, wanneer ik nog niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels en onze pyramiden?”

Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde: »De steenmassa’s der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen, die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen, zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen, dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht, alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken, leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf, den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven.”

»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft hij zijn roem, is men tevreden over hem?”

»Uitmuntend,” antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden heeft hij hersteld, maar ’s konings moeder mist helaas nog altijd het gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet te bewegen haar eenigen raad te geven.”

»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-, tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen, mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele inwendige samenstel van het lichaam[118 - De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.]. Deze verordening heeft ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den vorm van lotusbloemen[119 - De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden, zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van papyrus-schachten.] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen, tot een geschenk voor de godin[120 - Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van Syëne naar Saïs te brengen.], te toonen. De priesters hebben mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen, dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?”

»Verlaat u daarop,” verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u, dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken.”

»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!”




Vijfde hoofdstuk


De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.

De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen[121 - Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.]. Op het midden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.

Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, “mestem”[122 - De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.

De koningin Ladice[123 - Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”], eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen[124 - Vgl. Ebers’ Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.]. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta[125 - Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.], de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.

De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte[126 - Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.

»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,” sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja.”

Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar ‘de roos’ zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.”

De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers[127 - Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.] hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.

Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren[128 - Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.

Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn”[129 - Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”].

»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,” vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?”

»Sinds eeuwen,” antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen. – Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga! – Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd! – Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht. – Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!”

»Vader!” viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!” De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.

Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?”

Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt[130 - Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.], en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.”

Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.

»Ik heet Aristomachus.”

»Dien naam heb ik meer gehoord.”

»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik.”

»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?”

»Ik was het.”

»Zoo zijt gij het dus niet meer?”

»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.”

»Verliet gij het vrijwillig?”

»Ja!”

»Waarom?”

»Om de schande te ontvluchten.”

»Wat hadt gij misdreven?”

»Niets!”

»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?”

»Ja!”

»Wie was de bewerker van uw ongeluk?”

»Gij!”

Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.

De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.”

Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!”

»Geloof mij jongeling,” antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!”

»Maar gij, Bartja,” riep Darius, de neef van den koning van Perzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?”

Bartja bloosde, doch ’t was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.

»En gij, Zopyrus?” vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.

»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!”[131 - Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.

Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.

Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.




Zesde hoofdstuk


Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten[132 - Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.”

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch[133 - Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p – tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.] om gelden voor onderscheidene afdammingen[134 - De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.], die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!”

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt.”

»Vooral voor uw zoon,” antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.”

»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis.”

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent.”

»Bedoelt gij Phanes?”

»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?”

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.”

»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?”

»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!”

»Uw vriend; – maar mijn doodvijand!”

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.”

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte’s toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.”

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.”

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.”

»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad[135 - Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”], en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?”

»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?” vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is? – Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken.”

»Vader!”

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.”

»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote[136 - Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’ Warda.] met onze zegevierende wapenen de verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde. – En wat zijn wij thans? Door uw, door ’s konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!”

»Bedwing uwe tong!” riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken. – Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken[137 - De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.] ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!”

»En toch zeg ik u,” riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte’s ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!”

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent! – Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.”

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons[138 - Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth[139 - De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.]. Gij…”

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!”

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige. – Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.”

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,” riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader…”

»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,” viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.”

»Ga zoo niet voort,” hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.”

Psamtik’s oogen helderden op; ’t scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!”

De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was? – maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis’ kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen. – En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis’ afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.”

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!” zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.”

Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;” alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?




Zevende hoofdstuk


Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden, vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het allerheiligste[140 - De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, Kunstgeschichte. I, 394.] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den prins wachtte.

Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde meer[141 - Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande pylonen[142 - Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang verbonden waren.] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf[143 - De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het geloof der Egyptenaren de god Hor – Hoet (Horus) den booze en zijne medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger, dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.] versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun, en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren, waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid.

Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank, zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien, en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde, had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren, en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te houden en uit te rusten.

Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn.

Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen als vreemden indruk maken.

De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar der godheid?”

»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;” antwoordde Psamtik, met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!”

»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?”

»Eindelijk!”

»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid ontvangen zijt geworden.”

»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan! – Toen ik het verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen, ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste woorden.”

»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon genaderd?”

»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig.”

»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in ’t hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen[144 - Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste ons bekende hiëratisch handschrift.]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken, die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn, met geweld en norschheid zoekt door te zetten. – Een goed woord vindt eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek inkleedt. – Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: ‘Wee u, o koning, al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!’ De vertoornde Snefroe liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze verklaarde den droom op de volgende wijze: ‘Heil u, o groote koning, want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!’ De koning glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen weten in te kleeden. – Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt.”

»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet veranderen, ik kan niet…”

»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis bezworen hebt.”

»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken.”

»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed is verhard,” riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!”

»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven, – hoort gij wel, mijn vader! – het leven van Phanes in mijne handen.”

»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?”

»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd is.”

»Anders niets?”

»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te vernemen…”

»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim sinds lang.”

»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te vragen.”

»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu, dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening weet te brengen.”

»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?”

»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken.”

»Maar wie heeft u dit geheim verraden?”

»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des hemels te lezen.”

»En bedriegen deze sterren nooit?”

»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit.”

Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven reddeloos verloren; – wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker, maar kan ten goede verkeeren, het kan…”

»O, spreek, mijn vader, spreek!”

»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren, en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden.”

»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen.”

»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!” riep de priester op plechtigen toon. – »Laat mij thans echter alleen, mijn zoon,” vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou hem gaarne spreken voor hij sterft. – Toch nog iets! Gisteren is er eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man, die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch[145 - Ethiopië.] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet, is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!”

Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen, en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?”

»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis[146 - De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.] u lang uw gehoor laten!”

»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier.”

»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans, houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis, wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!”

Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.

Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun, volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel[147 - Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar ook de pharao’s zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden bewaard.]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten, door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel der Egyptische jonge dochters[148 - In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.].

»Waarlijk,” riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen, »dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet, is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken.”

»O, doe dat, doe dat!” riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij echter, Bartja,” vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken, zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen.”

De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer vergeten!” Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele vrouwen nemen.”

Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten, met honderd andere te moeten deelen.”

»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!” riep Amasis. »Spreekt zij niet, als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?”

»O, neen, mijn beste,” hervatte Ladice, »daarin staat gij, Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden, dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een Egyptenaar[149 - De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken, verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid, om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn, mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis, en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn, onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden.

»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding, want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven, want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden, dat ons alleen behagen kan wat goed is. – Hier aan den Nijl zouden Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de legende van Pandora[150 - Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena’s en panthers vergeleken.] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen.”

»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!” riep Bartja. »Het heeft mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren; thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken.”

»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad te spreken?” vroeg Darius.

»Een paar Grieksche dichters,” antwoordde Amasis, »de stoutste menschen die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:

		Tweemaal in ’t leven kan ons een’ vrouw behagen,
		Wanneer zij trouwt en – als zij grafwaarts wordt gedragen.”

»Houd op, houd op, ondeugd!” riep Ladice, de ooren dicht houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot dan hij…”

»En geene slechtere vrouw dan gij,” hernam Amasis lachend; »want gij laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam gemaal ben. – Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren, wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt:

		Één is der bij verwant. Gelukkig hij,
		Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven:
		Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven,
		En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij.
		Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten,
		Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans
		Zij prijkt aan ’t hoofd van haar geslachtsgenooten
		In reinen, meer dan sterfelijken glans.
		Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen,
		Die ijdle scherts en dartle taal beminnen,
		Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man,
		Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.

»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!”

»Nog niet!” riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen, om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het zwaard!”

»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer[151 - Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in het 3de Boek.],” antwoordde de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda[152 - Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der duisternis en van het booze.] zijn hart ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten, en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd, voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in de vlakte kon nederzien, ten geschenke[153 - Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor zijne Perzische gemalin Amytis.].”

»En werd de Perzische gezond?” vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.

»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen.”

Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar op te beuren?”

»De liefde van haar gemaal!” riepen de meisjes.

»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?” vroeg Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt.”

»Maar komt thans!” riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht onze hooge gasten met honderd man te volgen!”

»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber is meer dan voldoende.”

»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat gij den spot niet drijft met de heilige dieren. – Vaartwel, mijne jonge helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!”

De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen[154 - Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een “dragoman” rondgeleid.] even gemakkelijk sprak.

De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten, zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt, doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon[155 - Zulke torentjes vindt men daar heden nog.].

De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op, dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao’s, hierheen was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel, slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.

»Laat ons hier omkeeren,” riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden, bij iedere schrede grooter en lastiger werd.

»Gij hebt slechts te bevelen,” gaf de tolk ten antwoord. »Anders, daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door vreemdelingen bezocht te worden.”

»Ga gij ons dan maar voor,” riep Bartja. »Wij zijn toch immers Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland te zien.”

Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen der handwerkslieden[156 - De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.] omgeven plein waren gekomen, hoorde men op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe, den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle wonderkrachten is toegerust!”[157 - Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te Parijs voor als verdrijver der booze geesten.]

»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds,” zeide de tolk, »dan zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien.”

Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende, en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad, tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast hem op den grond. Deze Libyër[158 - Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.], een reusachtige kerel, met zeer buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen.

Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals, zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich.

De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten, in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen, door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te voorschijn te goochelen.

De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers; op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien, geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben.

Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien, want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze, is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen, als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste vergrijp te herhalen.

Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters – de meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin – met luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard, gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit het huis te verwijderen.

»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?” riep hij met woedende gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij, toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd, – dat de Goden mogen verdelgen! – bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke zijne geschriften liggen!”

»Stel u gerust, oude Hib!” riep de tempeldienaar, dien wij bij de aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het bevel ze te halen.”

»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten arts Nebenchari, weggevoerd worde!” schreeuwde de oude man. »Ik zal mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan.”

»Voorzichtig, mannen!” riep de tempeldienaar tot zijne onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen, als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden de kist doen!” – Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht, zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.

De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in zaken, die hem volstrekt niet aangingen.

De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man, die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de lippen te leggen.

»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?” fluisterde hij den zoon van Cresus in het oor.

»Wat wilt ge van mij?”

»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra[159 - Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder heilig.], ik heb u belangrijke dingen mede te deelen!”

»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit uwe kleeding zou opmaken?”

»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?”

»Morgenochtend vroeg.”

»Dan is het te laat!”

»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is, aan deze poort van het Paleis.”

»Ik zal u wachten.”

Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van het paleis tegenover den vreemdeling.

»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!” fluisterde hij den jongen Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?”

»Mijn vriend, een Achaemenide[160 - Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende koningen en de met hen verwante edelen.], Darius, de zoon van Hystaspes!”

De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat gij een Egyptenaar hadt medegebracht.”

»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie zijt gij, en wat verlangt gij?”

»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was, niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden, die van edelgesteenten fonkelden…”

»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!” viel Gyges den spreker in de rede.

»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst, leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een dienst te bewijzen.”

»Betreft het mijn vader? – Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!”

»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?”

»Dat ik weet, niet.”

»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis.”

»Hoe weet gij dat?”

»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging, volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen.”

»En hebt gij uw doel bereikt?”

»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren, daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw, die zij Rhodopis noemen.”

»Hij zeide de waarheid.”

»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te redden. Toen de markt vol was[161 - De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.] zijn er tien wagens en twee barken met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman, heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen.”

»Die verraders!” riep Gyges.

»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?” vroeg Darius. »Zij weten toch dat de wraak van Cambyzes…”

»Ik weet niets anders,” herhaalde Bubares, »dan dat het huis van Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij twintig gouden ringen ontvangen[162 - Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.]!”

»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?”

»Onmogelijk!” riep Darius.

»Men kan niet weten,” mompelde Bubares. »In dit land is alles mogelijk!”

»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis afleggen?”

»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl den weg niet te hoog onder water heeft gezet.”

»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!”

»Ik vergezel u,” riep Darius.

»Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles voorbereid zijn.”

»Maar, Gyges…”

»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. Gij zegt, dat ik wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan het drinkgelag kan nemen, hoort gij? Ik zal het Nisaeische ros van Bartja bestijgen. Gij, Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker wel leenen, broeder?”

»Had ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken.”

»Kent gij den weg naar Naucratis, Bubares?”

»Als mijne oogen!”

»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja’s paard gereedhoude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius, wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!”




Achtste hoofdstuk


Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis: Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen.

»Ja, dit Egypte,” zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij, ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen, niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen.”

»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne, door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?” vroeg Cresus.

»Juist,” antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken; we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid; we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst vrij bewegen.”

»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit te voeren?”

»Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21¼ deelen[163 - Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt; onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.], en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan deze getallen houden zij vast en offeren daaraan de hoogere eischen der kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheid van den voornaamsten Egyptischen beeldhouwer, een priester van Thebe, deze weddenschap aangeboden, dat ik mijn broeder Telecles te Ephesus de grootte, de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zou opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene hand en uit éen stuk zou schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles het benedendeel er van te Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder de oogen van Amasis zou bewerken.”

»En zoudt gij de weddenschap winnen?”

»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient.”

»Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend jaren oud moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der groote pyramiden liet bouwen. Het wekte in alle opzichten mijne bewondering. Met hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weêrgegeven; hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in de gelaatstrekken.”[164 - Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg te roemen.]

»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft, daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden, wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere macht en kracht uitdrukt, en door hun portret.”

»Doch onder deze portretten,” zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen.”

»Amasis,” sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen, dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven, wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is. – Hoe zou ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper; een dichter gelijk aan een krijgsman? – Plaats Ibycus naast onzen vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat en bevallige gebaren wilde voorstellen?”

»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen stilstand?”

»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen.”

»En toch,” zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen, – ik bezig zijne eigene woorden – eene belangrijke som toegestaan.”

»Dat ’s ferm gehandeld,” riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel behoeven, bijeenhebben?[165 - Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke som. – Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.] Ware ik nog maar de rijke man, die ik eens geweest ben, dan zou ik gaarne al de kosten voor mijne rekening nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken, leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik den oorlog tegen Cyrus zou durven ondernemen, gaf hij mij ten antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de rivier Halys overtrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap der Spartanen, en bracht werkelijk een groot rijk ten val, toen ik de grensrivier had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Perzische, maar mijn eigen arm Lydië, dat thans als eene satrapie van Cambyzes zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen.”

»Ten onrechte beklaagt gij u over den god,” antwoordde Phryxus, »want het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet: ‘het rijk der Persen’, maar een rijk zal door uw strijdlust ten onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend; maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij, reeds aan uw grooten voorvader[166 - Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van den troon had meester gemaakt.] voorzegd had, dat de vijfde na hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!”

»Uwe woorden,” liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had, en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden, kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus, den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven; misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat, die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm, Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch nog bij machte een talent[167 - Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine 45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer dan een stuiver.] voor het tot stand brengen van uw tempel bij te dragen.”

Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen[168 - De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.] willen trachten te verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven, mijn geslacht te overvleugelen en zich van het roer van den staat meester te maken.”

»Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt, na Agariste[169 - De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.], die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk medebracht, wel het meeste bijgedragen,” zeide Ibycus.

»Zeer waar, zeer waar!” hernam Cresus lachend.

»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen,” verzocht Rhodopis.

»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit, terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten, of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag.”

»En gij liet hem die schatten behouden?” vroeg Rhodopis.

»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald.”

»Gij waart de mildste van alle vorsten!” riep Phanes.

»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij, Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?”

»Hij gaf duizend centenaars aluin!”

»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?”

»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide, mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel te teekenen als Amasis.”

»Die ellendige!”

»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit dit land afkomstig is.”

»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?”

»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere gemeente voor twintig minen.”

»Dat is veel.”

»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag ik hem voorlezen, Rhodopis?”

»Ongetwijfeld,” antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen, dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn roes onlangs heeft aangedaan.”

De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet, onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want hadde ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben, en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad te doen. Mijne verwenschte matigheid is er dus alleen de schuld van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, tot gedachtenis aan dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok der Thracische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalf groote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Rhodopis, laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ikzelf voor de ronde som van duizend drachmen. Bij de eerstvolgende Pythische spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen. – Gelieve dien lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts[170 - De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.], die de kunst moet verstaan om kwade tanden zonder veel pijn uit te trekken, van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft mij met zijn vuistslag van het kranke deel mijns gebits verlost, en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet zonder siddering kan denken. Toen ik tot mij zelven kwam, vond ik drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde, welke laatsten alle kenteekenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt.

»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit, heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize, te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen.

»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers, wanneer ik een ander slechts zie schrijven.”

Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische wijze opgevoed…”

»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!” Met deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der gasten plotseling af. – »Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet, om hier nog ter rechter tijd aan te komen!”

»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!” riep Rhodopis. »Wees hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt Lydischen rit.”

»Bij den hond[171 - Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden niet op de lippen te nemen.], Gyges,” zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende, »ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet van de zijde van Bartja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd, en toch… Maar hoe ontsteld ziet gij er uit? Is er iets gebeurd? Is er een ongeluk voorgevallen? Zoo spreek dan toch, spreek!”

Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man, voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja’s zijde lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt, als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet dan mannen, – want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen verspillen, – verraad en overrompeling bedreigen u!”

Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.

»Wat is er? – Wat wil men met ons?” klonk het van alle zijden.

»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden,” hervatte Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen. – De man, die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis, schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan.”

»Gewichtig nieuws!” met deze woorden viel Knakias, die de zaal kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den Nijl ging, om water voor het mengvat te halen[172 - Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou hebben willen leven.], vloog mij een mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. ‘Aan Phanes,’ antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder, schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch soldaat een zijner kameraden toeriep: ‘Houd die boot goed in het oog; wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend, te Saïs brengen.’ – Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds zeven jaren dient, Phanes!”

Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat van den slaaf aangehoord.

Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte verslaan!” Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen.

Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche triëre van Naucratis naar Sigeum[173 - Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.] te zeilen, en hebben dus geen tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin, Rhodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van hier wegsleepen. Het Phoceïsche schip, dat mij naar de mijnen moest overbrengen, zal wel evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos bloed gestort worden.”

»Gij moogt u niet overgeven!” schreeuwde Aristomachus.

»Ha! Ik heb er wat op gevonden!” riep plotseling Theopompus, de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld een weg door den tuin!”

»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,” hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend.”

»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze ook tweehonderd sterk,” riep Aristomachus, »ik zal vechten!”

Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien gij niet kent. – Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!”

In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na, die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten, die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant.

»Waar is Knakias?” vroeg Rhodopis aan een harer slaven.

»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan.” Op hetzelfde oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen.

»Hebt gij mijn zoon gezien?” riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.

»Waar is Phanes?”

»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen.”

»Zijn zij dan ontkomen? – Hoe zijn zij er door gekomen? – Waarheen zijn zij gegaan? – ”

»Dáar, in het vertrek hiernaast,” verhaalde de slaaf, »spraken de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener, versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.

»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: ‘Vaarwel, Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!’” De dienaar, die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij een Pers was.

»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij: ‘Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den naam van den Athener.’ – ‘Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,’ bracht ik hier tegen in. ‘Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun, dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.’ Ik bad hem nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij aanstonds zou hebben verraden.

»Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen; de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen en in de gymnasiën leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den grauwen ramenas geene hyacinth voortkomen[174 - Naar eenige verzen van Theognis van Megara.]. De slavernij kromt den rug, gelijk het bewustzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog doet heffen!”

»Wat is er van mijn zoon geworden?” riep Cresus, den slaaf in de rede vallende.

»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep hem nog toe: ‘het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!’ Eene wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes, waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden, en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute zwemmer Sebek bereikte den oever.

»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren.”

Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf aangehoord.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij den Milesiër Theopompus te overnachten.

»Groet Gyges van mij!” riep Aristomachus, toen de grijsaard zich verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan, in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan.”

»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!” antwoordde Cresus, den Spartaan de hand reikende.




Negende hoofdstuk


Het licht van een nieuwen dag was over Egypte opgegaan. De overvloedige dauw van den nacht, die aan de oevers van den Nijl den regen vervangt, lag als smaragden en edelgesteenten op de bladeren en in de bloemkelken. De zon was nog maar weinige oogenblikken te voren in het oosten verrezen, en de door den frisschen noordwestenwind bekoelde morgenlucht lokte een ieder uit, om zich te vermeien in de vrije natuur, voordat de drukkende warmte van den middag dit bijkans onmogelijk zou maken.

Uit het ons welbekende landhuis traden twee vrouwen te voorschijn, de oude slavin Melitta en Sappho, de kleindochter van Rhodopis. Als eene gazelle huppelde het aanvallige meisje door den tuin. Zij was ook nu, evenals toen wij haar in den slaap bewonderden, bekoorlijk in hare maagdelijke schoonheid. Bovendien speelde er thans een schalksche trek om haren rooskleurigen mond, en om de kuiltjes in kin en wangen. Het volle bruine haar vertoonde zich als ter sluiks van onder den purperrooden hoofddoek, en het lichte witte morgengewaad met wijde mouwen fladderde los en vrij om hare buigzame leden.

Nu bukte zij, brak een nog gesloten rozeknopje af, sprengde den dauw er van hare oude bewaakster in het aangezicht, lachte hartelijk over hare schalkschheid op een toon, zuiverder dan de zuiverste klank eener klok, stak daarna de roos op den boezem, en begon toen met eene verwonderlijk heldere en liefelijke stem te zingen:

		Amor wilde een roosje plukken
		In Cythere’s bloemenhof,
		Toen op eens een honigbietje,
		In heur blaadjes neêrgedoken, hem den donzen vinger trof.

		’t Knaapje, door de smart gefolterd,
		Barstte los in luid geween;
		En terwijl een vloed van traantjes
		Langs zijn bleeke koontjes dauwde, vloog hij naar Cythere heen:

		“Moeder!” riep hij, “’k ben verloren!
		Red mij op mijn jammerklacht;
		Ach, een kleine slang met vleugels,
		Door den landman bie geheeten, heeft me een wonde toegebracht!”[175 - Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het laatste couplet luidt:Cytherea kuste ’t wichtje.“Voelt ge,” sprak zij, “zulk een smart,Enkel door eens bietjes angel,Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in ’t hart!”]

»Is mijn lied niet schoon?” lachte het meisje. »Och, wat was die kleine Eros toch dom, eene bij voor eene gevleugelde slang te houden! Grootmoeder zegt, dat zij nog een paar verzen kent van dit lied, dat door den grooten dichter Anakreon gemaakt is, maar die wil zij mij nu nog niet leeren. Zeg eens, Melitta, wat zou er wel in die strophen staan? Gij glimlacht? Lieve, eenige Melitta, zing mij het laatste coupletje eens voor! Of, kent gij het misschien niet? Neen? Dan kunt gij het mij ook niet leeren.”

»Dat is een heel nieuw lied,” antwoordde de oude vrouw, »en ik ken alleen de zangen van den goeden ouden tijd. Maar, wat is dat? Hoordet gij daar den klopper niet op de poort vallen?”

»Zeker, en ik verbeeldde mij ook dat ik den hoefslag van een paard op den weg vernam. Daar klopt men weder. Zie toch eens, wie zoo vroeg in den morgen binnen gelaten wenscht te worden. Wellicht is de goede Phanes gisteren toch niet vertrokken, en komt hij ons nog eens vaarwel zeggen.”

»Phanes is weg,” antwoordde de oude, ernstiger wordende. »Rhodopis heeft mij bevolen u in huis te zenden, indien er bezoek mocht komen… Ga dus, meisje, opdat ik de poort opensluite. Kom, verwijder u spoedig, daar klopt men reeds voor de derde maal.”

Sappho deed als liep zij hard naar huis. Maar in plaats van aan het verlangen harer bewaakster te voldoen, verborg zij zich achter een rozestruik, om vandaar den ontijdigen bezoeker te kunnen gade slaan. – Men had haar de gebeurtenissen van den vorigen avond verzwegen, ten einde haar niet noodeloos te verontrusten, en Sappho was gewoon op dit vroege morgenuur slechts de meest vertrouwde vrienden harer grootmoeder te zien verschijnen.

Melitta opende de poort, en geleidde kort daarop een rijkuitgedost jongeling met blonde haren door den tuin.

Sappho verroerde zich niet; zij was in stomme verbazing over deze haar geheel vreemde kleederdracht en de zeldzame schoonheid van den Perzischen koningszoon. Want deze was ’t die in den vroegen ochtend Rhodopis kwam bezoeken. Zij kon hare oogen niet van zijn gelaat afwenden. Juist zóo had zij zich den blondlokkigen Apollo, den voerman van den zonnewagen en den aanvoerder van de Muzen, voorgesteld.

Melitta en de vreemdeling naderden intusschen haar schuilhoekje. In plaats van zich nog beter te verbergen, drong zij haar kopje tusschen de rozen naar voren, om den jongeling, die minzaam maar in gebroken Grieksch tot de oude slavin sprak, te beter te kunnen verstaan. En nu hoorde zij, hoe hij met zekere drift onderzoek deed naar Cresus en zijn zoon. Vervolgens vernam zij uit den mond der slavin, in antwoord op de haar gedane vragen, alles wat er den vorigen avond had plaats gegrepen. Zij werd vol angst over Phanes. Zij dankte in haar hart den edelen Gyges, en vroeg zichzelve af, wie deze koninklijk uitgedoste jongeling zou kunnen zijn. Wel had Rhodopis haar van de heldendaden van Cyrus, van den val van Cresus, van de macht en den rijkdom der Perzen verhaald; maar dit was ook alles wat zij van de Aziaten wist, die zij overigens voor een woest, onbeschaafd volk hield. Hoe langer zij nu den schoonen Bartja aanschouwde, des te sterker werd hare belangstelling in de Perzen.

Als eindelijk Melitta zich verwijderde, om hare grootmoeder te wekken en kennis te geven van het vroegtijdig bezoek, wilde het meisje haar volgen. Maar Eros, de dartele knaap, over wiens kinderlijke onwetendheid zij nog een oogenblik te voren gelachen had, had het anders besloten. Haar kleedje werd door de doornen van den rozestruik vastgehouden, en voordat zij nog in staat was zich te bevrijden, stond reeds de schoone Pers voor haar, en hielp haar, terwijl zij sterk bloosde, om het kleedje van den verraderlijken struik los te maken.

Sappho was niet in staat een enkel woord van dank uit te brengen, en sloeg beschaamd en toch glimlachende de oogen neder. Bartja, de anders zoo moedige knaap, zag zwijgend, en evenals zij met hoogroode kleur, op haar neder. Maar dit zwijgen duurde slechts kort, want het meisje, dat zich spoedig van haar schrik hersteld had, barstte op eenmaal met kinderlijke vroolijkheid in een helderen schaterlach uit over den zwijgenden vreemdeling en het vreemdsoortige dezer ontmoeting. Toen snelde zij als eene opgejaagde hinde naar huis.

Nu echter herkreeg ook de Pers de hem eigene vrijmoedigheid. In twee sprongen had hij het meisje ingehaald. Snel als de gedachte vatte hij hare hand, en hield ze in spijt van haar weêrstreven in de zijne geklemd.

»Laat mij los!” bad Sappho, half ernstig, half glimlachende, hare donkere oogen tot den jongeling opheffende.

»Hoe zou ik dat kunnen?” antwoordde deze. »Ik heb u van den rozestruik geplukt, en houd u gevangen, tot ge mij in uwe plaats uwe zuster dáar aan uw boezem als eene gedachtenis medegeeft naar mijn ver verwijderd vaderland.”

»Ach, ik bid u, laat mij,” herhaalde Sappho. »Zoolang ge mij niet loslaat, treed ik in geene onderhandeling.”

»Maar, zult gij niet weder wegloopen, als ik aan uw verlangen voldoe?”

»Zeker niet!”

»Welnu, zoo schenk ik u de vrijheid terug, maar nu moet ge mij ook uwe roos geven.”

»Ginds aan den struik zijn nog veel schoonere. Pluk er van, zooveel u lust. Waarom wilt gij juist deze?”

»Om ze, als eene gedachtenis aan het schoonste meisje dat ik ooit gezien heb, zorgvuldig te bewaren.”

»Nu geef ik u de roos in het geheel niet, want hij die mij zegt dat ik schoon ben, die meent het niet goed met mij. Maar wie mij zegt dat ik goed ben, hij is mijn vriend.”

»Wie heeft u dat geleerd?”

»Mijne grootmoeder Rhodopis.”

»Welnu, dan zeg ik u, dat gij het beste meisje op de geheele wereld zijt.”

»Hoe kunt gij nu zoo iets zeggen, gij, die mij volstrekt niet kent? O, ik ben dikwijls zeer ondeugend en ongehoorzaam. Ware ik goed, zoo zou ik thans, in plaats van met u te staan praten, reeds lang in huis zijn gegaan, gelijk mij betaamde. Want grootmoeder heeft mij streng verboden in den tuin te blijven als er vreemdelingen zijn, en ik verlang ook volstrekt niet naar het bijzijn van de mannen, die steeds over dingen spreken waarvan ik niets versta.”

»Zoo zoudt gij dan ook maar liefst zien, dat ik mij verwijderde?”

»Ach neen, u begrijp ik zeer goed, al spreekt gij ook op verre na zoo schoon niet, als bij voorbeeld Ibycus of de arme Phanes, die gisteren, gelijk ik eerst straks van Melitta vernam, zoo jammerlijk vluchten moest.”

»Hadt gij hem lief?”

»Of ik hem liefhad? O ja, ik mocht hem zeer gaarne lijden. Toen ik nog klein was, bracht hij altijd ballen, ledepoppen[176 - In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende die deeg kneedt.] en kegelspellen uit Saïs en Memphis voor mij mede; en toen ik grooter was geworden, leerde hij mij schoone nieuwe liederen. Bij het afscheid bracht hij mij een zeer klein Siciliaansch schoothondje mede, dat ik Argos zal noemen[177 - Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.], daar het zoo wit en zoo vlug is. Binnen weinige dagen zullen wij nog een ander geschenk van den goeden Phanes ontvangen. Dan… ziet gij, zoo ben ik. Bijna had ik daar nu een groot geheim verklapt. Grootmoeder heeft mij streng verboden, aan iemand ter wereld te vertellen, welke lieve kleine gasten wij wachtende zijn. Maar het is mij, al kenden wij elkaar reeds sinds lang. Uwe oogen zijn zoo goed, dat ik u gerust alles zou durven zeggen wat ik weet. Doch, ziet ge, buiten grootmoeder en de oude Melitta heb ik ook niemand wien ik kan toevertrouwen, wat mij verblijdt; en ik weet zelve niet hoe het komt, maar menigmaal begrijpen die twee, hoe lief zij mij ook hebben, in het geheel niet, hoe deze of gene kleinigheid mij zoo groote vreugde kan geven.”

»Dat komt daar vandaan, dat zij oud zijn, en de blijdschap van een jeugdig hart niet meer verstaan kunnen. Maar hebt gij dan in het geheel geene speelgenoot, niemand van uw eigen leeftijd, die gij liefhebt?”

»Niemand. Wel zijn er, buiten mij, vele meisjes in Naucratis, doch grootmoeder zegt, dat ik haren omgang niet mag zoeken. Omdat zij niet tot ons willen komen, werd het mij ook niet vergund tot hen te gaan.”

»Arm kind! Waart gij in Perzië, zoo zou ik u spoedig eene lieve vriendin bezorgen. Ik heb eene zuster, zij heet Atossa, die zoo jong, zoo schoon en zoo goed is, als gij.”

»Ach, hoe jammer, dat zij niet met u gekomen is. Maar nu moet gij mij ook zeggen, hoe ik u moet noemen.”

»Ik heet Bartja.”

»Bartja? Een vreemd woord Bartja! – Bartja! Weet gij wel, dat die naam mij best bevalt? Hoe heet toch de goede zoon van Cresus, die onzen Phanes zoo edelmoedig redde?”

»Gyges is zijn naam. Darius, Zopyrus en hij zijn mijne beste vrienden. Wij hebben wederzijds gezworen, elkaar nimmer te zullen verlaten, en voor elkander des noods bloed en leven ten offer te brengen[178 - Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. “Twee Perzen,” verhaalt Brugsch, “die voor hun leven een verbond van vriendschap met elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij hun voornemen, waarna zij zich als ‘brader hâ of broeders’ plechtig laten inzegenen.”]. Zoo ben ik dus heden in de vroegte, in spijt van hun bidden en smeeken, heimelijk hierheen gereden om mijn vriend bij te staan, ingeval hij hulp mocht behoeven.”

»En uwe reis was vergeefs.”

»Neen, bij Mithra! dat was zij niet, want op mijn rit heb ik u gevonden. Maar nu moet gij mij ook zeggen hoe gij heet?”

»Men noemt mij Sappho.”

»Een schoone naam. Zijt gij misschien nog eene bloedverwante van de dichteres, wier schoone liederen Gyges mij zoo dikwerf heeft voorgezongen?”

»Voorzeker! De tiende Muze of de Lesbische zwaan, gelijk de oudere Sappho genoemd wordt, was de zuster van mijn grootvader Charaxus. Uw vriend Gyges schijnt in het Grieksch beter te huis te zijn, dan gij?”

»Van zijn geboorte af heeft hij niet alleen de Lydische maar ook de Grieksche taal leeren spreken, en van beide bedient hij zich met evenveel gemak. Ook het Perzisch is hij volkomen machtig; en, wat meer zegt, hij heeft zich ook alle deugden der Perzen eigen gemaakt!”

»Wat houdt gij dan wel voor de hoogste deugden?”

»Waarheidsliefde is de eerste van alle deugden; de tweede noemen wij dapperheid, de derde gehoorzaamheid. Deze drie, gepaard aan eerbied voor de goden, hebben de Perzen groot gemaakt.”

»Maar gij erkent immers geene goden?”

»Dwaasheid, lief kind! Wie zou zonder goden, zonder een hoogeren bestuurder kunnen bestaan? Het is waar, wij laten die hemelsche wezens niet, gelijk gij, in huizen en beelden wonen, want al het geschapene is hunne woning. De godheid, die overal moet zijn en een ieder hooren en zien, laat zich niet binnen muren opsluiten!”[179 - De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71 vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus, waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd, waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.]

»Maar waar aanbidt en offert gij dan, zoo gij geene tempels hebt?”

»Op het grootste van alle altaren, in de vrije natuur, het liefst op de toppen der bergen[180 - Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.]. Dáar zijn wij onzen Mithra, de groote zon, en Aoeramazda, het reine scheppende licht, het meest nabij. Dáar valt het duister het laatst en breekt het licht het eerste door. Alleen het licht is rein en goed, de duisternis is zwart en boos. Ja, lief kind, op de bergen is ons de godheid het meest nabij, daar toeft zij het liefst. Hebt gij nooit op de met wouden gekroonde toppen van een hooggebergte gestaan en, onder het plechtig zwijgen der natuur, het zachte suizen van den adem der godheid vernomen, zoodat u eene siddering door de leden voer? Hebt gij nooit in het groene bosch, aan eene heldere bron, onder den blooten hemel neergezeten, en geluisterd naar de stem van den God, die in het ritselen der bladeren, en in het ruischen van de wateren spreekt? Hebt gij nooit opgemerkt, hoe de vlam met onweerstaanbare macht opwaarts stijgt tot haren vader, de zon, en het gebed in den ten hemel klimmenden rook tot den grooten stralenden schepper draagt? – Gij hoort mij verwonderd aan; maar, meisje, ik verzeker u, gij zoudt met mij nederknielen en aanbidden, zoo ik u naar een altaar op den top van het hooggebergte kon voeren.”

»O, dat ik met u konde gaan! O, dat ik eens van een berg neder mocht zien, op alle dalen en stroomen en wouden en weiden! Ik geloof, dat het mij daar boven, waar niets voor mijn blik verborgen zou wezen, zijn zou, als ware ik zelve eene alziende godheid. – Maar, wat was dat? – Grootmoeder roept. Ik moet gaan.”

»O, verlaat mij nog niet!”

»De gehoorzaamheid is ook eene Perzische deugd.”

»En mijne roos?”

»Hier hebt gij ze.”

»Zult gij u mijner herinneren?”

»Hoe zou ik niet?”

»Lief meisje, vergeef mij, maar sta mij nog eene tweede gunst toe.”

»Spoedig, spoedig, grootmoeder roept al weder.”

»Neem deze ster van diamanten tot eene gedachtenis aan dit uur.”

»Ik mag niet!”

»O, ik bid u, neem ze aan. Mijn vader gaf ze mij tot belooning toen ik den eersten beer met eigen hand geveld had[181 - De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.]. Zij was tot dusver het liefste, wat ik had, thans moet gij haar van mij aannemen, want van nu aan is mij niets zoo dierbaar als gij!”

De jongeling nam de keten met de ster van zijne borst, en wilde het meisje dit kleinood om den hals hangen. Sappho bleef echter dit kostbare geschenk weigeren. Toen sloeg Bartja zijn arm om haar heen, kuste haar op ’t voorhoofd, noemde haar zijn eenige geliefde, wierp haar met zacht geweld het sieraad om den hals, en staarde een oogenblik diep in de donkere oogen van het bevende kind.

Rhodopis riep ten derden male. Sappho wond zich los uit den arm van den koningszoon, en wilde zich snel verwijderen. Maar nog eenmaal wendde zij, op de smeekende stem van den jongeling, het hoofd om, en antwoordde op zijne vraag: »Wanneer mag ik u wederzien?” met zachte stem: »Morgen ochtend vroeg, bij gindsche rozestruik.”

»Die als mijn bondgenoot u vasthield.”

Sappho spoedde zich nu naar binnen. Rhodopis ontving Bartja, en deelde hem omtrent de geschiedenis van zijn vriend mede, wat zij zelve wist.

Zonder verder dralen keerden nu de jonge Pers naar Saïs terug.

Toen Rhodopis aan den avond van dien dag, als gewoonlijk, voor de sponde harer kleindochter trad, sliep deze niet zoo kalm en rustig, als zij placht. Hare lippen bewogen zich en, als werd zij door booze droomen gekweld, de schoone slaapster zuchtte soms diep en smartelijk.

Bartja ontmoette op den terugweg zijne vrienden Darius en Zopyrus, die hem, zoodra zij kennis droegen van zijn heimelijken aftocht, terstond gevolgd waren. Zij konden bezwaarlijk vermoeden dat Bartja, in plaats van strijd en gevaar, zijn eerste liefdesgeluk gevonden had.

Kort vóor de drie vrienden kwam Cresus te Saïs aan. Op staanden voet begaf hij zich tot den koning, en verhaalde dezen zonder omwegen alles, wat den vorigen avond te Naucratis geschied was. Amasis veinsde de grootste verwondering over den aanslag van zijn zoon, verzekerde zijn vriend, dat Gyges aanstonds op vrije voeten zou worden gesteld, en maakte zich vroolijk over de verijdelde wraakneming van Psamtik.

Nauwelijks had Cresus zich verwijderd, of de kroonprins liet zich aandienen.




Tiende hoofdstuk


Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,” zoo begon hij, »dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.”

Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bedelaarspak!”

»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.”

»Verstandiger? – verstandiger? – Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo kunstig aangelegd, dat…”

»De fijnste weefsels scheuren het lichtst.”

»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen.”

»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.”

»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer bevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes is ons de bestraffing van Gyges schuldig.”

»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.”

»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?”

»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.”

»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen?”

»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”

»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!”

»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!”

»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.”

»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.”

»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.”

Amasis verbleekte.

»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigen brief van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter zijde stond[182 - In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.], houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.”

»Wie bezit die papieren?” vroeg Amasis op ijskouden toon.

»De priesters.”

»En deze spreken door uw mond?”

»Gelijk gij zegt.”

»Herhaal dan, wat gij van mij begeert.”

»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.”

»Is dit alles?”

»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!”

»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.”

»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als…”

»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder persoonlijk offer bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg – en vertrek!”

Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen[183 - Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.] en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.

Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.

Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.

»Waar is mijn zoon?” vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.

»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,” was het antwoord.

De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!”

Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat het naamcijfer des konings droeg[184 - Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.], en las: Ik heb uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.”

De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde[185 - De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.], te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.

Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphenteekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had[186 - Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.].

Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening der sterrenkunde had beziggehouden[187 - Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.], was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.

Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.

»Ik onderwijs hem,” antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans overtreft, gelijk de zon de maan. – Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaat gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom zal opwassen.”

De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten ’t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijk vergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.

Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de ongelukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.

Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken” tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: »vorstin” en »koningin.” In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster aan het Perzische hof.




Elfde hoofdstuk


Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.

»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne nabijheid zijt,” fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.”

»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.”

»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!”

»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.”

»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergeten zult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig[188 - Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.]. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.”

»En uw vertrouwen bedriegt u niet!”

»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!” Maar als het blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd. – Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn[189 - Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.].”

»En zoo zal het blijven!”

»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!”

»Ja, ik zal zacht spreken… Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u! – Hebt gij het verstaan?”

»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!” zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.”

»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zou ik…”

»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.”

»Och toe, wilt gij ’t mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?”

»Ik zal ’t u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ‘Ik min u!’ en zij antwoordt, luister slechts: ‘Itys, Ito, Itys’[190 - Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.].”

»En wat beteekent dat: Ito, ito?”

»Ik neem het aan, ik neem het aan!”

»En Itys?”

»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ‘ik neem het aan, – ik neem het aan voor alle eeuwigheid!’”

»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?”

»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!”

»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.”

»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.”

»Zoo fluister, – of zing!”

»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje voorzingen. Alkman, de Lydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven. – Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:

		“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:
		Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,
		De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,
		De worm der aarde – ’t rust en sluimert àl.
		Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;
		Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;
		In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,
		Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;
		En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,
		Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”

»En nu mijn beste, een kus?”

»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.”

»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?”

»Schoon, als alles, wat gij zingt.”

»En wat de groote Helleensche zangers dichten.”

»Ook dit geef ik u toe.”

»Hebt gij in Perzië geene dichters?”

»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?”

»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.”

»Hoe bedoelt gij dat?”

»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.”

»Mijne Sappho…”

»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen, – want wie zou het wagen mijn Bartja te verachten – zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bartja?”

»Dat wil ik!”

»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet, – want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen, – zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand in uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd liefhebt.”

»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.”

»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?”

»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.”

»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?”

»Zoo spoedig ik maar kan en mag.”

»O, ik zal geduldig wachten.”

»En zal ik ook tijding van u ontvangen?”

»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op…”

»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.”

»Waar vind ik dien?”

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken.”

»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.”

»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?”

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!”

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.”

»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!”

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb.”

»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.”

»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!”

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.”

»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.”

»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: ‘O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!’ – dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!”

»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris[191 - Bijnaam van Aphrodite (Venus).], en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”

»Hoor, wat was dat? – Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!”

»Nog eene kus!”

»Vaarwel!”

Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?” luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?”

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaat ons!” gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?”

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik[192 - De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.] tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische[193 - Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.] bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.”

»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?”

»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ‘Zeus hoort de eeden der minnenden niet.’ Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/georg-ebers-2/eene-egyptische-koningsdochter/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette gelegen.




2


Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven, en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers, Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und ägyptisches Leben im Altertum.




3


Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen, droegen een eenvoudigen mantel (himation).




4


Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie, aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749 v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote later de plek tot stichting van Alexandrië.




5


Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te dalen. Vgl. Ebers’ Warda (vert.) Dl. I, blz. 169.




6


Spartanen droegen geen knevels.




7


Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.




8


Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen “vrouwenvereerder” genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.




9


Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia, Euphrosyne).




10


De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien.




11


Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.




12


Schikgodinnen.




13


De hoofdmaaltijd, het “deipnon,” werd door de Atheners eerst laat in den avond gebruikt.




14


Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51–69.




15


Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.




16


Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, door de Grieken genoemd.




17


Een geboren Samiër van adellijke familie.




18


De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.




19


Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.




20


Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen haar naam kende.




21


Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid, en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.




22


Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer, voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige fragmenten bewaard gebleven.




23


Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588–569.




24


Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum te Leiden.




25


Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.




26


Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben daaraan veel ontleend.




27


Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs gesticht.




28


In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke opschriften en papyrussen blijkt.




29


Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt van het bestuur.




30


Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166–205.




31


Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina, door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.




32


Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000 gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen vindt men in de musea te Leiden.




33


Eene soort van cither.




34


Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom “kiki.”




35


Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, 28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.




36


Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.




37


beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk, en Wägner.




38


Men herinnere zich Schillers lied. “Die Kraniche des Ibycus.”




39


Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet genoemd.




40


Het onderkleed, een soort van hemd.




41


Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere orakelspreuken.




42


In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.




43


Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.




44


De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de verhouding van ⅖ tot ⅗. Het drinken van onvermengden wijn, behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.




45


De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden er vele bewaard.




46


De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand, die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.




47


Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.




48


Naam der Spartaansche slaven.




49


Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met een soort van zeep (smegma).




50


Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.




51


Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes’ zoon en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren (Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen hoogst verdienstelijk gemaakt.




52


De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij den 5den Febr. 664 den troon besteeg.




53


De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt, werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- en muizenoorlog.




54


Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq, thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en de kraamvrouwen.




55


Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: muis.




56


Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.




57


Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.




58


Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op de rechters zou oefenen.




59


Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis had gedragen, even schuldig als de dader.




60


Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.




61


Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.




62


Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.




63


Oostelijke haven van Corinthe.




64


De Noordenwind.




65


Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.




66


Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon, nabij Athene een gedenkteeken oprichten.




67


Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en Cimon behoorden tot de Philaïden.




68


Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, welk recht in Kallias’ familie erfelijk was.




69


Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen liet oprichten.




70


Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus in Andalusië.




71


De Zwarte zee.




72


Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal bij de Isthmische spelen.




73


Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen tegenwoordig te zijn.




74


Karthagers.




75


Een offer van honderd ossen, een feestoffer.




76


Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering, uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.




77


De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.




78


Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.




79


Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.




80


Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de opvoeding was toevertrouwd.




81


Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug en huwde de dochter van Milon.




82


Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar, wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.




83


Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.




84


Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.




85


De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de gastmalen begeleiden.




86


De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen, soms ook gemetseld in den vorm van eene 7–8 voet lange en 2–2½ voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De matrassen en lakens werden daarop gelegd.




87


De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.




88


Hij was de eerste Grieksche denker, die zich “philosophos”, vriend der wijsheid noemde en is zeker in Amasis’ tijd in Egypte geweest.




89


Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen, hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.




90


Edelman.




91


Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.




92


Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van Apollo, den Python-dooder.




93


Hades (Pluto), de god der onderwereld.




94


Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had geherbergd.




95


Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.




96


Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen van Maria met het Christus-kind.




97


Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte niet meer worden gekweekt.




98


Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich daarmede het hoofd.




99


De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven in de hand. “Waaierdragers” was de gewone titel der hofbeambten.




100


In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.




101


“Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte.” (Ezechiël 27 vs. 7).




102


De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische voorschriften ontleend.




103


Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn modellen van Egyptische vaartuigen.




104


Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya, Babylonisch Barzia.




105


De kleuren van het Perzische koningshuis.




106


Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.




107


Om deze laarzen noemde het orakel Cresus “weekvoetig.”




108


De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der Egyptenaars, Seth.




109


Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere kleur van den bodem.




110


De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels, alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water worden overgegeven. Men legde dus dakhma’s of begraafplaatsen aan, die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de vrije lucht hing.




111


Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd. – De Ethiopiërs voerden later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka (Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.




112


Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, 40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.




113


Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.




114


Titel van Amasis. Alle andere pharao’s voerden dergelijke bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.




115


Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis (Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn, om ’s avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis- en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland (oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd uit hare omzwerving terug te keeren.




116


Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen, ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.




117


Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere gedaanten aan de menschen te vertoonen.




118


De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.




119


De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden, zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van papyrus-schachten.




120


Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van Syëne naar Saïs te brengen.




121


Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.




122


De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.




123


Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”




124


Vgl. Ebers’ Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.




125


Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.




126


Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.




127


Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.




128


Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”




129


Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”




130


Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.




131


Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.




132


Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.




133


Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p – tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.




134


De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.




135


Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”




136


Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’ Warda.




137


De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.




138


Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.




139


De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.




140


De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, Kunstgeschichte. I, 394.




141


Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.




142


Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang verbonden waren.




143


De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het geloof der Egyptenaren de god Hor – Hoet (Horus) den booze en zijne medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger, dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.




144


Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste ons bekende hiëratisch handschrift.




145


Ethiopië.




146


De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.




147


Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar ook de pharao’s zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden bewaard.




148


In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.




149


De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.




150


Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena’s en panthers vergeleken.




151


Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in het 3de Boek.




152


Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der duisternis en van het booze.




153


Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor zijne Perzische gemalin Amytis.




154


Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een “dragoman” rondgeleid.




155


Zulke torentjes vindt men daar heden nog.




156


De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.




157


Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te Parijs voor als verdrijver der booze geesten.




158


Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.




159


Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder heilig.




160


Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende koningen en de met hen verwante edelen.




161


De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.




162


Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.




163


Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt; onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.




164


Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg te roemen.




165


Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke som. – Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.




166


Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van den troon had meester gemaakt.




167


Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine 45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer dan een stuiver.




168


De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.




169


De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.




170


De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.




171


Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden niet op de lippen te nemen.




172


Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou hebben willen leven.




173


Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.




174


Naar eenige verzen van Theognis van Megara.




175


Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het laatste couplet luidt:

		Cytherea kuste ’t wichtje.
		“Voelt ge,” sprak zij, “zulk een smart,
		Enkel door eens bietjes angel,
		Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in ’t hart!”




176


In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende die deeg kneedt.




177


Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.




178


Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. “Twee Perzen,” verhaalt Brugsch, “die voor hun leven een verbond van vriendschap met elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij hun voornemen, waarna zij zich als ‘brader hâ of broeders’ plechtig laten inzegenen.”




179


De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71 vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus, waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd, waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.




180


Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.




181


De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.




182


In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.




183


Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.




184


Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.




185


De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.




186


Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.




187


Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.




188


Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.




189


Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.




190


Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.




191


Bijnaam van Aphrodite (Venus).




192


De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.




193


Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.


