Sherlock Holmes: De Agra-Schat
Arthur Doyle




Arthur Conan Doyle

Sherlock Holmes: De Agra-Schat





EERSTE HOOFDSTUK.

De kennis der gevolgtrekking


Sherlock Holmes nam zijn flesch van den schoorsteenmantel en zijn werktuig voor onderhuidsche inspuitingen uit zijn marokijnen foudraal. Met zijne lange, witte, zenuwachtige vingers bracht hij de fijne naald in orde, en schoof de linkermouw van zijn overhemd omhoog. Gedurende eenigen tijd bleven zijne oogen nadenkend op den gespierden voorarm en pols gericht, die met ontelbare teekenen van inprikkingen als bezaaid waren. Eindelijk trok hij de scherpe punt terug, drukte den kleinen piston omlaag en zonk met een langen zucht van voldoening in den fluweelen armstoel terug.

Driemaal per dag was ik reeds gedurende verscheidene maanden getuige geweest van deze verrichting, maar de gewoonte was bij mij in dit opzicht geen tweede natuur geworden. Integendeel, van dag tot dag stond mij het gezicht ervan meer tegen, en elken avond verweet ik mij mijn gebrek aan moed, om mij er tegen te verzetten. Herhaaldelijk had ik mij reeds ten stelligste voorgenomen om mij daaromtrent de noodige opheldering te verschaffen; maar er lag zooveel koele onverschilligheid in het voorkomen van mijn metgezel, dat elkeen zich wel in acht zou nemen zich eene onbescheidenheid tegenover hem te veroorloven. Zijn kracht, zijn gebiedend uiterlijk, en de ondervinding die ik bezat omtrent zijne vele buitengewone eigenschappen, dit alles hield mij ervan terug en maakte mij besluiteloos om hem in den weg te treden.

Maar, op bovenvermelden achtermiddag, – hetzij dan tengevolge van den meer dan gewonen en krachtigen wijn, dien ik bij mijn lunch gedronken had, of dat mijne zelfbeheersching ten einde was, gevoelde ik dat ik mij niet langer kon bedwingen.

„Wat is het vandaag,” vroeg ik, „morphine of cocaïne?” Hij hief zijne oogen langzaam op van het notitie-boek dat hij geopend had.

„Het is cocaïne,” zeide hij, „een oplossing van zeven percent. Zoudt gij het soms eens willen beproeven?”

„In geen geval,” antwoordde ik haastig, „mijn gestel is de campagne in Afghanistan nog niet te boven. Ik kan het nog niet wagen om mij buitengewoon in te spannen.”

Hij glimlachte om mijne voorgewende zwakte. „Wellicht hebt gij gelijk, Watson,” zeide hij, „ik veronderstel dat haar invloed physiek slecht is. Ik voor mij vindt het echter zoo uiterst prikkelend en opklarend voor den geest, dat de latere werking slechts van zeer korten duur is.”

„Bedenk echter,” hernam ik ernstig, „wat er de gevolgen van zijn! Uw brein moge, zooals gij zegt, opgewekt en verhelderd worden, maar het is een pathologisch en ziekelijk proces, dat ten zeerste op de longen werkt en ten laatste een permanente zwakte kan teweegbrengen. Gij weet zelf, welk een onaangename reactie gij ondervindt. Waarlijk: het sop is de kool niet waard. Waarom zoudt gij, voor een kort voorbijgaand genoegen, het verlies riskeeren van de groote gaven waarmede gij bedeeld zijt? Herinner u, dat ik niet alleen tot u spreek als kameraad, maar tevens als geneeskundige, die eenigszins voor uw gestel aansprakelijk kan geacht worden.”

Hij scheen geenszins beleedigd te zijn. Integendeel, hij voegde zijn vingertoppen te zamen, en steunde zijne ellebogen op de leuningen van zijn stoel, als iemand die gaarne wenschte te redeneeren.

„Mijn geest verzet zich tegen al wat „stilstand” heet,” zeide hij. „Geef mij problema's, geef mij werk, geef mij het ingewikkeldst geheimschrift, of de meest raadselachtige analyse, dan ben ik in de mij eigene atmosfeer. Dan heb ik over wonderbaarlijke middelen te beschikken. Maar ik verafschuw de onbeduidende „sleur” van het menschelijk bestaan. Ik smacht naar geestelijke verheffing. Dat is het ook waarom ik mijn eigen bizonder beroep gekozen, – of beter gezegd: geschapen heb, want ik ben de eenige op dat gebied in de wereld.”

„De eenige particuliere detective?” vroeg ik, groote oogen opzettende.

„De eenige particuliere, consulteerende detective,” herhaalde hij: „ik ben het laatste en hoogste Hof van appèl voor onthullingen. Als Gregson, of Lestrade, of Athelney Jones ten einde raad zijn, – iets wat in de meeste gevallen voorkomt, – dan wordt de zaak aan mij voorgelegd. Ik onderzoek den data, gelijk een gezworene en spreek dan een oordeel uit gelijk een specialiteit. Ik verlang geen lof bij dusdanige gevallen. Mijn naam figureert in geen nieuwsblad. Het werk zelve, het genoegen een veld te vinden voor mijne eigen zeldzame gaven, is mijn hoogste belooning. Maar gij hebt zelve eenige ondervinding opgedaan omtrent mijne methode van werken in 't geval van Jefferson Hope.”

„Inderdaad,” zeide ik, „ik was over niets in mijn leven ooit meer getroffen. Ik heb er zelfs een werk over uitgegeven, onder den titel van: „Een Godsgericht” (A Study in Scarlet).[1 - Te Amsterdam bij N. J. Boon.]”

Hij schudde ontstemd het hoofd.

„Ik heb het doorgebladerd,” zeide hij: „eerlijk gesproken kan ik u er niet mee feliciteeren. „Onthullen” is, of moest zijn een bepaalde wetenschap, en behoorde op dezelfde ongevoelige wijze behandeld te worden. Gij hebt getracht er een romantische tint aan te geven, iets wat dezelfde uitwerking heeft, alsof gij een liefdeshistorie of een schaking in den geest van Euclides zoudt bewerken.”

„Maar de roman was er,” antwoordde ik, „ik mocht de feiten toch niet veranderen.”

„Het eenige feit in het geval dat eene vermelding waardig was, was de zeldzame analytische redeneering van oorzaken tot gevolgen, waardoor het mij gelukte het kluwen te ontwarren.”

Het verdroot mij een werk dat ik alleen had uitgegeven met het doel om hem genoegen te doen, aldus door hem te hooren critiseeren. Bovendien beken ik, dat ik verstoord was wegens zijn egoïsme, waardoor hij scheen te verlangen, dat elke regel van mijn vlugschrift aan zijne bizondere werkzaamheden had moeten zijn gewijd. Ik had gedurende de jaren dat ik met hem in Baker-Street had samen gewoond, meermalen opgemerkt, dat aan het kalm en meesterachtig uiterlijk van mijn metgezel een weinig ijdelheid ten grondslag lag. Ik maakte echter geen tegenwerping, maar zat zwijgend mijn gewond been te wrijven. Ik had eenigen tijd geleden er een kogel door ontvangen, en hoewel ik er weder op gaan kon, kondigde het op pijnlijke wijze elke weersverandering aan.

„Kort geleden heeft mijn practijk zich zelfs uitgestrekt tot het Vasteland,” zei Holmes na een poos, terwijl hij zijn oude pijp van rozeboomenhout stopte, „ik werd in de laatste week namelijk geraadpleegd door François le Villard, die zooals je waarschijnlijk bekend is, in den laatsten tijd op den voorgrond is getreden in dienst van de Fransche detectiven. Hij bezit al de Celtische kracht van snelle waarneming, maar hij schiet te kort in de juiste beoordeeling der feiten en de algemeene kennis die onmisbaar is voor de hoogere ontwikkeling van zijn kunst. Het geval stond in verband met een testament en scheen eenigszins ingewikkeld. Ik was in staat hem op de hoogte te stellen van twee gelijksoortige gevallen, het een te Riga in 1857 en het ander te St. Louis in 1871, waardoor hij tot de juiste oplossing gekomen is. Hier is de brief van dankbetuiging voor mijne hulp, dien ik hedenmorgen ontving.”

Terwijl hij dit zeide, wierp hij mij een verfrommeld vel buitenlandsch papier toe. Ik wierp er een haastigen blik overheen, waarbij ik niets dan betuigingen van bewondering van den Franschman voor „den eenigen Sherlock Holmes” opmerkte.

„Hij spreekt gelijk een leerling tot zijn meester,” zeide ik.

„O, hij schat mijn hulp te hoog,” zei Sherlock Holmes, „hij bezit zelf groote gaven. Hij heeft twee van de drie eigenschappen die voor den werkelijken detective vereischt worden. Hij bezit namelijk opmerkings- en onthullings-vermogen. Het ontbreekt hem alleen aan kennis en die kan hij mettertijd verwerven. Hij is nu bezig mijne kleine werken in het Fransch te vertalen.”

„Uwe werken?”

„O, wist gij dat niet?” riep hij lachend. „Ja, ik heb mij aan verscheiden handschriften schuldig gemaakt. Zij handelen allen over technische onderwerpen. Hier, bijvoorbeeld is er een: „Over het onderscheid tusschen de asch van verschillende soorten tabak.” Daarin noemde ik een honderd veertig soorten van sigaren, cigaretten- en pijp-tabak, met gekleurde platen die het verschil van asch ervan aantoonen. Het is een punt dat geregeld in straf-processen voorkomt en dat vaak als „sleutel” van het grootste belang is. Indien gij bijvoorbeeld bepaald kunt zeggen, dat de een of andere moord gepleegd is door een man, die een Indiaansche lunkah rookte, dat beperkt het terrein van uw onderzoek aanmerkelijk. Voor het geoefend oog is er evenveel verschil tusschen de zwarte asch van een Trichinopoly en de witte van een Havana, als tusschen die van een kool en een aardappel.”

„Gij bezit eene zeldzame gave van opmerken,” merkte ik op.

„Ik erken hare belangrijkheid. Hier is mijn handschrift over het nasporen van voetstappen, met eenige opmerkingen omtrent het toepassen van de Parijsche pleisters, als bewaarster der indrukken. Dan ziet gij hier een klein curieus boek over den invloed van een onderzoek naar een vorm van de hand, met afbeeldingen van handen van leidekkers, matrozen, kurksnijders, loodwerkers, wevers en diamantslijpers. Dat is een zaak van groot practisch belang voor den wetenschappelijken detective, vooral in gevallen van onopgevraagde lijken, of voor het nasporen der vroegere antecedenten van misdadigers. Maar ik verveel u zeker met mijn gebabbel.”

„In geen geval,” antwoordde ik, „het is voor mij van het grootste belang, sedert ik de gelegenheid heb gehad om uwe toepassing ervan bij te wonen. Maar gij spraakt zooeven van opmerking en gevolgtrekking. Gewis vult de eene dezer gave de andere aan?”

„Slechts in geringe mate,” antwoordde hij, behaaglijk in zijn armstoel achterover leunend en dikke, blauwe rookwolken uit zijn pijp omhoog blazende. „Bij voorbeeld, opmerking toont mij dat gij hedenmorgen naar het Postkantoor in de Wigmore Street geweest zijt, maar gevolgtrekking leert mij dat gij daar een telegram verzonden hebt.”

„'t Is waar!” riep ik, „beide is waar. Maar ik beken dat ik niet inzie hoe gij daartoe gekomen zijt. Het was een plotseling opkomende gedachte van mij en ik heb er met niemand over gesproken.”

„Het is zoo eenvoudig mogelijk,” merkte hij op, zich verkneuterende over mijne verbazing, „zelfs zóó eenvoudig dat eene verklaring geheel overbodig is: en toch moge het dienen om u de grens tusschen opmerking en gevolgtrekking duidelijk te maken. Opmerking zegt mij dat gij aan de zool van uw schoen een weinig roode modder hebt. Juist tegenover het Postkantoor in de Wigmore Street is de straat opgebroken en aarde gestrooid die men, als men zich naar het kantoor begeeft, onmogelijk vermijden kan. Deze aarde is van bizonder roode kleur, zooals die nergens in den omtrek meer gebruikt is. Zie, dat is opmerking: het overige is gevolgtrekking.”

„Hoe kwaamt ge dan tot de gevolgtrekking, dat ik een telegram verzonden heb?”

„Wel, ik weet dat gij gedurende den ganschen morgen dien ik in uw gezelschap heb doorgebracht, geen brief geschreven hebt. Tevens zie ik ginds in uwen geopenden lessenaar, dat gij postzegels en een pakket briefkaarten voorradig hebt. Waartoe kondet gij dan anders het postkantoor binnen gaan dan om een dépêche te verzenden? Breng nu alle andere factoren met elkander in verband, dan moet de eenige gevolgtrekking de juiste zijn.”

„In dit geval is het zeker zoo,” antwoordde ik na eenig nadenken, „en de zaak, zooals gij zegt, allereenvoudigst. Zoudt gij het onbescheiden vinden indien ik uwe theorieën aan een meer ernstige proef onderwierp?”

„Integendeel,” antwoordde hij, „dat zou mij terughouden om eene tweede dosis cocaïne te nemen. Het zou mij verheugen eenig probleem, dat gij aan mijn oordeel zoudt willen onderwerpen, op te lossen.”

„Ik heb u hooren zeggen dat het onmogelijk is voor een man, om eenig voorwerp dagelijks te gebruiken, zonder den indruk van zijn persoonlijkheid er in die mate op achter te laten, dat een geoefend opmerker die zou kunnen ontdekken. Welnu, ik heb hier een horloge dat kort geleden in mijn bezit is gekomen. Zoudt gij nu zoo vriendelijk willen zijn om mij uw oordeel omtrent het karakter of de gewoonten van den laatsten eigenaar te zeggen?”

Ik reikte hem het horloge met eenig leedvermaak over, want naar ik mij overtuigd hield, was de proef onmogelijk en ik had er een les mede op het oog voor den stelligen toon dien hij gewoonlijk aansloeg. – Hij legde het uurwerk op zijn hand, beschouwde de wijzerplaat zorgvuldig, opende het en onderzocht het werk, eerst met zijn bloote oog, toen met een sterke lens. Ik kon nauwelijks mijn lach bedwingen bij het zien van zijn teleurgesteld gelaat toen hij eindelijk de kast weder sloot en het mij terug gaf.

„Er zijn ternauwernood eenige datums!” merkte hij op; „het horloge is eerst kort geleden schoongemaakt, iets dat mij van de meeste denkbare daadzaken berooft.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde ik, „het werd schoongemaakt alvorens het mij werd toegezonden.” In mijn hart beschuldigde ik mijn metgezel dat hij zijn onvermogen achter een niet beduidende uitvlucht verschool. Welke datums kon hij bij een onschoongemaakt horloge verwachten?

„Hoewel onvoldoende, is toch mijn onderzoek niet geheel vruchteloos geweest,” sprak hij, met droomerige half gesloten oogen naar de zoldering starende. „Onder verbetering zoude ik oordeelen dat het horloge aan uw oudsten broeder heeft toebehoord, die het van uwen vader geërfd heeft.”

„Dat leidt gij zeker af van de H. W. op de kast?”

„Zeer juist. De W. doet uw eigen naam veronderstellen. De datum van het horloge klimt op tot omstreeks voor vijftig jaren terug, en de initialen zijn even oud als het horloge zelve. Kostbaarheden gaan gewoonlijk op den oudsten zoon over, en hij draagt in den regel denzelfden naam als de vader. Uw vader is, indien ik mij goed herinner, reeds verscheiden jaren overleden. Dientengevolge is het horloge in handen gekomen van uw oudsten broeder.”

„Zooverre zijt gij juist,” zeide ik, „weet gij nog meer?”

„Hij was een man van zeer ongestadige en zorgelooze levenswijze. Hij had eens goede vooruitzichten, maar hij verschopte zijn geluk; leefde gedurende eenigen tijd in armoede, met korte tusschenpoozen van voorspoed, en nadat hij eindelijk aan den drank verslaafd was geraakt, stierf hij. Dat is al wat ik kan afleiden.”

Ik sprong uit mijn stoel en hinkte, ten zeerste gekrenkt, de kamer op en neer.

„Dat is onwaardig van u, Holmes,” zei ik, „ik zou nooit hebben kunnen gelooven, dat gij u tot zoo iets zoudt verlagen. Gij hebt onderzoek gedaan naar de geschiedenis van mijn ongelukkigen broeder, en beweert thans door gevolgtrekkingen tot deze wetenschap gekomen te zijn. Gij kunt toch niet van mij verwachten dat ik gelooven zal dat gij dit alles op dit oud horloge gelezen hebt! Het is niet vriendschappelijk, en om de volle waarheid te zeggen, heeft het iets van charlatanisme!”

„Waarde dokter,” zei hij vriendelijk, „ik bid u, neem mijne verontschuldiging aan. De zaak als een gewoon vraagstuk beschouwende, had ik vergeten hoe persoonlijk en pijnlijk u de oplossing ervan moest wezen. Ik geef u echter de heilige verzekering dat ik nimmer geweten heb dat gij een broeder hebt gehad, tot ge mij dit horloge hebt ter hand gesteld.”

„Maar in naam van al wat onbegrijpelijk is, hoe kwaamt gij dan juist tot deze feiten? Zij zijn in elk opzicht juist en waar.”

„Ah, dat is gelukkig. Ik voor mij kon ze slechts waarschijnlijkheden noemen. Ik verwachtte geenszins zoo accuraat te zullen zijn.”

„Maar het zijn toch niet enkel gissingen?”

„Neen, neen, ik gis nimmer. Dat is een dwaze gewoonte – en meestal schadelijk voor het logisch verband. Wat u zoo vreemd toeschijnt is dit alleen, omdat gij mijn gedachtengang niet volgt of geringe omstandigheden, die veelal de grootste ophelderingen verschaffen, over het hoofd ziet. Bij voorbeeld: ik begon te beweren dat uw broeder zorgeloos was. Wanneer gij het benedengedeelten van deze horlogekast gadeslaat, dan merkt gij op dat zij niet slechts op twee plaatsen gedeukt is, maar zij is overal geschramd en bekrast, door de gewoonte die hij had, om in denzelfden vestzak ook andere harde voorwerpen, zooals geldstukken of sleutels te bergen. Er behoort gewis niet zooveel vernuft toe om de gevolgtrekking te maken, dat hij, die zoo netjes met een horloge van vijftig guinjes omspringt, een zorgeloos man is. En evenmin is het zoo wonderlijk te begrijpen, dat een man die een voorwerp van zulke groote waarde erft, niet van middelen ontbloot is.”

Ik knikte, ten bewijze dat ik zijne redeneering volgde.

„Het is bij pand-beleeners in Engeland algemeen gebruikelijk om het nommer van het bewijs met een graveernaald op de binnenzijde der kast te schrijven. Dit is een maatregel tegen het verloren gaan van het bewijs. Er zijn niet minder dan vier zulke nommers door mijn lens op de binnenzijde der kast zichtbaar. Gevolgtrekking: dat uw broeder zeer dikwijls op zwart zaad zat. Tweede gevolgtrekking: dat hij van tijd tot tijd er beter bij zat, anders zou hij het pand niet hebben kunnen lossen. En ten slotte verzoek ik u de binnenplaat te bezichtigen, waarin zich het sleutelgat bevindt. Let dan op de duizenden krassen rondom de opening; allen teekenen van het uitglijden van den sleutel. Welke nuchtere man kon die plaat zoo hebben toegetakeld? Ik verzeker u, gij zult het horloge van een dronkaard nimmer zonder krassen zien. Hij windt het des nachts op, en laat deze sporen van zijn onvaste hand achter. Waar blijft nu de mysterie van dit alles?”

„Het is zoo klaar als de dag,” antwoordde ik, „ik betreur het onrecht dat ik u aandeed. Ik had meer vertrouwen moeten stellen in uw wonderbaarlijk vermogen. Mag ik vragen of gij thans nog op een of ander onderzoek uit moet?”

„Neen, daarom gebruikte ik de cocaïne. Ik kan niet leven zonder hersen-inspanning. Waartoe anders dient het leven? Hier voor het raam gaan staan? Was de wereld ooit zoo droevig vervelend en ongenietbaar? Zie hoe de gele mist over de straat hangt en langs de zwart-geblakerde huizen dwarrelt. Wat zou meer hopeloos prozaïsch en stoffelijk kunnen zijn? Wat baat het vermogens te bezitten, dokter, en geen arbeidsveld er voor te vinden? Misdaad is iets algemeens, bestaan is dit eveneens, en geene andere dan algemeene eigenschappen zijn op aarde werkzaam.”

Ik had mijn mond reeds geopend om op deze ontboezeming te antwoorden, toen er bescheiden op de deur geklopt werd en onze hospita binnentrad, terwijl zij een visitekaart op het koperen blad droeg.

„Een jonge dame voor u, sir,” zeide zij, zich tot mijn metgezel wendende.

„Miss Mary Morstan,” las hij. „Hm! ik herinner mij dien naam niet. Verzoek de jonge dame boven te komen, Mrs. Hudson. – Neen, ga niet heen, dokter. Ik zou gaarne zien dat gij hier bleeft.”




TWEEDE HOOFDSTUK.

De beschrijving van het geval


Miss Morstan trad met fermen stap en vrijmoedig voorkomen het vertrek binnen. Zij was een blonde jonge dame, klein van gestalte en zeer smaakvol gekleed. Evenwel was haar gewaad zoo eenvoudig dat het elke gedachte aan weelde buitensloot, doch eerder van beperkte middelen getuigde.

Het bestond uit een kleed van donker-grijze beige, zonder de minste versiering, en een klein hoedje van dezelfde kleur, die alleen verlevendigd werd door een witte veder. Haar gelaat was noch regelmatig, noch schoon te noemen, doch hare trekken waren zacht en innemend, terwijl hare groote blauwe oogen zeldzaam geestig en sympathiek waren. Met al mijne ervaring omtrent de vrouwen, die ik in drie verschillende werelddeelen had opgedaan, had ik nog nimmer een gelaat gezien dat meer van een beschaafd en gevoelig karakter getuigde. Alleen merkte ik op, dat toen zij zich op den stoel plaatste, dien Sherlock Holmes haar aanbood, hare lippen beefden, hare hand trilde en zij alle blijken gaf van innerlijke opgewondenheid.

„Ik ben tot u gekomen, Mr. Holmes,” zeide zij, „omdat gij eens mijne meesteres, Mrs. Cecil Forrester in staat hebt gesteld om eene kleine aangelegenheid met een harer dienstboden in het reine te brengen. Zij was ten zeerste verrukt wegens uwe dienstvaardigheid en bekwaamheid.”

„Mrs. Cecil Forrester?” herhaalde hij, „ja, ik geloof dat ik haar eens een kleinen dienst bewezen heb. Het betrof echter, als ik mij goed herinner, slechts een hoogst eenvoudig geval.”

„Zij beschouwde het zoo niet. Maar van het mijne zult gij dit tenminste niet kunnen beweren. Ik kan mij nauwelijks een meer vreemdsoortigen en onverklaarbaren toestand voorstellen, dan dien, waarin ik mij bevind.”

Holmes wreef zijne handen en zijne oogen schitterden. Hij leunde voorover in zijn stoel met eene uitdrukking van buitengewone aandacht op zijne scherpe, havik-achtige trekken.

„Verhaal mij uw geval,” zeide hij op korten toon.

Ik gevoelde dat mijn toestand eenigszins gedwongen werd.

„Gij zult mij gewis wel willen excuseeren?” vroeg ik van mijn stoel opstaande.

Tot mijne verwondering strekte de jonge dame hare net gehandschoende hand uit, als om mij tegen te houden.

„Indien uw vriend zoo goed zou willen zijn hier te blijven,” sprak zij, „zou hij mij wellicht een onschatbaren dienst kunnen bewijzen.”

Ik zette mij weer neder.

„In het kort zijn de feiten als volgt,” hernam zij.

„Mijn vader was officier in Indischen dienst, die mij, toen ik nog een kind was, naar het vaderland zond. Mijne moeder was overleden, en ik had geene betrekkingen in Engeland. Ik werd echter in een net opvoedingsgesticht te Edinburgh geplaatst, waar ik tot mijn zeventiende jaar vertoefde. In het jaar 1878 verkreeg mijn vader, die toen de oudste kapitein bij zijn regiment was, een jaar verlof, en kwam naar Engeland. Hij telegrafeerde mij uit Londen dat hij gezond en wel was aangekomen en noodigde mij uit om onmiddellijk over te komen, terwijl hij mij het Langham Hôtel als zijn adres opgaf. Ik herinner mij dat zijn bericht van verlangen en liefde getuigde. Toen ik te Londen aankwam, reed ik naar Langham en vernam daar dat kapitein Morstan er logeerde, doch dat hij den vorigen avond was uitgegaan en tot nog toe niet teruggekeerd was. Ik wachtte den ganschen dag, zonder iets van hem te vernemen. Des avonds stelde ik, op aanraden van den hôtelhouder, de politie hiermede in kennis en den volgenden morgen plaatsten wij eene oproeping in alle bladen. Onze onderzoekingen leverden echter niet het minste resultaat op; en vanaf dien dag tot op heden heb ik nooit weder een woord van mijn ongelukkigen vader vernomen. Hij kwam naar het vaderland met een hart vol hoop en liefde, om er eenige rust en vaderlijk genoegen te vinden, en in stede daarvan…”

Zij bracht haar hand aan hare keel, en een korte snik besloot den volzin.

„De datum?” vroeg Holmes, zijn notitie-boek openende.

„Hij verdween op den 3en December 1878, dus omstreeks tien jaren geleden.”

„Zijn bagage?”

„Bleef in het hôtel. Er was echter niets in dat tot eenige opheldering kon dienen: wat kleêren, eenige boeken en een groot aantal curiositeiten van de Andaman-eilanden. Hij was een der officieren geweest die met de bewaking der daar verbannen misdadigers belast zijn.”

„Had hij een of ander vriend in de stad?”

„Zoover wij weten slechts een; – zekere Majoor Sholto van zijn eigen regiment, het 34e Bombay-Infanterie. De Majoor had kort te voren den dienst vaarwel gezegd en woonde te Upper Norwood. Wij stelden hem natuurlijk van het geval in kennis, maar het was hem zelfs onbekend dat zijn mede-officier in Engeland was.”

„Een vreemdsoortig geval,” merkte Holmes aan.

„Het vreemdsoortige ervan heb ik u echter nog niet beschreven. Omstreeks zes jaren geleden – of om nauwkeurig te werk te gaan: op den 4en Mei 1882, – verscheen er een advertentie in de „Times”, waarin gevraagd werd naar het adres van Miss Mary Morstan, met de verklaring dat het in haar belang zoude zijn, zich bekend te maken. Er werd noch naam, noch adres bij vermeld. Ik was op dat tijdstip juist in het gezin van Mrs. Cecil Forrester als gouvernante in betrekking gekomen. Op haar raad maakte ik per advertentie mijn adres bekend. Nog op dienzelfden dag werd er door de post een aan mij geadresseerd kartonnen doosje bezorgd, waarin zich een zeer groote, schitterende parel bevond. Er was geen letter schrift bijgevoegd. Sedert dien dag kwam er elk jaar op denzelfden datum een gelijksoortige doos, die een zelfde parel bevatte, zonder eenige aanwijzing omtrent den afzender. Zij zijn door een deskundige onderzocht en deze verklaarde dat zij hoogst zeldzaam en van buitengewoon groote waarde zijn. Gij kunt zelf oordeelen hoe fraai zij zijn.”

Zij opende een platte doos, en toonde mij zes der prachtigste paarlen die ik ooit gezien had.

„Uw verhaal is hoogst belangwekkend,” zei Sherlock Holmes, „is u nog iets anders gebeurd?”

„Ja, en dat wel juist heden. Dat is de reden waarom ik tot u gekomen ben. Hedenochtend ontving ik dezen brief, dien gij wellicht wel zult willen lezen.”

„Dank u,” zei Holmes, „de enveloppe ook als 't u belieft. Poststempel: Londen S. W. Datum: Juli 7. Hum! De afdruk van een mansduim in den hoek, – waarschijnlijk van den besteller. Beste kwaliteit papier. Enveloppe van six-pence het pak. Een zonderling man. Geen adres. – „Wees hedenavond te zeven uren aan den derden pilaar van de linkerbuitenzijde van het Lyceum-Theatre. Indien gij bevreesd zijt, brengt dan twee vrienden mede. Gij zijt een slecht behandeld meisje en u zal gerechtigheid geschieden. Breng geen politie mede. Indien gij dit doet, zal alles tevergeefs zijn. Uw onbekende vriend.”

„Wel, dat is een zeer aardig geheim! wat denkt gij te doen, Miss Morstan?”

„Dat was juist de vraag die ik u wilde doen.”

„Dan zullen wij zeer zeker gaan, – gij en ik en – ja, wel Dr. Watson is juist de rechte man. Uw briefschrijver spreekt van twee vrienden. Hij en ik hebben reeds vroeger samengewerkt.”

„Maar zou hij willen komen?” vroeg zij met iets smeekends in haar stem.

„Ik zal mij gelukkig achten en er eene eer in stellen,” zeide ik gejaagd, „als ik u in eenig opzicht van dienst zal kunnen zijn.”

„Gij zijt beiden zeer vriendelijk,” antwoordde zij, „ik heb een afgezonderd leven geleid en bezit geene vrienden waarop ik mij zou kunnen beroepen. Als ik om zes uur hier ben, zal het, naar ik denk, vroeg genoeg zijn?”

„Ja, maar vooral niet later,” zei Holmes, „er rest echter nog een vraag: Is dit handschrift hetzelfde als dat van de adressen op de doosjes met de paarlen?”

„Ik heb ze bij mij,” antwoordde zij, terwijl zij hem een half dozijn stukjes papier overreikte.

„Gij zijt bepaald een model-cliënt, en zeer correct. Laat ons nu eens zien.” Hij spreidde de papiertjes op de tafel en keek snel van het een op het andere. „Zij zijn met een verdraaide hand geschreven, behalve de brief,” zeide hij onmiddellijk, „maar het lijdt geen twijfel dat de schrijver dezelfde is. Zie eens hoe de e afgebroken is en beschouw dan de krul van de s. Die zijn stellig van denzelfden persoon. Ik zou niet gaarne ijdele hoop bij u opwekken, Miss Morstan, maar is er eenige overeenkomst tusschen deze hand en die van uwen vader?”

„In geen enkel opzicht.”

„Dit antwoord verwachtte ik. Wij zullen u dus om zes uur verwachten. Wees zoo goed en laat mij de papieren behouden. Dan kan ik de zaak eens overzien. Het is nu pas half-vier. Au revoir, dus.”

„Au revoir,” zei onze bezoekster, en met een vriendelijken blik op ons beiden, verborg zei haar doos met paarlen weder in haren boezem, en verliet haastig het vertrek. Mij voor het venster plaatsende zag ik haar snel de straat afloopen, terwijl haar grijs hoedje met de witte veder op een vogel geleek tusschen de dichte menigte.

„Wat een aantrekkelijke vrouw!” riep ik uit, mij tot mijn metgezel wendende.

Hij had zijn pijp weder opgestoken en lag met halfgesloten oogen achterover in zijn fauteuil. „Is zij dat?” vroeg hij op langwijligen toon, „ik heb het niet opgemerkt.”

„Gij zijt werkelijk een automaat, – een rekenmachine,” riep ik, „er is somwijlen iets bepaald onmenschelijks in u!”

Hij glimlachte ondeugend.

„Het is van het grootste belang,” antwoordde hij, „uw oordeel niet te laten leiden door persoonlijke eigenschappen. Een cliënt is voor mij slechts eene eenheid, een factor in een vraagstuk. De op het gemoed werkende eigenschappen staan een zuivere redeneering in den weg. Ik geef u de verzekering dat de bekoorlijkste vrouw, die ik ooit gezien heb, werd opgehangen wegens het vermoorden van drie kleine kinderen om hunne levensverzekeringssom machtig te worden, terwijl de terugstootendste man onder mijne bekenden een filantroop is, die omstreeks een kwart millioen aan de armen van Londen besteed heeft.”

„In dit geval, echter – ”

„Ik maak nimmer uitzonderingen. Een uitzondering „wederlegt” den regel. Zijt gij ooit in de gelegenheid geweest om door middel van een handschrift een karakter-studie te maken? Wat is dan uw oordeel omtrent het geschrijf van dezen knaap?”

„Het is net en regelmatig,” antwoordde ik. „Een man van zaken en tamelijk vast van karakter.”

Holmes schudde het hoofd.

„Zie dan eens naar zijn lange letters,” zeide hij, „zij komen nauwelijks boven de gewone uit. Die d kon wel een a, en die l wel een e zijn. Mannen van karakter maken altijd een onderscheid tusschen hunne gewone en lange letters, hoe onregelmatig zij overigens ook mogen schrijven. Er is besluiteloosheid in zijne k's en gevoel van eigenwaarde in zijne hoofdletters. – Ik ga nu even uit. Ik moet eenige bezoeken afleggen. Laat mij u dit boek recommandeeren, – een der merkwaardigste die ooit geschreven werden. Het is „Het martelaarschap van den man,” van Winwood Reade. Ik zal binnen een uur terug zijn.”

Ik zat in de vensternis met het aangeduide boek in mijn hand, doch mijne gedachten waren verre van het werk des schrijvers. Mijn gedachten keerden tot onze laatste bezoekster terug, tot haren glimlach, die diepe gevoelvolle tonen van hare stem, en het vreemdsoortig geheim dat haar verontrustte. Indien zij zeventien jaar was op het tijdstip van haar vaders verdwijning, dan moest zij nu zeven-en-twintig zijn; – een schoone leeftijd, waarop de jeugd haar zelfvertrouwen verloren heeft en door ondervinding een weinig soberder geworden is. Zoo zat ik te mijmeren, tot er zulke gevaarlijke gedachten bij mij opkwamen, dat ik naar mijn lessenaar snelde en mij ijverig in mijn verhandeling over pathologie verdiepte. – Wat was ik? – Een arm geneesheer, met een zwak been en nog een zwakker fortuin, dat ik aan zulke dingen zou durven denken? Zij was eene eenheid, een factor, en niets meer! Indien mijn toekomst duister was, was het gewis beter om haar als een man tegemoet te zien, dan te trachten haar door onbereikbare luchtkasteelen op te vroolijken.




DERDE HOOFDSTUK.

Op onderzoek


Het was half zes eer Holmes terugkwam. Hij was opgeruimd en zeer goed gemutst, iets wat bij hem van tijd tot tijd werd afgewisseld door een gemoedsgesteldheid die aan ontzenuwing grensde.

„Er schuilt geen groot geheim in deze aangelegenheid,” zeide hij, den kop thee aannemende dien ik voor hem had ingeschonken, „de feiten schijnen slechts ééne verklaring mogelijk te maken.”

„Wat! Hebt gij het reeds opgelost?”

„Nu, dat zou te veel gezegd zijn. Ik heb een feit ontdekt dat een veronderstelling wettigt, dat is alles. Het is slechts een zeer vage veronderstelling. De nadere bizonderheden ontbreken er nog aan. Ik heb zooeven in oude nummers van de „Times” gevonden, dat Majoor Sholto van Upper Norwood, oud-gediende van het 34e regiment Bombay-Infanterie, op den 28 April 1882 overleden is.”

„Het moge zeer onbegrijpelijk zijn, Holmes, maar ik kan niet inzien tot welke onderstelling dit leiden kan.”

„Niet? Gij verbaast mij. Beschouw het dan van deze zijde. Kapitein Morstan verdwijnt. De eenige persoon in Londen dien hij kon bezocht hebben is Majoor Sholto. Majoor Sholto verklaart niet geweten te hebben dat hij te Londen was. Vier jaren later sterft Sholto. Binnen een week na zijn dood ontvangt de dochter van kapitein Morstan een kostbaar geschenk, dat jaarlijks herhaald wordt en nu eindigt in een brief die haar als een slecht behandeld meisje beschrijft. Op welke slechte behandeling kan dit anders doelen dan op de verdwijning van haren vader? En waarom zouden de geschenken onmiddellijk beginnen na Sholto's dood, of het moest zijn dat Sholto's erfgenaam iets van het geheim weet, en een schikking wenscht te maken? Hebt gij eenige tegenovergestelde theorie?”

„Maar welk een vreemdsoortige gevolgtrekking! En hoe ver gezocht! Waarom zou hij nu eerder een brief schrijven dan tien jaren geleden? Bovendien in den brief staat: om haar recht te doen wedervaren. Welk recht wordt daarmede bedoeld? De veronderstelling dat haar vader nog in leven is, is zeker te gewaagd. En van een ander onrecht is u niets bekend.”

„Er zijn moeielijkheden; zeer zeker groote moeielijkheden,” zei Sherlock Holmes nadenkend, „maar onze expeditie van hedenavond zal ze allen oplossen. Ha, daar is een vierwieler en Miss Morstan zit erin. Zijt gij gereed? Dan was het beter dat wij naar beneden gingen, want het is reeds over den tijd.”

Ik nam mijn hoed en stevigsten stok, doch merkte op dat Holmes zijn revolver uit het wapenrek nam en in zijn zak liet glijden. Het was dus duidelijk dat hij dacht dat ons avondwerk van ernstigen aard zou kunnen worden.

Miss Morstan was in een donkerkleurigen mantel gewikkeld, en haar zacht gelaat was rustig, doch bleek. Zij zou meer dan vrouw geweest moeten zijn om zich niet een weinig onrustig te gevoelen bij de vreemdsoortige onderneming waarvoor wij ons op weg begaven; maar toch was hare zelfbeheersching bewonderenswaardig en zij beantwoordde kort en zakelijk de weinige vragen, die Sherlock Holmes nog noodig oordeelde tot haar te richten.

„Majoor Sholto was een bizonder vriend van mijn papa,” zeide zij, „zijne brieven waren altijd vol van toespelingen op den Majoor. Hij en papa voerden het bevel over de troepen op de Andaman-eilanden; daardoor woonden zij geruimen tijd te zamen. Indertijd werd in papa's lessenaar een vreemdsoortig papier gevonden, wat niemand begrijpen kon. Ik veronderstel niet dat het van eenig aanbelang kan wezen, ik dacht echter dat gij het wellicht gaarne zoudt willen zien, en daarom heb ik het meegebracht. Hier is het.”

Holmes ontvouwde het papier zorgvuldig en streek het glad op zijn knie. Daarna onderzocht hij het nauwkeurig met zijn dubbele lens.

„Het papier is in Indië gefabriceerd,” zeide hij, „het was voor eenigen tijd op een bord geprikt geweest. De teekening erop schijnt het ontwerp te zijn voor een gedeelte van een groot gebouw, met talrijke zalen en gangen. Aan den eenen hoek staat een met roode inkt geteekend kruis en links daarboven staat geschreven „3,37.” Op den linkerhoek staan vier kruisjes op een lijn, waarvan de armen elkander raken. Daarnaast staat in ruwe karakters:

„Het teeken der vier – Jonathan Small, Mahomed Singh, Abdullah Khan, Dost Akbar.”

„Neen, ik beken dat ik niet begrijp in welk verband dit met de zaak staat. Desniettemin is het een belangrijk document. Het is zorgvuldig in een zakboek bewaard geworden; want het is aan beide zijden even helder.”

„Wij vonden het in zijn zakboek.”

„Bewaar het dan zorgvuldig, Miss Morstan, want het zou ons later van nut kunnen zijn. Ik begin te veronderstellen, dat deze zaak blijken zal ingewikkelder en van meer teederen aard te zijn, dan ik haar in het eerst beschouwd heb. Ik moet mijne gedachten opnieuw regelen.”

Hij leunde achterover in het rijtuig en ik kon aan zijn geheele houding zien dat hij in zijn gedachten verdiept was. Miss Morstan en ik, wij onderhielden ons op gedempten toon over onze expeditie en den mogelijken uitslag ervan, doch onze metgezel bleef peinzend en afgetrokken tot aan het einde van den rit.

Het was een avond in September en nog geen zeven uur, maar het was een donkere dag geweest en er hing een vochtige, doordringende mist over de groote stad. Gelijk zwarte wolken zweefde de mist over de modderige straten. Langs het strand drong het licht der lantaarns slechts met moeite door den nevel heen en wierpen een schaarsch schijnsel over de glibberige bestrating. De gele lichtstralen uit de winkelramen drongen naar buiten door de dampachtige lucht, en wierpen een spookachtig licht op de menigte daarbuiten.

Deze omstandigheid en het doel waarvoor wij ons tusschen dat licht en donker voortbewogen, maakte mij zenuwachtig en zwaarmoedig. Ik kon aan het voorkomen van Miss Morstan zien dat zij onder denzelfden indruk verkeerde. Holmes alleen was boven dusdanige invloeden verheven. Hij hield zijn geopend notitie-boek op zijn knie, en maakte van tijd tot tijd eenige aanteekeningen bij het licht van zijn zak-lantaarn. —

Bij de zijdeuren van het Lyceum-Theatre stond de menigte reeds in de dichte drommen opeengepakt. Wij hadden nauwelijks den derden pilaar, waar wij bescheiden waren, bereikt, of een klein, donker uitziend, levendig man als koetsier gekleed, sprak ons aan.

„Zijt gij de partijen die hier komen met Miss Morstan?” vroeg hij.

„Ik ben Miss Morstan, en deze twee heeren zijn mijne vrienden,” antwoordde zij. Hij richtte een paar doordringende en vragende oogen op ons. „Gij zult het mij ten goede houden, Miss,” zeide hij op scherpen toon, „maar het is mij opgedragen u te verzoeken mij uw woord te willen geven dat geen uwer metgezellen een ambtenaar der politie is.”

„Daar geef ik u mijn woord op,” antwoordde zij.

Daarop deed hij een schril gefluit hooren, waarop onmiddellijk een huurkoetsier naderde met een vierwielig rijtuig en het portier opende.

De man die ons aangesproken had steeg op den bok, terwijl wij ons in het rijtuig plaatsten. Onmiddellijk zette de koetsier zijne paarden aan en wij vlogen als het ware door de mistige straten. Het was waarlijk een zonderlinge positie. Wij reden naar een ons onbekende plaats, op de uitnoodiging van een onbekende. Of deze uitnoodiging was een grap, iets wat bezwaarlijk te veronderstellen was, – óf wij hadden alle reden om te denken dat onze tocht groote gevolgen zou hebben. Miss Morstan's gedrag was even vastberaden als anders. Ik trachtte haar te amuseeren met het verhalen van eenige mijner avonturen in Afghanistan: maar, om de waarheid te zeggen: ik was zelf zóó opgewonden en nieuwsgierig, dat mijne verhalen niet goed van stapel liepen. In het eerst had ik nog eenig idee omtrent de richting die ons rijtuig volgde; doch weldra verloor ik gedeeltelijk door onzen spoed, en gedeeltelijk door den mist en mijne oppervlakkige kennis van Londen de route, en wist niets meer dan dat wij een zeer verren weg aflegden.

Sherlock Holmes daarentegen faalde geen enkelen keer en hij prevelde de namen der squares zoowel als die der straten en stegen.

„Rochester Row,” zeide hij, „nu Vincent Square. Nu komen wij uit bij de Vauxhall Bridge Road. Wij houden waarschijnlijk de zijde der Surrey. Ja, dat dacht ik wel. Nu zijn wij op de brug, gij kunt van tijd tot tijd de rivier zien.”

Wij zagen werkelijk een strook van de Theems, die door de bruglantarens beschenen werd; maar ons rijtuig snelde voorwaarts en rolde spoedig door een doolhof van straten aan de overzijde.

„Wordsworth Road,” zei mijn metgezel, „Priory Road, Larke Hall Lane, Stockwell Place, Robert Street, Cold Harbour Lane. Het schijnt dat onze taak ons niet naar zeer fatsoenlijke wijken roept.”

Wij hadden nu inderdaad een onaanzienlijke en dubbelzinnige wijk bereikt. Lange lijnen van donkere huizen werden alleen dof verlicht door den schijn der kroegen, die er in menigte te vinden waren. Daarop volgden lanen met villa's van twee verdiepingen hoog, elk met een klein tuintje er voor, en toen weder onafzienbare rijen nieuw gebouwde rood-steenen huizen. Dan ten laatste hield ons rijtuig stil voor het derde van een nieuw blok huizen. Geen der anderen was bewoond, en dat waarvoor wij stilhielden was even duister als de anderen, behalve een enkel lichtje voor het keukenraam. Toen wij echter aanklopten werd de deur onmiddellijk geopend door een Hindoesch bediende, gekleed in een gele turban, witte wijde kleederen en een gele sjerp. Er lag iets vreemdsoortig onpassends in deze Oostersche figuur, die daar ineengedoken stond in de gang van een woning van den derden rang.

„De Sahib verwacht u,” zei hij, en juist toen hij dit zeide klonk er uit een of andere kamer een schelle, pieperige stem:

„Wijs hun den weg hierheen, Khitmutgar,” riep deze. „Breng hen onmiddellijk tot mij!”




VIERDE HOOFDSTUK.

De geschiedenis van den kaalhoofdigen man


Wij volgden den Indiaan door een morsige gang tot wij voor een deur ter rechterzijde kwamen die hij openduwde. Een stroom geelachtig licht viel ons tegemoet, en in het midden van dien schijn stond een kleine man met een zeer groot hoofd, dat met een kring van rood, borstelig haar omgeven was en overigens in een glimmend kale puntkruin uitliep. Hij wreef zijne handen terwijl zijne gelaatstrekken in voortdurende beweging waren: – nu eens grijnslachend, dan weder kauwend, maar geen enkel oogenblik in rust. De Natuur had hem met een hanglip bedeeld en daardoor was de rij zijner gele, onregelmatige tanden al te zichtbaar, iets wat hij tevergeefs trachtte te verbergen door onophoudelijk met zijn hand over zijn onderkaak te wrijven. Niettegenstaande zijne buitengewone kaalhoofdigheid, was hij niet ouder dan dertig jaar.

„Uw dienaar, Miss Morstan,” riep hij herhaaldelijk op schrillen toon, „uw dienaar, mijne heeren. Ik bid u, treed mijn klein heiligdom binnen. Een kleine woning, Miss, maar naar mijn eigen smaak ingericht. Een soort oase in deze beklagenswaardige wildernis van Zuidelijk-Londen.”

Wij waren allen verbaasd wegens het uiterlijk van het vertrek waarbinnen hij ons uitnoodigde. Het geleek in dit onaanzienlijke huis als een diamant van het zuiverst water in koper gevat. De rijkste en kostbaarste gordijnen en tapijten bedekten de wanden, hier en daar teruggeschoven, ten einde plaats te laten voor een schilderstuk of Oostersche vaas. Het vloerkleed was amberkleurig, en zoo zacht en dik dat de voet erin wegzonk als in een donzen bed. Twee groote tijgerhuiden, en een op een standaard staande hookah (Oostersche tabakspijp) gaven het geheel het voorkomen van Oostersche weelde. Een lamp, in den vorm van een zilveren duif, hing aan een zeer dunne vergulde ketting in het midden der kamer. Terwijl zij brandde vervulde zij de lucht met een zachten aromatischen geur.

„Mr. Thaddeus Sholto,” zei de kleine man, steeds kauwend en grimlachend, „zoo is mijn naam. Gij zijt dus Miss Morstan. En deze heeren?”

„Deze is Mr. Sherlock Holmes, en deze Dr. Watson.”

„Een dokter, hé?” riep hij opgewonden, „hebt gij uw stethoscoop bij u? Zou ik u mogen verzoeken, – zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn? Ik twijfel ten zeerste aan mijn hart-klep; indien gij de goedheid zoudt willen hebben. Ik ben er zeker van dat het in de hart-ader schuilt, maar omtrent de klep zou ik uw oordeel zeer gaarne vernemen.”

Ik luisterde naar zijn hart, doch kon niets afwijkends opmerken, behalve dat hij zich in een angstigen toestand bevond, want hij rilde over zijn gansche lichaam.

„Het schijnt normaal te wezen,” zeide ik, „gij hebt geen reden u ongerust te maken.”

„Gij moet mijne angstigheid vergeven, Miss Morstan,” merkte hij op, „ik lijd zeer veel en vreesde altijd voor een hartader-breuk. Ik ben verheugd te hooren dat daar geen gevaar voor bestaat. Indien uw vader meer op zijn hart gelet had, Miss Morstan, dan ware hij misschien thans nog in leven.”

Ik zou den man wel in het gelaat hebben kunnen slaan, zoozeer verdroot mij deze onhandige opmerking.

Miss Morstan zette zich neder en haar gelaat werd wit tot zelfs hare lippen toe.

„Ik gevoelde in mijn hart dat hij overleden was,” zeide zij.

„Ik kan u alle mogelijke inlichtingen verschaffen,” vervolgde hij, „en dat wil ik ook, wat mijn broeder Bartholomeus ook moge zeggen. Ik ben zoo blijde dat gij vrienden bij u hebt, niet alleen als een geleide voor u, maar tevens als getuigen bij hetgeen ik voornemens ben te doen en te zeggen. Wij kunnen met ons drieën broeder Bartholomeus beter te woord staan. Doch laat ons er noch politie noch andere ambtenaren in mengen. Wij kunnen alles voldoende onderling regelen, zonder eenige tusschenkomst van anderen. Niets zou broeder Bartholomeus meer hinderen dan publiciteit.”

Hij zette zich op een langen zetel, en keek ons onderzoekend aan met zijn doffe, waterige, blauwe oogen.

„Wat mij betreft,” zei Holmes, „ik zal al wat gij ook mocht willen spreken voor mij houden.”

Ik boog mijn hoofd ten teeken van instemming.

„Dat is goed! dat is goed!” zei hij, „mag ik u een glas Chianti aanbieden, Miss Morstan? Of Tokayer? Andere wijnen houd ik er niet op na. Zal ik een flesch opentrekken? Neen? Welnu dan, ik vertrouw dat gij geen hinder zult hebben van tabaks-rook, vooral niet van den balsamieken geur van Oostersche tobacco? Ik ben een weinig zenuwachtig en daarvoor is mijne hookah een onschatbaar geneesmiddel.”

Hij hechtte een mondstuk aan den grooten bol, en de rook dwarrelde onmiddellijk door het rozenwater. Wij zaten met ons drieën in een halven cirkel met onze kinnen in de handen geleund, terwijl de vreemdsoortige, dwergachtige snaak met zijn groot, glimmend hoofd in het midden zat te dampen. „Toen ik het eerst het besluit nam om u deze mededeeling te doen,” sprak hij, „zou ik gaarne mijn adres gegeven hebben; ik vreesde echter dat gij mijn verzoek niet zoudt vertrouwen en vreemd volk met u zoudt brengen. Deswege nam ik de vrijheid de zaak zoodanig te regelen, dat mijn bediende Williams u het eerst zoude zien. Ik stel het volste vertrouwen in zijne discretie, en hij had in last om, zoo hij onvoldaan mocht zijn, de zaak niet voort te zetten. Gij zult deze voorzorgsmaatregelen wel willen excuseeren, maar ik ben een eenigszins achterdochtig man, en ik durf er bijvoegen, van verfijnden smaak, en er bestaat niets dat meer in strijd is met de aesthetica dan een politieman. Ik heb een natuurlijken afkeer van alle vormen van het ruwe materialisme. Ik kom dan ook zelden in aanraking met de ruwe menigte. Ik leef, zooals gij ziet, in een eenigszins elegante atmosfeer. Ik mag mij een beschermer der kunst noemen. Dat is nu eenmaal mijn zwak. Dit landschap is een zeldzaam Corot, en hoewel een kenner wellicht eenigen twijfel mocht opperen omtrent deze Salvator Rosa, zoo kan dit bij deze Bouguereau geenszins het geval zijn. Ik behoor gedeeltelijk tot de moderne Fransche school.”

„Gij zult mij excuseeren, Mr. Sholto,” zeide nu Miss Morstan, „maar ik ben hier op uw verzoek om iets te vernemen wat gij mij wenscht mede te deelen. Het is reeds zeer laat, en ik wenschte ons onderhoud zoo min mogelijk te rekken.”

„Er zal toch nog eenigen tijd toe noodig zijn,” antwoordde hij, „want we zullen gewis naar Norwood moeten gaan en broeder Bartholomeus bezoeken. Wij zullen er gezamenlijk heengaan en zien wat wij uit broeder Bartholomeus kunnen krijgen. Hij is zeer boos op mij wegens den weg dien ik gekozen heb, doch die mij rechtvaardig toeschijnt. Ik had nog gisteravond zeer hooge woorden met hem. O, gij kunt u niet voorstellen wat een verschrikkelijke jongen hij is, als hij boos is.”

„Indien wij nog naar Norwood moeten, was het wellicht beter als wij ons onmiddellijk op weg begaven,” waagde ik op te merken.

Hij lachte totdat zelfs zijn ooren vuurrood waren.

„Dat zou bezwaarlijk gaan,” riep hij, „ik weet niet wat hij zou zeggen als ik u zoo plotseling bij hem bracht. Neen, ik moet u voorbereiden door u te toonen op welken voet wij met elkander staan. In de eerste plaats moet ik u zeggen dat er verscheidene punten in de geschiedenis zijn, die mij zelf onbekend zijn. Ik kan u dus de feiten slechts mededeelen voor zooverre ik ermede vertrouwd ben:

„Mijn vader was, zooals gij zeker reeds gegist hebt, Majoor John Sholto, vroeger in Indischen dienst. Hij nam ongeveer elf jaar geleden zijn ontslag en vestigde zich op Pondicherry Lodge te Upper Norwood. Hij had fortuin gemaakt in Indië en bracht een aanzienlijke som gelds, eene groote verzameling kostbare zeldzaamheden en een gansch gevolg van Inlandsche bedienden mede. Onder deze omstandigheden kocht hij zich een huis en leefde in groote weelde. Mijn tweeling-broeder Bartholomeus en ik waren zijn eenige kinderen. Ik herinner mij nog zeer goed de sensatie die de verdwijning van kapitein Morstan veroorzaakte. Wij lazen de bizonderheden ervan in de bladen, en wetende dat hij een vriend van onzen vader was geweest, bespraken wij het geval openlijk in zijne tegenwoordigheid. Dan was hij gewoon met ons over hetgeen er met hem gebeurd kon zijn, te redeneeren. Nooit veronderstelden wij voor één oogenblik dat hij het geheele geheim in zijn eigen hart verborgen hield, dat van alle menschen, hem alléén het lot van Arthur Morstan bekend was. Wèl wisten wij, dat eenig geheim, eenig bepaald gevaar onzen vader bezwaarde. Hij was steeds zeer beangst om alleen uit te gaan, en hij hield altijd twee prijs-vechters als portiers van Pondicherry Lodge. Williams, die u hedenavond gereden heeft, was een hunner. Hij was eens de kampioen-athleet van Engeland. Onze vader wilde ons nimmer zeggen wat het was dat hem zoo beangstigde, maar hij legde altijd een grooten afkeer aan den dag voor mannen met houten beenen. Bij zekere gelegenheid vuurde hij eens zijn revolver op zulk een gebrekkige af, die niets anders bleek te zijn dan een rustig besteller die een boodschap kwam verrichten. Het kostte ons een aanzienlijke som, om de zaak te sussen. Mijn broeder en ik beschouwden dit enkel als een gril van mijn vader; maar latere voorvallen hebben ons oordeel daaromtrent ten zeerste gewijzigd.

In het begin van 1882 ontving mijn vader een brief uit Indië, waardoor hij zwaar geschokt werd. Hij bezwijmde bijna aan de ontbijttafel toen hij hem opende en vanaf dien dag bleef hij sukkelend tot aan zijn dood. Wat die brief behelsde, werden wij nimmer gewaar, maar toen hij hem in de hand hield merkte ik op dat hij kort, en met krabbelend schrift geschreven was. Hij had reeds sedert jaren aan toenemende „spleen” geleden, maar nu werd hij snel minder en tegen het einde van April werd ons meegedeeld dat hij hopeloos was en hij een laatste onderhoud met ons wenschte te hebben.

Toen wij zijn kamer binnentraden, werd hij door kussens overeind gehouden, en ademde hij zwaar. Hij verzocht ons de deur te sluiten, en ons elk aan eene zijde van het bed te plaatsen. Toen greep hij onze handen, en deed ons een merkwaardige bekentenis, met een stem, die evenzeer afgebroken werd door ontroering, als door zijn lijden. Ik zal trachten u die met zijn eigen woorden weêr te geven:

„Ik heb slechts éen zaak,” zeide hij, „die mij in dit uiterste oogenblik bezwaart. Dat is mijne behandeling van Morstan's arme weeze. De verwenschte gelddorst, die mijn gemoed gedurende mijn gansche leven beheerscht heeft, onthield haar den schat, waarvan minstens de helft haar toebehoorde. En toch heb ik er voor mij zelven geen gebruik van gemaakt, zoo verblind en onzinnig is de gierigheid. Het enkel bewustzijn van het bezit was mij zoo dierbaar, dat ik er niet toe kon besluiten dit met een ander te deelen. Ziet dezen krans met paarlen bezet, naast de kinine-flesch. Zelfs daarvan kon ik niet scheiden, hoewel ik hem had achtergehouden om hem aan haar te zenden. Gij, mijn zoons, zult haar een eerlijk deel geven van den Agra-schat. Doch, zendt haar niets, – zelfs niet dezen krans, – alvorens ik zal gestorven zijn. Er zijn wel menschen even ziek geweest als ik thans, die toch weder hersteld zijn.

„Ik zal u zeggen op welke wijze Morstan overleden is,” vervolgde hij. „Hij had reeds gedurende vele jaren aan een hartkwaal geleden, doch die zorgvuldig geheim gehouden. Ik alleen wist het. Toen wij te zamen in Indië waren, kwamen wij door een merkwaardigen samenloop van omstandigheden in het bezit van een onmetelijken schat. Ik bracht dien naar Engeland en op den avond van Morstan's aankomst kwam hij terstond hierheen om zijn aandeel op te eischen. Hij kwam van het station en werd binnengelaten door mijn trouwen Lal Chowdar, die nu dood is. Morstan en ik kregen verschil omtrent de verdeeling van den schat en wij kregen hooge woorden. Morstan was in een opwellenden toorn uit zijn stoel overeind gesprongen, toen hij plotseling zijn hand op zijn zijde drukte; zijn gelaat werd donkerrood en hij viel achterover met zijn hoofd tegen de kist, waarin de schat geborgen was. Toen ik mij over hem heenboog, zag ik tot mijne ontzetting dat hij dood was.

Langen tijd zat ik half verbijsterd te bedenken wat ik zou aanvangen. Het spreekt van zelve dat mijn eerste gedachte was om hulp te roepen: maar ik kon niet anders verwachten dan dat men mij zoude beschuldigen hem vermoord te hebben. De aan zijn dood voorafgegane twist, en de wonde aan zijn hoofd, zouden ten ergste tegen mij getuigen. Daarbij kwam, dat een gerechtelijk onderzoek noodzakelijk eenige feiten omtrent den schat moest aan het licht brengen, dien ik ten koste van alles geheim wilde houden. Hij had mij gezegd dat geen sterveling wist waarheen hij zich begeven had. Het kwam mij dus onwaarschijnlijk voor dat iemand dit dan ooit gewaar zoude worden. Terwijl ik nog over de zaak zat te peinzen zag ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn bediende Lal Chowdar op den drempel der kamer staan. Hij sloop naar binnen en grendelde de deur.

„Vrees niets, Sahib,” fluisterde hij, „geen levend wezen behoeft te weten dat gij hem gedood hebt. Laat ons hem verbergen, en wie zal hem vinden? Ik hoorde het reeds, Sahib,” vervolgde hij, „dat gij twist met hem hadt en evenzeer hoorde ik den slag. Maar mijne lippen zijn gezegeld. Allen slapen. Laat ons hem te zamen wegbrengen.” Dat was voldoende om mij een besluit te doen nemen. Indien mijn eigen bediende niet aan mijn onschuld kon gelooven, hoe kon ik dan hopen aan de uitspraak eener jury te ontkomen? Lal Chowdar en ik, wij begroeven dien nacht het lijk en binnen weinige dagen waren de Londensche bladen vol van de geheimzinnige verdwijning van kapitein Morstan. Naar mijne bekentenis kunt gij oordeelen dat men mij nauwelijks omtrent dit geval kan hard vallen. Mijn fout ligt in het feit dat wij niet slechts het lijk verborgen, maar tevens den schat en dat ik evenzeer Morstan's aandeel als het mijne heb achtergehouden. Daarom wil ik thans beiden uitkeeren. Brengt uwe ooren dicht bij mijn mond. De schat is verborgen in – ”

Op dit oogenblik kwam er een verschrikkelijke verandering op zijn gelaat; hij staarde woest voor zich uit, zijne tanden klapperden en hij gilde met een stem, die ik nimmer vergeten zal: „Houdt hem buiten! Om 's Hemels wil, houdt hem buiten!” Wij keken naar het raam achter ons waarop zijn blik gevestigd was. Daar staarde ons een gelaat aan van uit de duisternis. Wij konden den neus tegen het glas gedrukt zien. Het was een gebaard, harig gelaat, met woeste, wreede oogen en een misdadig uiterlijk. Mijn broeder en ik snelden naar het venster, maar de man was verdwenen. Toen wij tot onzen vader terugkeerden, was zijn hoofd op de borst gezonken en stond zijn pols stil.

Wij doorzochten den ganschen nacht den tuin, doch vonden geen ander teeken van den indringer, dan één voetstap in het bloembed onder het raam. Spoedig echter kregen wij een ander meer treffend bewijs, dat geheime machten om ons heen aan het werk waren. Des morgens werd het venster van onzen vader open gevonden, zijne kasten en kisten doorzocht, en op zijn borst was een stuk papier bevestigd, met de woorden: „Het teeken der vier”. Nimmer werden wij gewaar wat deze volzin beteekende, noch wie de geheime bezoeker geweest was. Zoover wij kunnen oordeelen, was er niets gestolen geworden, hoewel alles doorzocht was. Mijn broeder en ik brachten dit vreemdsoortig geval natuurlijk in verband met den angst die mijn vader gedurende zijn leven vervolgd had, maar het is nog steeds een geheim voor ons.”

Hier zweeg de kleine man om zijn hookah weder aan te steken en bleef toen een poos in diep gepeins verzonken doorrooken. Wij hadden allen met de grootste belangstelling naar zijn zeldzaam verhaal geluisterd. Bij het kort verhaal van haar vader's dood was Miss Morstan doodsbleek geworden, en vreesde ik een oogenblik dat zij in zwijm zou vallen. Zij herstelde echter toen ik haar een glas water te drinken gaf.

Sherlock Holmes leunde achterover in zijn stoel, met afgetrokken voorkomen en halfgesloten oogleden. Toen ik mijn oog op hem vestigde, dacht ik er onwillekeurig aan, hoe hij nog dienzelfden nacht geklaagd had over de eentonigheid des levens. Hier ten minste was een vraagstuk waartoe hij zijne bedrevenheid zou noodig hebben. Mr. Thaddeus Sholto keek ons beurtelings aan met welgevallen, wegens den indruk dien zijn verhaal op ons gemaakt had, en hulde zich voortdurend in de rookwolken uit zijn pijp.

„Mijn broeder en ik,” zeide hij, „waren, zooals gij wel denken kunt, ten zeerste nieuwsgierig naar den schat waarvan mijn vader gesproken had. Weken en maanden groeven wij den ganschen tuin om zonder echter iets te ontdekken. Het was om er waanzinnig van te worden, te moeten denken dat mijn vader juist gestorven was op het oogenblik dat hij de schuilplaats wilde noemen. Wij konden den omvang van den vermisten schat beoordeelen naar het snoer dat hij ervan afgenomen had. Over dit snoer spraken mijn broeder Bartholomeus en ik herhaaldelijk. De parels waren van zeer groote waarde en hij kon er niet van scheiden, want mijn broeder was wel eenigszins met de gebreken mijns vaders behept. Daarbij dacht hij, dat als wij afstand deden van het snoer, dit ons ten laatste nog in ongelegenheid zou kunnen brengen. Alles waartoe ik hem bewegen kon was, dat hij mij toestond Miss Morstan's adres uit te vorschen en haar op vaste datums een losgemaakte parel toe te zenden, opdat zij ten minste nimmer gebrek zou behoeven te lijden.”

„Dat was zeer braaf van u,” merkte zij op.

De kleine man maakte een afwerend gebaar met de hand.

„Wij waren uwe schuldenaars,” zeide hij, „zoo beschouwde ik het tenminste, hoewel broeder Bartholomeus het niet uit dit oogpunt beschouwde. Wij waren zelf rijk genoeg. Ik begeerde niet meer. Bovendien zou het ongevoelig geweest zijn om een jong meisje zoo te behandelen. „Le mauvais gôut mène au crime,” zegt de Fransche spreekwijze terecht. Het verschil in onze meening omtrent deze aangelegenheid ging zoo ver, dat ik het 't raadzaamst vond, om kamers voor mij zelve te huren: en zoo verliet ik Pondicherry Lodge, terwijl ik den ouden Khitmutgar en Williams met mij nam. Gisteren echter vernam ik dat er een hoogst belangrijke gebeurtenis had plaats gehad. De schat was ontdekt geworden. Ik stelde mij onmiddellijk in gemeenschap met Miss Morstan en thans rest ons nog slechts naar Norwood te rijden en ons aandeel te vragen. Ik stelde broeder Bartholomeus gisteravond met mijne zienswijze in kennis, dus zullen wij zooal geen welkome, dan toch verwachte bezoekers zijn.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/doyle-arthur-conan-10848075/sherlock-holmes-de-agra-schat/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Te Amsterdam bij N. J. Boon.


