Specialiteiten
 Multatuli




Multatuli

Specialiteiten





"THE RIGHT MAN ON THE RIGHT PLACE"


Ť_Het doet me groot genoegen dat er van dit werkjen 'n tweede druk gevraagd wordt. En, ronduit gezegd, het viel me tegen dat die niet sedert lang noodig was. 't Zal me waarlijk 'n groote voldoening wezen als deze uitgaaf wat spoediger uitgeput raakt dan de eerste, want—zoo onbescheiden als men wil, maar heel oprecht—ik geloof met zekeren my onbekenden recensent in den_ Spectator, dat er uit deze studie over Specialiteiten wel iets zou te leeren vallen voor Volksvertegenwoordigers, Kiezers en … sommige anderen.ť

Bovenstaande regelen maakten in 't najaar van 1875 den hoofdinhoud uit van het Ť_Voorbericht_ť waarmee deze tweede druk van m'n opstel over Specialiteiten in 't licht verschynen zou. Velerlei verdrietige omstandigheden maakten my het afwerken der in datzelfde Voorbericht toegezegde ŤNotenť tot-nog-toe onmogelyk.

Bovendien werd me van vele zyden onder 't oog gebracht dat het voor de koopers van den eersten druk myner werken niet aangenaam is, de volgende uitgaven daarvan al te zeer uitgebreid te zien.

Na vriendschappelyk overleg met m'n uitgever, verschynt nu deze tweede druk zonder die noten, en—op weinige min belangryke uitzonderingen na—onveranderd.[1 - Een maand later. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kňn. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden … er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten!Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk.De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy de Noten en Toelichtingen overbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming, loisir noodig. Zoodra ik kŕn!MULT.] De toelichtingen die me geschikt voorkomen tot verdere staving van de juistheid der hoofddenkbeelden waaraan dit werkje z'n oorsprong te danken heeft, zullen zoo spoedig mogelijk afzonderlyk worden uitgegeven.

Het is my onmogelyk dit berichtje te sluiten, zonder melding te maken van de echt-humane wyze, waarop ik in deze zaak door den heer WALTMAN[2 - De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van den vierden druk).The right man on the right place.] behandeld werd.

Met zachtmoedig geduld droeg hy den last en de schade die myn gedurig uitstellen hem berokkenden, zonder ooit de verdrietelykheden die van dat dralen oorzaak waren, te vermeerderen door afdoening te vorderen op 'n wyze als waartoe hy van zyn standpunt volkomen gerechtigd zou geweest zyn. Hartelyk dank!



    Wiesbaden Oktober 1878. MULTATULI.




I


Na Carnaval de Vénise en Duitsche eenheid, zal men moeielyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr. DIBBETS onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier-en-daar iets te zeggen over vaderlandsche welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te-doen te hebben met een der Ť_exentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen_.ť Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zoodanig stuk van zoodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordeelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had.

–Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor HARTZFELD den Hollandschen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa.

–Wat zal ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is … 'n eiland.

–Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd?

–Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek.

De goede majoor HARTZFELD toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eischte van m'n kaptein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst-interessante Amboina op hem maakte. En ook ŤPubliekť is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zoo'n armen schryver doodteslaan met één slag.

Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn?

Nu, ik zal 't niet wezen. En daarom de zaak DIBBITS-KEER! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde minst excentrieke dingen van de wereld … zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie.

Wie heden-ten-dage iets te zeggen heeft, waarby the right man on the right place kan worden te-pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt—maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding—men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van 'n hoofdartikel, waarin dat testimonium van het hedendaagsch savoir faire maar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna z'n krachten beproeven aan 'n verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere …

Van jongs-af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen Ť_bluf_ť geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkoope spotterny. Ik heb de woorden Ť_type_ť Ť_humor_ť en Ť_genie_ť in de kindsheid hunner populariteit gekend. Ť_Bepaald_ť is jonger. Een der nog jongeren is Ť_intens_ť om nu van Ť_objektief_ť en Ť_subjektief_ť niet te spreken …


* * * * *

Tot m'n schaamte moet ik erkennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in-staat te stellen tot het genieten der primeur van Engelsche stopwoorden. Een beetje Fransch, wat school-of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm—men kan z'n ooren niet sluiten—was alles wat my in m'n jeugd voortgezet werd. De Engelsche praatjes uit dien tyd bepaalden zich tot the devil is an ass take a basket and save the pieces of your soul, en Yankee Doodle's klacht: he couldn't find the town, he saw too many houses. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathan's raadgeving aan z'n zoon: Ť_Be honest my boy, be honest if possible, but … make money_!ť Maar dat komt hier eigenlyk niet te-pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer hoe liever, hebben méér kans op populariteit. Ze waren dan ook sans malice. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's Ťom zoo iets te zeggen.ť Men maakte er geen Ťeerst beginselť van, waarop—onder andere zaakjes—de heele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee …

Onschuldige jeugd!


* * * * *

Toch excentriek!

De inkleeding … misschien! Maar overigens … Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voortebereiden tot het betoog dat de uitdrukking:

the right man on the right place

ten-onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n scie, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers … tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwenschen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats, sticht wčl kwaad.


* * * * *

Indien al de hoedanigheden—of de hoogst bereikbare maat daarvan—die 'n veldwachter behooren te versieren, vereenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik—in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte te zyn—zoo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter, toe. Men moet 'n ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zoo'n gelegenheid niet meetejuichen. In dezen zin alzoo durf ik 't Engelsch dicton niet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat'n zwaard past in z'n scheede, en 'n sleutel op 't slot waarbydi behoort. Dat 'n kraamkind in de wieg moet liggen—al blyf ik protesteeren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger … altemaal right things on their right places, of disederata daartoe strekkende.

Maar eilieve, we zullen toch niet van Engelsche wyzen hoeven te leeren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minister Z op geen enkel slot past, en dat men Y z'n roes niet kan laten uitslapen in 'n wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs vóór WILLEM den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen WILLEM.

Er moet dus in dat gezegde over de juiste plaatsing van personen —tenzy daarin géén zin hoegenaamd ligge—iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zoo terstond vat, en deze meening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar Engelschen oorsprong.

De uitstekende X is dus veldwachter geworden.

–Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang 'n voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik.

–Hm! Dŕt is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te-paard.

–Hy heeft veel vrouwen en kinderen …

–'t Kan zyn. Maar niet daarom werd hy aangesteld.

–Hy is Ťfinaalť vry van sterken drank.

–'t Is mogelyk. Maar … je bent er nog niet.

–Hy heeft weinig vrouwen en géén kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester?

–Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd.

–Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Z'n knevel zal alle dieven en jachtstroopers schrik inboezemen.

–Mis!

–Ik geef 't op.

–Onnoozele! Raad nog eens!

–Hy, hy, hy … ik weet het waarlyk niet.

–Och, m'n waarde oudmodische gearriëreerde allerbeste vriend … je bent honderd jaar ten-achter. X is … the right man on the right place! Dat 's wat anders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid!

Wie nu nog minder Engelsch verstaat dan 'n gepensioneerd Gouverneur- Generaal, zou byna in verzoeking komen te gelooven dat die woorden een onvertaalbaar tooverformulier inhouden, 'n verzekering dat X z'n benoeming aan de wondervolle tusschenkomst van 'n beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was …

Niets van dat alles. De heele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking.

Eilieve, waarom drukken wy zoo'n eenvoudige begrypelyke Hollands- menschelyke zaak in vreemde taal uit?


* * * * *

Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin eener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld …

ŤHaar vader was trompetterť had men beweerd.

… hoe die vriendien party-trok voor de gehoonde afwezige, met 'n heftig:

Ja, maar … 'n Engelsche trompetter!

Dŕŕrover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus Ťvolkerenwysheidť borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't Engelsch trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't 'n fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben —van trompetters en anderen—maar juist dŕŕrom geen onverdiende hoogheid toetekennen aan vreemd kroost, en vooral niet omdat er wat trompetterigs bykomt.

Laat ons eenvoudig zyn, en nu-en-dan—als het te-pas komt, waarom niet?—vorderen dat ieder en alles op de plaats zy, waarvoor hy en het geschikt zyn. En laat ons dit doen zonder 'n ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigen. Laten we daarby de leugen vermyden, klaterwaarde van citaat optedringen aan 'n uitspraak, zoo huisbakken-eenvoudig dat er geen geklater, geen Engelsch en vooral geen trompet—ik spreek nu niet van hoofdartikel- schryvery—by te-pas komt.


* * * * *

Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangsche dame besluiten mocht, had de heele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't Hollandsch zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is, ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz., tehuis behoort. En … dat men zich daarby niet behoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst betoogje, niet van dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag:

–Wanneer die Engelsche waarheid zoo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't een diepzinnig spreekwoord was, kracht van tekst heeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen—Ť_mooi weer vandaag_ť Ť_twee maal twee is vier_ť de Nederlander is braaf, enz. enz.—die we gewoon zyn in 't Hollandsch te zeggen. Beproef gyzelf eens, aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven …

–Zonder klinkers?

–Neen, zonder scie, zonder stoplap van dien aard.

–Ge erkent dus dat het Engelsch trompetterswicht 'n scie is.

–Ten-naaste-by. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch 'n oorzaak zyn waarom zoo'n … praatje fortuin maakte. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt?

–Spreek toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken, om nňg gewonen wysheid, nňg onbeduidender wawelpraat, als een onder SIS-tempels opgegraven mysterie binnen-te-smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalverij!

Wie by de verheffing eener persoon tot eenig ambt, z'n tevredenheid daarover zou te kennen geven door't aantoonen van de oorzaken die zoodanige benoeming wettigen, heeft minder kans z'n overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die z'n oordeel onder bescherming stelt van zoo'n als eerwaardig geykten term. En … de methode is gemakkelyker. Even als in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-vooral als geldig aangenomen redeneering uit. Maar—niet als in de wiskunde—voelt men soms behoefte aan formules—zegge: frazen—om, onder valsch voorgeven van overbodigheid, de aandacht van 'n onjuiste redeneering afteleiden.

Op de vraag: Ťis die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig?ť stelle men zich niet tevreden met 'n Engelschen deun, en zelfs niet met 'n Hollandschen. De hoorder of lezer heeft recht op aantooning der gronden waarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: ŤA, B, C, is de rechte man op de rechte plaatsť is geen betoog. Het is 'n uitspraak die—om iets waard te zyn—betoog noodig heeft.

Dat nu de velen die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld Engelsch gezegde zooveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot 'n druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der Fransche journalistiek—ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankrijk aan frazen bezweken is!—'t is na de schipbreuk der couranten-wysheid zoo gemakkelyk niet 'n redakteur bytestaan in het telle-quelle vertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De Ťdeunť die thans nog altyd, na 't bloedig mene tekel aan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voorzetten van de ongezonde feestmalen waarop ŤPubliekť genoodigd wordt door de Belsasars van de pers, moet machtige beschermers hebben … verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangsche vriendin.

En … de eer der plaatsing boven 'n stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op GÖTHE te beroepen ter illustreering van de waarheid dat twee meer is dan één, al zy 't dan dat die bekwame faiseur in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: Ťhoe koud vandaag … gelyk de groote dichtervorst zoo wél gezegd heeftť of: Ťkiespyn is onaangenaam … om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen.ť Waarlyk er behoort iets toe, om—als right motto on the right place—boven 'n stuk van MULTATULI te staan …

Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten!

Het kind dat ik uitkleeden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt.

Er moet iets achter steken. Die kracht …

Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnoozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over SPECIALITEITEN.

Ook dat trompetterskind—van Hollandschen oorsprong ditmaal, of nagenoeg—behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje.


* * * * *

Het is 'n onbetwistbare waarheid dat SOKRATES eenmaal den jongen ALCIBIADES 'n duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid.

Onbetwistbare waarheden zyn de zoodanigen, die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later—liefst in 't Grieksch of Latyn—'n deun geworden zijn, waarbij men classiquement heel fatsoenlyk zweren mag.

–Ik geloof er niets van … zegt nu-en-dan de waarheidzoeker.

Maar hy vergist zich. Want:

't Is het kind van 'n Griekschen trompetter, roept de hartelijke vriend van buitenlandsche waarheid.

En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst.

't Is dus wel degelyk waar, dat ALCIBIADES door SOKRATES allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: Ťm'n beste jongen, je ziet wel dat jy niet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking.ť

Ik heb nu, om SOKRATES te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto—dat wel wat mank gaat aan tautologie[3 - Wel zeker! Ť_Hy is op die plaats de rechte man_ť of: Ť_die_ plaats is voor hem de rechte.ť Zóó zou zich iemand uitdrukken, wiens denkvermogen zich de weelde van eigen equipage kan veroorloven en dus niet met huurfrazen behoeft te ryden.]—den man iets gebrekkiger doen preken, dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of SOKRATES zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van ALCIBIADES, om hem zoo'n Engelsche behandeling op den hals te halen!

De goeie jongen wou magistraat zijn, en SOKRATES—misschien opgestookt door de Jezuďten, maar PLUTARCHUS verzwygt dit voorzichtig—SOKRATES wilde hem nog wat op-school houden, 't Was nog zoo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond!

Ik trek geen party voor ALCIBIADES. Maar … ik protesteer tegen de wijze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aan specialiteit, voor de voeten wierp.

–Jy magistraat … Jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budjet van den Staat?

Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt …

En ook by SOKRATES kollegie gehouden, dat is waar. Maar … wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn?

Gebrek aan specialiteit!

Ik vraag u, o SOKRATES, indien uw leerling eens, tusschen al z'n guitenstukken in, de Atheensche begrooting had vanbuiten geleerd—'t is niet zoo heel gewaagd, hiervan de mogelykheid te veronderstellen —zoudt ge hem dŕn uw stem hebben gegeven? Zou dŕt 'n reden hebben opgeleverd, om z'n specialiteit aantenemen als behoorlyk gestaafd?

Och, SOKRATES antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met menschen die dood zijn. Maar by-gebreke aan zyn antwoord, vraag ik den lezer, of liever—om niet andermaal vergeefs te vragen—myzelf:

Wat zyn specialiteiten?

Waar behooren ze?

Waar behooren ze niet?

En ik—in weerwil der bemoeienis van Ťwelwillende vriendenť nog steeds niet geheel-en-al dood—zal antwoorden zoo goed ik kan.




II


Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich vaak—zooals andere geneesheeren—in de keuze der middelen. Ik vrees dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet dáártoe meldt zich 'n arts by den zieke. En wie m'n betoog niet geestig vindt, heeft nog meer reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by dezulken vriendelyk aanbeveel.

Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie … men vergeve het my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben ik 'n voorstander van emollients. Maar na zóó dikwyls m'n krachten vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven met cautéres van spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De Rede is m'n godin.

Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart.

Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt.

Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen: fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag en deun … altemaal adjudanten van den leugen-duivel, misbruik van het Woord—van den Logos—zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.

Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken, was … 'n praatje.

–Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAĎN.

–Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat in sommige gedeelten van den bybel—volstrekt niet overal!—voor ŤGodť wordt uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien broeder doodteslaan.

of:

–Niet dáárover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, ňf je hem doodsloeg, en met welk recht?

KAĎN gebruikte die zegswyze—hy zal er wel bygevoegd hebben: gelyk de groote dichter zich uitdrukt, of: om 'n oudecht-vaderlandsch spreekwoord te bezigen … dat kleedt 'n fraze!—hy sprak zoo, uit verlegenheid.

Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En 'n fraze is daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout.

En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om Ťpraatjesť uittebranden. ŤGodť deed het ook in die cause sélčbre. Hy maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem zonder veel vorm van proces 't paradys uit. Bien jugč!


* * * * *

Toen ik zoo-even de uitdrukking: huurfraze ontdekte, was ik zoo vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk alle geestigheid te vermyden, en de vraag: wat zyn specialiteiten? zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid 'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen—alsof 't 'n zaagcitaat ware!—zoo byzonder lekker te vinden.

M'n vreugde over 't woord huurfraze vindt haar grond in de hoop dat dit woord zelf tot fraze zal verheven worden, en dat nog na veel eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n verpletterend: Ťje redeneering rydt op huurknollen … gelyk de groote MULTATULI zoo wčl gezegd heeft.ť Similia similibus!

Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat tot zaag kan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik reeds voorlang tegen 't vervloekte autosephae … óók 'n fraze!


* * * * *

Specialiteiten zyn … byzondere dingen. Nu weet ge 't.

Generaliteiten zyn … algemeene dingen. Dŕt weet ge nu ook.

Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n generaliteit is de zoodanige die van alles—of van niemendal—verstand heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal.

Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't oog door vergelyking met het woord generaal: een militair die alle vyanden—of geen enkele vyand—doodslaat, in tegenstelling van den soldaat die zeer speciaal slechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt, en dien enkelen maar zelden raakt.

Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't woord generaliteit behooren te hechten—ik vermeed het heenwyzen naar species en genus, om m'n pedanterie te verbergen—zyn we nu voorbereid tot het wčl vatten van de beteekenis der uitdrukking die als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap geplaatst is. Een opschrift alzoo: on its right place.

Een specialiteit is …

Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet!

Zou ook dŕt woord misschien 'n deun zyn, de basnoot waarop armoed aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van den right man?


* * * * *

Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woord specialiteit moeten hechten, behandelen wy nu—ik hoop even afdoende—de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst te worden?

Wel … niets eenvoudiger. On the right place, natuurlyk.

Wie dáármee niet tevreden is …

De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel, en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van dien heer zeide.

En waar specialiteiten niet behooren? Allereenvoudigst alweer!

ROLLET op 't kussen, enz. enz.


* * * * *

Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik 't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling.

Aan 'n table-d'hôte in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als 'n uitzondering, dewyl anders gewoonlyk myn specialiteit in zwygen bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my … och, ik zeg niet gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie.

Er was spraak van handel, winkeliers-smart, kramers-humbug, koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden.

Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd gulden te verkoopen aan 'n Ťvriendť die 't ding slechts uit de verte gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben, driemaal gevraagd: meen je 't?

–Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het!

–Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den ander, tot de betaling inkluis.

Hierin lag nu de pointe van m'n vertelling niet. Maar ik meende die te leggen in 't vervolg van de historie. Een Ťzeer geachtť groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: Ťhoor eens, daarin moet ik je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn … je begrypt … in den handel … neen, ditmaal ben ik 't niet met je eens … driemaal gewaarschuwd … wat wil je nog meer?

Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hôte- gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: hč!

Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling dóórvalt. Ik moest me schikken.

Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat, my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd hebben? De table-d'hôte was zeer goed, ruim voorzien …

Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der schotels. Het stuk speelt in den goeden Toelast, waar de voorraad van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan ik noodig heb me te veroorlooven.

De man keek zuur, en was deftig.

Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam … dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen. Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was 'n witte das. Z'n embonpoint was 'n witte das. En z'n zuurkyken … 'n luiermand vol witte dassen!

Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte een commis voyageur grooten byval met oneindige Ťhé!ť 's in, over 'n verhaal dat met 'n Ťmooien slag in de amerikanenť eindigde.

M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n eerlyk man te … Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat hy—door fielten meegesleept in Ťhandelszakenť—zich 'n tyd lang …



l'occasion, la faim, l'herbe tendre, Et quelque diable aussi le poussant…


Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, die diable had best achterwege kunnen blyven! Honger, gelegenheid en … essenbladen zyn ruim voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De man had meegedaan in 't maken van thee die in Gelderland langs de wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout …

Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee meer. Uw zonden zyn u vergeven. Ik weet wat gy gedragen hebt. Čn daarover, čn omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan de waarheid!

Maar niet dŕt vertelde ik aan m'n table-d'hôters. De tot 'n rampzalig einde veroordeelde pointe van m'n verhaal kwam hierop neer, dat ik—natuurlyk zonder namen te noemen—iets over die Geldersche- theekultuur gezegd had aan … 'n industrieel die allerliberaalst was. De man had me—daar gaat de pointe!—ouwerwetsch en dom gevonden, en geantwoord Ťdat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek had van koffiboonen.ť

De gasten praatten dóór alsof ik niets interessants gezegd had. De witte dassen bleven zuurkyken.

M'n ouderling—hy was dit inderdaad—scheen verstand van wyn te hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar … zonderling, hy zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid verkondigt.

Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan, dus is hy goed op me … zóó zal 't wezen!

Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy 't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich elders, uittartend-duidelyk met opzet.

Twee pointes in 't water, zout versmaad … och, 't was zoo bitter!

–Wie is toch die … heer, vroeg ik aan iemand naast me. ŤManť durfde ik niet zeggen, om de witte dassen.

En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende.

–Dat is 'n vrome familie, zei ik.

–Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is …

–Ouderling, wil ik wedden.

–Geraden! En hy is boos op je, omdat je … nu dan, omdat je 'n Ťvrydenkerť bent.

't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn Ťomdat ik den CHRISTUS smaade, versmaaddeť enz. Hy zou liever sterven dan een myner werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam, doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen had.

–Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele voorkomen kan dominee wezen.

–O neen! Van beroep is hy fabrikant …

Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas. Ontevredenheid met den wyn—die goed was, had-i gezegd—lag op z'n wezen.

Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik.

–Ah zoo … fabrikant! En wat fabriceert de man?

–Hy is 'n specialiteit …

Genade ditmaal voor m'n pointe, lezer! Een derde nederlaag overleef ik niet!

–Hy is specialiteit in wynvervalschingsmiddelen!


* * * * *

Gy die zweert bij 't prachtige right men on right places, eilieve, waar plaatst ge:

m'n horlogeverkooper?

m'n scheepsreeder-groothandelaar?

m'n liberalen koffiboonenfabrikant?

m'n godvreezenden ouderling-wynvervalscher?


* * * * *

Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n plaats.

De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats.

De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal … ze staat op haar plaats.

Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten … all things on their right places …

Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis.

En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altyd niet.

En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar 'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee over Recht, Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen …

En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek van Nederland.


* * * * *

Met uw verlof … staat ook dit hoofdstuk wel op the right place?

Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in een Ietsjen over SPECIALITEITEN.




III


Komaan, vertel ons nu eens zonder scherts wat 'n specialiteit is?

Ik schertste niet, en zŕl dit ook niet doen. 't Onderwerp is er te treurig toe. Een specialiteit is 'n zoodanige die levenslang veel dingen verwaarloosd heeft, om den prys der middelmatigheid te behalen in den wedloop der beoefenaars van 'n bepaald vak. Een specialiteit is iemand die door zich blind te staren op één punt, het recht meent te hebben byziende te wezen voor wat anders, of zich zoo voortedoen Een specialiteit …

En weer verander ik van medikatie. Hebt ge wel eens zien straatvegen?

–Niet zoo vaak als ik in 't belang der zindelykheid wenschen zou.

Maar toch nu-en-dan.

Voelde je niet soms den lust in u opkomen, zoo'n hem of haar den bezem uit de hand te rukken, en eens te wyzen, hoe men behoort te vegen?

–Dikwyls.

Veegden alzoo, naar 't ideaal dat gy u schept van straatvegen, die mensen goed?

–Met de hand op 't hart, by m'n ziel en zaligheid, op eer en geweten, in tegenwoordigheid van goden en mensen … neen!

Zeer wel. Dit gekonstateerd zynde, vraag ik u of ge zoo'n straatveger in-staat oordeelt u 'n rechtskundig advies te geven, uw kinderen van kinkhoest te genezen, de schulden van den Staat te delgen, boekdrukkunsten uittevinden, Amerika's te ontdekken, enz. enz.?

–Met hand, hart, ziel, enz … alles als-voren: neen!

Welnu, zoo'n veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'n specialiteit.


* * * * *

We zyn dom, klein en koppig. Waarachtig, lezer, we zyn koppig, dom en klein. Wees nu eens niet te klein, te koppig en te dom, om dit toetestemmen. We weten weinig. We kennen weinig. We kunnen weinig. En we willen ons voordoen alsof wy iets wisten, kenden en konden. Telkens komt het voor, dat de omstandigheden deze of gene hoedanigheid in ons vereischen zouden. Telkens schieten wy te-kort in 't leveren van wat wy eigenlyk moesten kunnen leveren. Dan zyn we beschaamd over deze domheid, onmacht en onnoozelheid, te klein om edele wraak te nemen door verheffende inspanning, te hoofdig om dat alles te erkennen, en:

–Och … ik ben eigenlyk straatveger, zeggen ze dan. Dŕt is m'n vak, m'n roeping. Dŕŕrin munt ik uit. Dŕŕrin zoek ik myn meester …

Die ligt te vinden is, dat zagen we! Want ze vegen slecht, de specialiteiten die den Ťmarmottenwinter van hun vakje gebruiken als voorwendsel om niets te weten van wat daarbuiten omgaat.ť Nu straatvegen doen ze juist allen niet. Waarachtig niet! En dit is van sommigen jammer genoeg.

–Van ŤRechtenť heb ik geen verstand, roept de een, ik ben genie- officier, architekt, artist, arbeidsman, pruikenmaker …

Heel wel. Ge zyt er niet minder om. Maar verschuil u niet achter die specialiteit, om by voorkomende gelegenheid niet te weten wat Recht is.

–Ik ben jurist, verzekert 'n ander. Ik slaap, leef en sterf met codices en de H. Boeken van 't corpus juris, nec non met 'n beetje toevoegsel van hedendaagsche parlementery.

Best, opperbest! Maar meen niet dat die specialiteit u vrystelt van eerbied voor gezond verstand.

–Ik Ťbenť in koffi, reedery, assurantie. Ik Ťdoeť in vetwaren, kurken, vleeschextrakt, oesters, eau-de-cologne …

ŤWeesť en blyf in augurken, als ge verkiest. Maar eilieve, gedraag u niet, alsof gyzelf 'n komkommer waart, wanneer er gesproken wordt van andere dingen dan Ťwaarin ge zyt.ť ŤDoeť in wat ge wilt, maar toon dat ge ook iets doen kunt, als het te pas komt. Koop en verkoop oesters … goed! Maar kruip niet zelf in 'n schulp, zoodra er behoefte is aan eigenschappen die uw broodwinning niet raken. Dat opgaan in de specialiteit van 'n vak, van één vak, is dom schandelijk en nadeelig. Één is dikwijls géén, in dit geval.

–Dit alles belet niet dat de man die levenslang brood bakte, waarschynlyk beter brood leveren zal dan iemand die nooit gebakken heeft.

Ja en neen. Gewoonte maakt wel handig, maar niet altyd bekwaam. Er kan bovendien verschil van gevoelen bestaan over de vraag welk brood goed is? Wat de een goed noemt, kan den ander middelmatig of slecht voorkomen. Meen niet dat deze opmerking …

O, bitter wreed vermoeden dat ik me hier op den hals haal! Zullen niet sommigen meenen dat deze bedenking 'n advokatige scheenworp is, een pleiterig vulsel dat by elke gelegenheid heel oppassend kan worden te-pas gebracht, 'n … scie? 't Woord is er uit.

Neen, ik moet en ik wil werkelyk zeggen dat het oordeel over de deugdelykheid van brood zeer verschillend is. Naar mijn meening—waarin ik by-uitzondering 1497 millioen min één, smaakverwanten heb—is 't Hollandsche brood over 't algemeen zeer slecht, en wčl geproefd: geen brood. Op weinig uitzonderingen na, komt het iemand die geen byzonderen eerbied voelt voor de levenslankheid der bakkers, waarop gy u beroept, oneetbaar voor. De Franschen die men 't voorzet, noemen het, als ze zich beleefd willen aanstellen, gâteau, en vragen wat anders. Ook ik vraag wat anders, en noem het, onbeleefd, half-gaargebakken watten met kryt, koper, aluin, geile melk, vitriool en oudsche eieren. Niets bewyst echter dat de Franschen, ik, en de overige 1497 millioen mensen die geen Hollandsen brood lusten, gelyk hebben. De mogelykheid bestaat dat 'n hemelsche jury, by 'n algemeene Paryzer heelal-tentoonstelling van vierduitsbroodjes, aan onze bakkers de gouden medaille zou toekennen. Maar … zoolang die jury zoodanige uitspraak niet gedaan heeft, is 't niet zeker, en zelfs niet waarschynlyk dat de Hollandsche bakkers goed gebakken hebben, in weerwil hunner altyd doorbakkende levenslankheid. Ook de Fransche bakker is specialiteit. Ook hy bakte gisteren reeds, verleden week, voor jaren, van kindsbeen af. En hy beweert dat 'n Hollandsche broodmaker de zaak niet verstaat.

Ik had in 1850, 51 nog geen bakken geleerd. De admiraal JURIEN DE GRAVIČRE … ach, hy kommandeert als zoetwaterzeeman, op dit oogenblik (Voorjaar 1871) de flotille Ť_du parti de l'ordre_ť op de Seine! Wie had gedacht dat hy zoo laag vallen zou, de achtenswaardige kommandant van de Bayonnaise, die me leeren wilde hoe men goed brood bakt!

Van hem namelyk heb ik 't woord gâteau, dat ik zoo-even aanhaalde.

Na veel vruchtelooze pogingen van m'n kok om dien hoofdofficier iets voortezetten dat hy als brood gebruiken kon, noodigde deze my aan boord van z'n korvet, niet aan z'n tafel ditmaal, maar in de kombuis. Daar toonde hy my hoe men vochtig meel deed verzuren door wat warmte met geduld. En dat men geen byvoegsel van gist noodig had. En hoe telkens een gespaard deel van 't gebruikte deeg, morgen oud geworden, het nieuwe zou doorzuren en doen Ťryzenť in weinig tyds, zonder daaraan den vuilen bysmaak te geven waarop de Hollanders zoo gesteld schynen. En hoe brood—Ť_du_ pain, m'sieur DEKČRR, du pain, ce qu'on peut nommer du pain!ť—hoe brood alleen moet bestaan uit gaar meel, zonder meer. Zonder aluin, zonder kryt, zonder suiker, zonder melk, zonder eieren, zonder koper en vitriool, zonder vuiligheid, zonder vergif.

Ik erken dat ik op dit oogenblik met de handen verkeerd zou staan, en dat ik me waarschynlyk eenige vergeefsche proeven zou moeten getroosten, waar ik in-staat ware brood te leveren dat volgens het oordeel van verreweg 't grootste deel onzer medemensen, beter voldoet aan de eischen die men aan brood stellen mag, dan dat onzer levenslange Hollandsche bakkers. Ik heb er de hand niet aan gehouden, en de juiste methode is my ontgaan.

En … wonder is 't niet! Ik deed zooveel andere dingen sedert 1850! Daar ligt zoovéél tusschen die kombuis van de Bayonnaise en deze verhandeling! Zooveel arbeids! Zooveel vermoeienis! Zooveel teleurstelling! Zooveel onbekroond streven! Zooveel smart!

En wat al slecht gebakken brood at ik sedert dien tyd!

En hoe bitter was 't meestal, ook zonder misselyk gesuikerd te zyn!

En hoe vaak rees de gedachte in my op: als ik eens, om brood te hebben, mezelf maakte tot zoo'n levenslange bakker?

Maar er is niets van gekomen. Gedurig had ik wat anders te doen. Op dit oogenblik, by-voorbeeld, moet ik voortgaan met m'n stuk over Specialiteiten.


* * * * *

Het is alzoo niet uitgemaakt dat iemand die zich aan 'n bepaald vak wydt, in dat bepaald vak iets beters levert, dan te verwachten is van anderen, van niet-specialiteiten. Er bestaan zelfs gegevens die zouden doen besluiten tot het tegendeel, of—om korrekt te redeneeren —gegevens die het tegendeel mogelyk, en zelfs waarschynlyk maken.

Een bakker—de scherpzinnige lezer zal wel de goedheid hebben de bakkery overtezetten in den algemeen-maatschappelyken toonsleutel die op m'n kompozitie past—'n bakker die onder kryt, aluin, eieren, melk, gist, koper, vitriool en bedorven klanten is opgegroeid, heeft, juist tengevolge van z'n levenslankheid, meer moeite zich te ontdoen van al deze ingegroeide dingen, dan de onschuldige die—als ik in de kombuis van de Bayonnaise—nuchter is van alle verkeerde kennis der zaak. Zoo'n bakker is …

–Wat al divagatien!

Ge vergist u. Ik divageer niet. En 't bewys? Zoo'n bakker is 'n specialiteit.


* * * * *

En nu lezer—tenzy gyzelf behoort tot de specialiteit van de velen die niet lezen kunnen—transponeer!

Ach, er wordt zooveel slecht voedsel geleverd uit heel andere bakkeryen, dan waar die gesofistikeerde miniatuur-lendekussentjes als brood worden uitgevent!

Specialiteit van rechtkennis … bedorven melk!

Specialiteit van staatsmanswysheid … taaie watten!

Specialiteit van broederliefde, mensenmin, vrede op aarde met obligaat-welbehagen, roode kruizen, filantropie, dierenbescherming, neger-wintersokjes, Javaannut-maatschappyen, weldadigheidskommissien … sterke boter!

En, by al die specialiteiten, de zeer speciale specialiteit der frazen … vuile eieren!

Alles saamgenomen! vergif!

Ik ben terdeeg aan 't komponeeren. Zie eens hoe quite right ik al die stinkende dingen on their right places heb gezet, om de oneetbaarheid van de broodjes te betoogen, waarop de maatschappy zich maagbedervend het gebit slee kauwt.

Ik hoop lezers te treffen die me hier verwyten dat ik onrechtvaardig ben. 't Zou me aangenaam zyn aanleiding te vinden tot dupliek op de beschuldiging:

–Ge kunt niet wáár zyn, dat ge allen over één kam scheert.

De opmerking is onjuist, maar welgemeend. Wie naar waarheid zoekt, mag en moet zoo spreken. Welnu, ik veroordeel niet allen. Ik sprak ditmaal niet van personen. M'n uitval geldt noch rechter, noch pruikenmaker, noch jurist, noch minister, noch preeker, noch dierenbeschermster, noch sokjesbreister, noch Schlachtenbummler, noch zelfs die onzalige broodbakkers … in één woord: niemand persoonlyk.

Ik maakte me driftig tegen de domme afgodery met het begrip: specialiteit, in 't algemeen. Dŕt is het onkruidje …

We zullen te-zamen voortwieden in 'n volgend hoofdstuk. En dan geen woord meer over bakkers.




IV


Een vertelling.

–'t Wordt tyd dat onze FRITS 'n beroep kiest, zei m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER tot z'n echtgenoot. Om 't geld is 't ons goddank niet te doen, maar toch …

En m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER streelde z'n buik.

In deze hartelykheid jegens zichzelf, lag iets als bevestiging van z'n innige overtuiging dat het hem goddank om 't geld niet te doen was, en tevens 'n voorspellende bezwering dat het ook z'n veelgeliefden FRITS goddank nooit zou te-doen zyn om 't geld. Mevrouw van 'T EEN-OF-ANDER was het—zonder de minste indecentie in gebaren, dit moet ik tot haar eer verzekeren—volkomen met m'nheer haar gemaal eens. FRITS zou 'n beroep kiezen. Want:

–Een mens moet toch iets wezen in de wereld.

–Zoo had m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd.

Het is den lezer bekend hoe geleidelyk ik gewoon ben m'n vertellingen af te vertellen. Nooit 'n zysprong. Nooit 'n byweg. Nooit 'n uitweiding.

Zie eens dien CERVANTES in z'n Don Quichot … 'n boek dat ik liever zou wenschen geschreven hebben dan den Faust! Ik, in m'n hoedanigheid van schryf specialiteit—ik moet toch Ťietsť zijn, niet waar?—ik verzeker u, lezer, met verwyzing naar m'n IDEE 30, dat de Don Quichot meer ziel gekost heeft dan GÖTHE ooit bezat. Wat hy gespleten, en gebersten moet geweest zyn, de vertrapte graankorl CERVANTES, om dat boek te schryven, een der treurigste gedenkstukken van wat 'n mens lyden kan!

Dit wist ge niet, lezer! Ge meende—van den weg gebracht door de specialiteit die men school noemt, dat het 'n grappig werk was? Gy, zelf tranenlachend om zooveel koddigheid, hebt de tranen van smart niet gezien, die er druipen van dat boek. Misschien zal ik u die later eens aanwyzen.

Arme levenslange martelaar CERVANTES, gij de byna eenige schryver voor wien ik byna eerbied heb!

En daarby behoort … m'n vonnis dat uw schryvery, als zóódanig, hier-en-daar beneden 't nulpunt staat. Wat drommel hebben wy te maken met al die malle vertellingen van herders en herderinnen, van liefdegekken en gekke liefden, waarnaar ge telkens uw held laat luisteren op z'n doornigen weg ter kruiziging?

Zóóveel voor 't vel?

Arme arme lieve CERVANTES. De tranen die uw boek bevlekken, zyn er niet minder kostbaar om. Integendeel!

–Ah, zegt de lezer die hier gevatter wil zijn dan hem past, het afbreken van de jonker-FRITSgeschiedenis heeft dus ten doel …

De kat die nog altyd achter de kachel zit on her right place —allons, Roletten en Van Twisten, neemt er 'n voorbeeld aan! —de kat is m'n getuige dat m'n pen krast als 'n raaf. Dat ik voortschryf met de snelheid van twintig knoopen in de sekonde. Sneller, sneller, ik schrijf als de bliksem, 't papier siddert, de inkt spat … vooruit … vooruit! Wat al letters noodig om dat woord te spellen, wat al woorden om dien zin te ronden … geen tyd, geen tyd … vooruit! De gedachten dringen my, stuwen my, overstelpen my. Er woelen en tournooien meer Don Quichotten in m'n hoofd, dan ooit werden afgeranseld door 'n onridderlyke wereld.

Waarachtig, ik heb geen uitweiding noodig om m'n blaadjes te vullen!

En—praktisch-overtuigend, naar ik hoop!—indien dit het geval ware, zou ik me wel wachten m'n fabriekmerk te bederven door u zoo'n denkbeeld in 't hoofd te zetten. Waar ik uitweid, doe ik dit omdat het me lust. Eenvoudiger reden zal er wel niet kunnen bestaan. Maar ik wyk niet af van m'n onderwerp, al schynt het zoo. Er is nauw verband tusschen m'n sympathie met den lyder van den Don Quichot—Ťschryverť noemen ze dat!—en deze filippika tegen specialiteiten. Ook my zal men hier-en-daar koddig vinden …

Bovendien, de verhandeling die nu volgt over de aller-scherpste kausticiteit van den baron 'T EEN-OF-ANDER, behoort integraal:



tot de geschiedenis van jonker FRITS,

tot de geschiedenis van 't parlementarismus,

tot de geschiedenis van onze eeuw,

tot de geschiedenis van zaagdeuntjes,

tot de geschiedenis van den Baäls-dienst der SPECIALITEITEN.


tot alle mogelyke geschiedenissen alzoo …

ŤVermaakt er u meeť gelyk de groote kinderdichter HIERONYMUS VAN ALPHEN, enz.


* * * * *

De baron van 'T EEN-OF-ANDER ging by buren, vrienden, magen, huis- stad-land-provincie-stand-en geloofsgenooten, voor 'n goed mens door. En ook hyzelf hield zich daarvoor. Maar hy werd door zichzelf en anderen miskend. De man was meer dan 'n goed mens. Hy was 'n diepdenkend wysgeer. Een ware Amerikaansche padvinder in de geheimenissen van het Zyn. Hy was 'n speurhond, 'n jagtvalk, 'n fret op de jacht naar waarheid. En wat-i vond, wist hy geestig te uiten. CERVANTES was niets by hem. Zelfs ik niet.

En—dit verheft hem nňg hooger, indien er hooger standpunt denkbaar is—hy was zoo fondamenteel-ingekankerd nederig, zoo evangelisch- kinderlyk onnoozel, dat de rechterhand van z'n oordeel niet wist welke paarlen de linkerhand van z'n welsprekendheid te-grabbel gooide. Als gy en ik, lezer, zeggen dat we onszelf als dom of onwetend beschouwen, houden we ons maar zoo. We beweren, eigenlyk op den keper beschouwd, heel intelligent te wezen. Ik noem dus zoo'n voorgeven maar nederigheid aan den buitenkant. Maar onze baron was inderdaad even sterk overtuigd van z'n intellektueele onwaarde, als anderen van de fatsoenlyke noodzakelykheid om zich nederig voortedoen.

Lang leve dus de baron 'T EEN-OF-ANDER.

Maar, nogeens, hy werd miskend. Indien gy me nu al hierin op m'n woord gelooft, lezer, zult ge toch zeker verwonderd zyn te vernemen dat onder al die miskenners iemand is die u van naby bestaat, of dien ge, volgens het opschrift van den Delfi-tempel—ook al tot deun verlaagd! —iemand dien 't uw plicht was van zeer naby te kennen. Ik bedoel uzelf, lezer. Gy, gy, gaaft onzen baron van 't E.O.A. niet wat hem toekomt. En ook omtrent my hebt ge misdreven. Ik stelde u goedmoedig in-staat den man te beoordeelen, te vereeren, te aanbidden, en ge gaat voorby alsof er niets geschied ware! Ik zal me moeten getroosten de geschiedenis van jonker FRITS nogeens te vertellen, in de hoop dat ge ditmaal wat minder … lieve hemel, hoe moet ik zeggen om niet bybelsch- onbeleefd te zyn? Ik bedoel dat ge 't parelsnoer in eere houdt, dat ik u—'t is 'n geschenk van den baron—zoo edelmoedig toewierp.

Ik sla nu den buik over. Ook 't geld Ťwaarom 't goddank niet te doen is.ť En we stappen rechtstreeks toe op de schatkamer der wysheid …

Zie, gierig is-i niet. Daar geeft hy ons dezelfde kostbaarheid nogeens:

–Een mens moet toch iets zyn, hooren we hem andermaal zeggen.

Eigenlyk is m'n geschiedenis van jonker FRITS hier uit. Of althans ik behoefde, wčl beschouwd, niet voorttegaan die te schryven. Want, ňf de lezer valt flauw van bewondering voor 't genie dat ik sprekend invoerde, ňf hy valt niet flauw, en is dan niet waardig de schoenen van den flauw-gevallen lezer te poetsen, laat staan 't slot van deze vertelling te vernemen.

Ik schryf dus nu 'n tijdje voort, voor m'n eigen liefhebbery.

–Juist, edele man, juist! De mens moet, om niet niets te zyn, iets wezen! En gyzelf?

–Dykgraaf, lid van …

–Precies! Lid van … een-en-ander. Baron van … 'T EEN-OF-ANDER. Welnu, ik heb u—de eene helft van m'n lezers ligt in zwym, 't is uw schuld, verheven wreedaard! De andere helft is bezig met geen schoenen te mogen poetsen—ik heb u, dykgraaf, baron, en lid van … een-en-ander …

–Ook van 't Bybelgenootschap …

–Ook van 't bybelgenootschap! Ik heb u … een-en-ander te zeggen. Ik groet u met den naam van … een-of-ander.

–Niet waar, 'n mens moet iets zyn?

–Heel juist! En niet alleen iets, maar zelfs … een-en-ander.

Ge zyt dus … Dykgraaf? Ge zyt lid …

–Van een-en-ander. En van 't Zendelinggenootschap! En van de Schoolkommissie! En van den Vredebond! En van 't Roode Kruis! En van 't Blauwe! En van …

–Om der liefde wil, overstelp me niet! 't Is om te bezwyken.

–En van de Javaannut-maatschappy!

–Hou op! Het duizelt me. Maak m'n lofzang niet onmogelyk door overkoking van de stof. Ge zyt, om iets te zyn …

–Och, ik beroem er me volstrekt niet op. Reeds m'n papa was regent van 'n oude-mannenhuis. En hy zei altyd dat 'n mens …

–Een mens moet iets wezen. En uwe zalige papa wŕs iets.

–Hy was regent van 'n oude-mannenhuis. Ook gewezen oud-garde-noble van koning LOUIS. Want, 'n mens, zoo zeid-i altyd, 'n mens …

–Een mens moet iets zyn. Ik zie het, ge zoogt met moedermelk der vadren wysheid in. Om uwen lof …

–Lieve hemel, ik wist niet …

–Dat ge zoo verdienstelyk waart? Zoo-even vertelde ik reeds een-en-ander …

–Zoo heet ik.

–Ja zoo heet ge, en dat zyt ge! Nu, ik deelde iets over uwe nederigheid aan m'n lezers mee. We zullen haar echter niet ontzien. Ik schroom niet u te zeggen dat ge reeds vóór uw geboorte een groot man waart door de verdienste van uw vader die, om niet niets te zyn, zich garde-noble had laten maken, en regent van een besjes-gesticht …

–Van 'n oude-mannenhuis!

–Van 'n oude-mannetjeshuis! Ge waart voorbeschikt … een-en-ander te zyn. Ge voeldet uw roeping, gy ruimdet alle hindernissen uit den weg, ge verhieft u boven stof en onstof, ge zweefdet en doorvleugeldet …

–Gut, ik wist niet dat ik zooveel byzonders uitrichtte. Ik ben dykgraaf geworden, en lid van …

–Van een-en-ander!

–Ja, omdat m'n vrouw zei dat het rondslenteren van 'n man in huis, zoo lastig was voor de booien, en dat m'n gekibbel met de tuinknechts 't humeur bederft. Ook heb ik aanleg tot zwaarlyvigheid.

Dit was zoo. We zagen dien buik reeds optreden als getuige tegen de mogelykheid van geldgebrek.

–Ik werd wat dik. En als dykgraaf doe ik nu ééns in de maand 'n toertjen om de zitting van 't kollegie by te wonen. Want ik zeg maar, 'n mens moet …

–Een mens moet iets zyn. Juist daartoe heeft de goede Voorzienigheid ons hoog-water gegeven, om 't mensdom instaat te stellen tot het voortbrengen van dykgraven. Neem 't water weg, geen dyken. Zonder dyken, geen Graven. Zonder Graven … 'n man te veel over den vloer, en gekibbel met de tuinluî. Allah akbar … m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER, allah akbar! gelyk de groote Profeet zoo wél gezegd heeft, zonder nog iets te weten van dykgraven en hoog-water. Ge moet iets zyn. Gy hebt het gezegd. Niet de waanwyze PYTHAGORAS heeft ditmaal gesproken, maar gy, gy, gy! Wát hebt ge gezegd? De mens moet iets zyn. Hoe hebt ge dat gezegd? Met de daad bewyzende dat ge oprecht waart. Gy wérd iets, dykgraaf en … een-en-ander. Waarom hebt ge 't gezegd? Omdat uw verheven vader lid was in 'n besjeshuis …

–Regent van 'n oude-mannenhuis …

–Regent van 'n ouwe-mannenhuis! In welke omstandigheden hebt ge 't gezegd? Te midden van Ťbooienť dien ge in den weg liep, en kibbelend met 'n tuinknecht. We kunnen nu overgaan tot de schepping der wereld. In Genesis I vers 27, zien we den mens verschynen. Dat was zoo'n groote kunst niet, en wel beschouwd is Adams verdienste in dit opzicht bitter klein. Gy, Adam II, vergenoegdet u niet met de verschyning … ge zaagt in, dat men iets wezen moest, en liet u dykgraaf maken, en lid van … een-en-ander.

–Maar ik wist inderdaad niet …

–Verheven onkunde! Schitterend wanbesef van eigen volkomendheid! Nederigheid in oneindige machtsverheffing! Ge wist het niet? Welnu dan, ik zal u eens al uw verdiensten terdeeg onder 't oog brengen. Ryk was uw vader, en ryk zyt gy …

–Ja, om 't geld is het me goddank niet te-doen.

–Dat hoorden we zoo-even, toen gy uwen buik streeldelt. Ge waart ryk, maar met uw scherpzinnigheid zaagt ge in dat alle boeren achter uw rug u uitmaakten voor 'n stommerik, die geld had … maar ook niets dan dat.

–'t Is waar, er is lomp volk onder die boeren.

–Toch niet, Lomp zouden ze geweest zyn, indien ze u zoo-iets in 't gezicht hadden gezegd. Laat ons voortgaan. Straks zal de eene helft van m'n lezers ontwaken uit z'n flauwte, en dan moet ik u verlaten. Ge hebt gevoeld … eigenlyk … wel beschouwd … van zeer naby bezien … niemendal te wezen! Sjt … sjt … spreek me niet tegen, uit nog verder gedreven nederigheid. Uw scherpzinnigheid en zelfkennis is buiten twyfel en buiten debat. Uw vader in 't besjeshuis …

–Regent van 't oude-mannenhuis.

–Uw vader, de regent van 't ouwe-mannetjeshuis, was in den hemel. Om daar te komen moet men iets zyn. En hy werd toegelaten als gewezen oud-garde-noble van koning LODEWIJK. Ge hoopt uw vader weertezien, en wilt niet beschaamd staan op de vraag: wie klopt daar? Uw adreskaart moest boeren, tuinluî, huisbedienden en hemelwachters eerbied inboezemen. Het besef uwer onwaarde deed uw omzien naar allerlei lidmaatschappen waartoe men nullen gebruiken kan. Uit schaamte over uw nutteloosheid zocht ge naar gelegenheid om iets te schynen. Gy eet, drinkt, slaapt, als 'n beest. Gy geniet en verteert als 'n beest … maar veel meer dan 'n beest. Als 'n rivierpaard scheert ge de oevers kaal, en bracht niets voort …

Ja toch! Hy bracht wel iets voort: FRITS!

FRITS, die sedert het begin myner vertelling 'n knappe jongen van twee-en-twintig jaar is geworden, stapt de kamer in. De lezers, die tot straf van hun botheid geen schoenen mochten poetsen, worden weer ten-gehoore toegelaten. Ook de anderen zyn weer by-de-hand.

In 'n jaar of acht kan veel gebeuren, en zoolang duurde het meegedeeld gesprek.

FRITS was na de vaderlijke ontdekking dat 'n mens iets wezen moet, naar 'n schoolmeester gezonden die de specialiteit beoefende jongens Ťklaartemakenť voor Medemblik en Breda. Als adelborst had hy niet slechter opgepast dan de anderen, was naar zee gezonden, maakte één reisje naar de Middellandsche zee, één naar de West, één naar Indie, vond daar z'n aanstelling tot luitenant tweede klasse, en was onlangs Ťthuis-gevaren.ť

Hy was by z'n kameraden … Ťbemindť is 't woord niet, doch daar hy niemand in den weg stond, behoefde niemand zich de moeite te geven hem te haten. Z'n chefs waren over hem tevreden, omdat hy hen nooit door iets buitengewoons lastig-viel met de noodzakelykheid eener byzondere behandeling. Als prachtexemplaar van alleronbeduidendste ordinairheid, was hy juist intelligent genoeg om z'n dienst te doen zooals hy die geleerd had, zonder ooit zich te wagen aan eenig pogen dat hem niet geleerd was. Hy betoonde zich omtrent alles wat niet letterlyk was voorgeschreven, niet onverschilliger dan anderen, zoodat hy zelfs in slordigheid of dienstverzuim zich wist te onthouden van uitstekendheid. Op onderscheiding had hy geen andere aanspraken dan dat-i niet de minste aanspraak maakte op onderscheiding, en tot berisping gaf hy niet meer aanleiding dan noodig was om onschuldig te zyn aan sarrende vlekkeloosheid. Als onnut nummer op den traktementstaat was de goeie jongen zoo onschadelyk als die nutteloosheid maar eenigszins gedoogde, en wie hem 'n Ťslothoutť noemde, zou wčl de waarheid maar niet ŕl de waarheid gezegd hebben, wanneer-i verzuimd had daarby te voegen: zulke dingen moeten er óók zyn. Kon FRITSJEN 't helpen dat anderen in die behoefte voorzagen, en dat hy dus—ook als zóódanig—wel eenigszins overkompleet was?

In land en volkenkunde bragt onze held het tot den Voyage en Orient van LAMARTINE, om iets te weten te komen van Smirna, toen hy daar voor-anker lag. De oude heer van 't EEN-OF-ANDER was verbaasd over de poëtische kennis, de klassieke belezenheid, en de geleerde poëzie van z'n zoon, die reeds, na slechts één vyg te hebben gegeten, precies wist waar Troje gelegen had en welke indrukken de nabyheid dier plaats in elk rechtgeaard Orient-lezer behoort optewekken. Onze dykgraaf prepareerde z'n kollegaas op 'n verhandeling over den loop van den Simoďs, welks oevers sedert HOMERUS' tyd allermiserabelst bleken verwaarloosd te zyn. Hy was volkomen in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak tot behoorlyke klaarheid te brengen, want z'n eigen zoon at vygen op de ree van Smirna. Als er nog ééns zoo'n brief van FRITS kwam, zou hy …

Helaas, de Simoďs moest zich getroosten ongedykt te blyven. Juist was de oudeheer bezig z'n vrienden Ťpreciesť uitteleggen hoe die zaak in elkaar zat, en met natten vinger—dat wil in onzen tyd zeggen: met z'n rotting in 't zand—aantewyzen …

		fera proelia
		Pingit et exiguo Pergama tota mero.
		ŤHac ibat Simoďs, hac. est …

Och, de moerteekening kwam niet gereed. Onze dykgraaf zou juist overgaan tot het betoog dat die

		Priami regia celsa senis

vierkant in den weg stond en onteigend behoorde te worden, toen de postbode berichten kwam brengen uit Konstantinopel, die de kleur droegen van 't romannetje dat LAMARTINE verving, en vóór de oudeheer gereed was met precies-weten wat er haperde aan de gezondheid des Turkschen ryks, leverde Bairout stof tot sterk naar azyn riekende therapeutische beschouwingen over de cholera, afgeschreven uit het quarantaine-reglement dat door 'n stuurmansleerling netjes in 'n lysje was opgehangen in den longroom. Juist begon onze dykgraaf zich heel specialiteitig voortedoen aan den plattelands-heelmeester—jonker FRITS zelf had uit de mars door 'n kyker de lykstatie van 'n slachtoffer der ziekte waargenomen—toen de geest der brieven alweer veranderde, omdat FRITS kiespyn had. De chirurgyn-majoor had den armen jongen naar den tweeden dokter verwezen. Deze naar den derden, geloof ik …

–Ja, de geneeskundige dienst by de marine laat veel te wenschen over, had de heer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd, na het lezen van FRITSJENS stuk over dit onderwerp. Het stond Ťop poten!ť De oudeheer zou daarvan eens terdege werk maken. Hy was nu in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak intedyken. Z'n eigen zoon had kiespyn aan boord van 'n oorlogschip. Wat wil men meer?

Lang voor de reorganizatie van den geneeskundigen dienst ter-zee—die uit dit alles niet voortvloeide—lag onze FRITS op de Kommewyne in 'n korjaal te dutten, die hem wiegelde naar 'n plantage waaruit z'n overgrootvader veel suiker, welvaart en welgeslaagde pretensie getrokken had. Uit oude betrekking at en dronk hy daar zeer vergenoegd, en kopieerde 'n paar artikels uit Surinaamsche couranten, over—voor of tegen, dit weet ik niet—over den slavenhandel. Z'n beschouwingen werden afgebroken door taalkundige opmerkingen over 't negerengelsch, en de gemakkelykheid waarmee men zich dat diepzinnig idioom kan eigen maken. Na slechts twee dagen verblijf namelyk wist hy zich met 'n onbeschroomd Ť_mi no sabi_ť[4 - ŤIk weet het niet.ť] overal verstaanbaar te maken.

Zoo was dan eindelyk de kwestie over den West-indischen Vryen-Arbeid tot staat van wyzen geraakt! De oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER voelde zich bevrucht van wysheid, en begon nu duidelyk intezien dat:

Ť_het verschil van rassen_ … de vrygeboren mens … Europeesch overwicht … graadwydte van den menshoek … Engelsche huichelary … konkurrentie van den beetwortel … WILBERFORCE … edel pogen … KAĎN … verstoktheid van die andere party … bybelsche oorsprong der slaverny … UNCLE TOM …ť

Kortom, hy voelde zich in-staat, genegen en byvoegd—Specialiteiten vóór!—om die zaak allergrondigst te behandelen. Z'n eigen zoon lunchte op 'n plantage aan de Kommewyne, en kon in zuiver negerengelsch verzekeren dat hy iets niet wist. Zou dan de vader niet weten hoe die emancipatiekwestie in elkaar zit? FRITS-zelf had nu 'n footboy met dikke lippen en witte tanden. Zou dan FRITSJENS vader geen verstand hebben van slaverny?

Maar och, 't ging weer als met de indyking van den Simoďs. Lang voor 't slechten of ophoogen der zandlaagjes die de slaverny moesten bedwingen of beschermen—ik verdenk FRITS dat hy, na 't breakfast, brokstukken van tegenvoeters aan elkaar lymde—lang voor de oudeheer gereed was met z'n allerduidelykste uiteenzetting van de zaak, was FRITS te Batavia, waar-i alweer 'n schat van ondervinding opdeed.

In straat Sunda namelyk had 'n zwervende visscher geweigerd zich voor een aan de matrozen geleverd zoodjen ikan kakap te laten betalen met 'n stuk spek en twee verroeste schaatsen. De man was Ťbrutaalť geworden, en daarop door Janmaat geslagen. De arme kadraaier sprong over-boord, en betaalde zich—voor visch en mishandeling niet te duur waarachtig! —met 'n oud wollen hemd dat-i in de vlucht meenam.

Eenige maanden na dit voorval verklaarde zich de oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER in-staat, genegen en bevoegd—Specialiteiten vóór!—om 't Indisch vraagstuk optelossen. Hy-zelf had nu 'n zoon die perfekt Maleisch verstond. Andjieng belanda! had de vluchtende visscher geroepen. Dit woord stond—met rang van citaat[5 - Een citaat is het, en wel 'n historisch. Ť_Ietoe andjieng belanda bakkelahi sama tahi_!ť riepen de Jakartanen. By eigen ervaring weet ik dat de in dat verwyt gekenschetste nationale hebbelykheid nog altyd in volle kracht is blyven bestaan.]—in FRITSJENS brief, die van 't voorval melding maakte en 't aanbeval als tekst voor 'n verhandeling over Indische toestanden.

–De jongen is vlug! Pas ruikt hy 'n land, en hy verstaat de taal al!

Alzoo:

Ť_Mensenrecht_ … Nederlandsche beschaving … zweet van voorvaderen … oogmerken van Voorzienigheid … débouchés voor Enschedésche fabrieken, voor de jeneverstokeryen te Schiedam en andere evangelien_ … handelmaatschappy, konsignatiestelsel, indigo, zeeroof en welmeenendheid … heil des vaderlands … verstoktheid van die vervloekte andere party … zeer beminde koning … bedrogen raadsleden der kroon … en—Specialiteiten vóór!—bevoegdheid!ť

Wel zeker: bevoegdheid! FRITS-zelf immers had 'n Javaan Ť_andjieng belanda_!ť hooren zeggen.

't Is weer te betreuren dat de rykdom van slof in volgende brieven, den ouden heer VAN'T EEN-OF-ANDER onvruchtbaar maakte door overmaat van bevruchting. Pas had hy 'n zaak goed begrepen, of hy werd zoo specialiteitig beziggehouden met het doorgronden van 'n andere, dat hem de tyd ontbrak daarvan iets meetedeelen op de right place. Toch ging er niets verloren. De Natuur is weldadig. Zy zorgde er voor dat het Meesterwoord bewaard bleef in de gemoederen van de onmiddellyke omgeving des edelen EEN-OF-ANDERS! Wat hy niet kon plaatsen by 't Nederlandsche Volk, werd meegedeeld aan den dorpsbarbier, den tuinman, den notaris en de keukenmeid. De heele omtrek werd aldra doorsuld met kennis van Indische zaken, en toen FRITS eindelyk de kraan zyner openbaringen zóó ver openzette, dat er 'n kistjen Ambonsche-bloemenolie, 'n paar potten atjar bamboe, en 'n Ťpauwveeren sigarenkokerť uitspoot, die hy-zelf gemaakt had van bamboe … zie verder in voce: Droogstoppel, Havelaar, hoofdstuk zeventien.


* * * * *

—En nu, papa, nu moet ik je zeggen dat ik genoeg heb van dat zwalken en zwabberen op-zee. 't Is 'n hondebaantje. Ik wil m'n onslag vragen.

Met deze woorden heeft FRITS de mededeeling gestoord van 't gesprek dat we zoo-even afbraken om hem acht jaren tyd te gunnen tot schoolgaan en iets-worden.

–Ga je gang, jongen, zei papa. Om 't geld …

De buik werd tot getuige geroepen.

–En bovendien, waarom zou je tegen je zin varen? Je bent nu toch iets, niet waar?

Wčl zeker! FRITS kreeg z'n ontslag, en was …

Een mens moet iets zyn!

FRITS bekleedde op z'n twee-en-twintigste jaar de zeer gewichtige betrekking van gewezen zee-officier die niet langer zwalken en zwabberen wou.

Maar hy wilde nog meer zyn. Hy maakte zich echtgenoot, vader en, na papa's dood, dykgraaf. Daarna … waarachtig, FRITS wčrd een-en-ander!

En, toen dat een-en-ander hem verveelde, als vroeger 't klein eindje zeeleven dat-i byna niet geleid had, toen hy met voorvaderlyke nederigheid begon te bemerken:

dat hy in-weerwil van z'n iets, nog altyd nagenoeg niemendal was, dat-i de Ťbooienť in den weg liep, dat z'n vrouw hem aanzag voor 'n keukenpiet, dat de tuinluî hem lastig vonden, dat de eerbied van z'n ethnologische kennis van over-zee aan 't verflauwen was, dat mi no sabi en andjieng belanda zeer gewone stop-en scheldwoorden waren geworden, waarmee men geen bakker meer foppen, geen stalknecht meer beleedigen kon, dat het prestige van echtgenoot, vader, grondbezitter, dykgraaf en … een-en-ander, begon te slyten, dat de boeren …

Och! 't was niet uittehouden!


* * * * *

Ť_Van-tyd tot-tyd openbaart zich de behoefte aan specialiteiten op treffende wys. Het vaderland dat op al de krachten zyner kinderen een heilig recht heeft … nogeens: 't vaderland … de ontzaggelyke voorvaderen … geliefd vorstenhuis … de kiezers … de grondwet … de onschendbaarheid des konings … donkere wolken aan den horizon … hoogstopmerkelyke, alle grenzen te-buitengaande, nooit_-dagewesene, byzonder-afschuwelyke, eigenaardig-duivelsche, alle goddelyke en menschelyke wetten met voeten trappende, maar au fond door ongeëvenaarde domheid volkomen onschadelyke en slechts belachelyke of deerniswaarde, gemeene ŕndere krant … juist oogenblik voor alle welgezinden … God en Oranje … vuige belagers van volkswelvaart … zeeleeuwen … worstelstryd … mannen die vaststaan in de uren des gevaars … vertrouwen zyner medeburgers … zeer geacht in 't distrikt welks belangen hy—met edele miskenning altyd der rechten van alle andere kiesdistrikten—alleronpartydigst zal voorstaan … de zoon van een geachten vader die dykgraaf was, en een-en-ander … kleinzoon van 'n gewezen-oud-garde-noble … hoop dat hy zich de keuze zyner medeburgers zal laten welgevallen … dóór-en-door-kundig, fatsoenlyk, doorkneed in alles en een-en-ander … toewyding aan de zaak des dierbaren Vaderlands … verregaande, het fabelachtige voorbystrevende, niet zelden in krankzinnige offerzucht overslaande onbaatzuchtigheid … right man … right place … en vooral de behoefte aan een deskundige in de volksvertegenwoordiging, by de behandeling der zoo vaak en voortdurend verwaarloosde marinezaken …

FRITSJE krygt meer stemmen dan er ooit onverstaan wegstierven in de woestyn die maatschappy heet.

FRITS—'n mens moet iets zyn, gelyk z'n zalige vader de dykgraaf baron VAN 'T EEN-OF-ANDER zoo wčl gezegd had—FRITS is iets!

Het bloed der besjeshuizen kruipt waar 't niet wandelen kan: onze FRITSJEN is iets!

Neen—allen goeien geesten van dooie oud-gewezen garde-noble's in 'n besjeshuis, lof en dank!—FRITS is zelfs méér dan iets!

Hy die zoo kort geleden nog niets, niets, volstrekt niemendal zou geweest zyn, indien hy niet gewezen zee-officier geweest was, die niet langer zwalken en zwabberen wou …

Hy werd op eenmaal: de gids der gidsen, de voorlichter der voorlichters van de natie, de tooveres, de Pythonisse, de Apollo van Endor, Dodena en Delfi, de Jupiter-Ammon van Opper-Egypte, de Velleda van 't Haagsche Binnenhof—met vergunning de uniform te mogen dragen van de korpsen waartoe al die dames en heeren behoord hebben—de hoofd-réverbčre op de vuurbaak van 's lands welvaart, de Noordster waarop de hulk van 't zinkend Vaderland den vermoeiden steven richt, en … nog een-en-ander.

FRITSJEN, is als right man on the right place, SPECIALITEIT in de Tweede Kamer!

En zeg nu eens, als ge durft, dat de wegen die Nederland betreedt, niet goed geveegd worden, en dat de Hollandsche broodjes van Staat oneetbaar zyn!




V—MV


Deze duizend-en-één hoofdstukken worden door den uitgever gesupprimeerd, omdat ze niets behelzen dan vervelende varianten van Fritsjens geschiedenis, met verandering slechts van naam en beroep. We hebben hier te-doen met Fransje die in kavallerie deed, en Cornelis die in-dienst was geweest by de straatslypery. Lukas wordt ter behartiging van 's Lands belang opgeroepen omdat hy verstand heeft van kousenweven, en Steven geniet de eer in hoedanigheid van industrieel-windmolenaar. Kareltje komt op 't kussen om z'n verdiensten als Indisch parvenu … enz. enz.

Nadat de hoofdspecialiteiten door den schryver onder dak zyn gebracht, gaat hy over tot de onderdeelen. We krygen speciaal-Fritsjens van groote vaart en kleine vaart, van stoom-kust-oceaan-rivier-en trekvaart, van kanonneer-glad-driedeks-monitor-en modder-marine, verdeeld in zooveel deelen als de deelbaarheid van den modder, enz. maar eenigszins toelaat, altemaal specialiteiten. Daarop volgden Cornelissen van hoofdstraten en bywegen, van stoepen, trottoirs, stegen, achterbuurten en cul-de-sac's. Fransjens van lichte, zware en middelbare kavallerie, tot en met huurkoetsiers, palfreniers, stalknechts en ezelmelkers … altemaal specialiteiten. We worden voorts onthaald op industrieelen die kousen weven voor heeren en voor dames, voor negers en negerinnen, kousen met en zonder klinken, Japansche kousen met duimen, kousen zonder naad, kinderkousjes, sokken en slaapmutsen in alle mogelyke sorteeringen. Op Lukassen die graan malen, Lukassen die hout zagen, Lukassen die niets malen, en zelfs den wind verwaarloozen waarmee ze niets malen. Daarop volgen de Lukassen van Noordewind, van Zuid- westewind, van N.N.O. t. N. 1/2 Oostewind … kortom, zooveel Lukassen als er stralen schieten uit het middelpunt van de kompasroos. Het spreekt vanzelf dat de Indische fortuin-industrieelen worden onderverdeeld in koffi-suiker-thee-indigo-tabak-en kaneel-parvenus. In-binnenlandsche-buitenpost-en hoofdplaats-parvenus. In juridische, administratieve, militaire en civiele parvenus. In vryarbeids-en kultuurkontrakt-parvenus. In rystopkoop-parvenus. In toko parvenus. In Maleische, Soendahsche, Javaansche, Battaksche Dajaksche, Alfoersche, en Papoeaparvenus … altemaal specialiteiten van specialiteiten, en daarvan de zeer byzonder uitgeknipte onder-specialiteiten.

Indien er voor het weglaten van al deze smakelooze hoofdstukken verschooning noodig waren, zou er ruimschoots te vinden zyn in des schryvers blykbare onkunde, daar hy niet eenmaal schynt te weten dat er in onze Tweede Kamer voor zooveel specialiteiten geen plaats is, een blunder die hem eens-voor-al onbevoegd maakt tot …




MVI


Nu, als de uitgever die hoofdstukken niet wil laten drukken … my wel! Ik heb den lezer in-staat gesteld ze zelf te schryven, en noodig hem daartoe uit.

Maar eilieve, zou er in onze Tweede-Kamer inderdaad geen plaats zyn voor al die kinderen der heeren VAN 'T EEN-OF-ANDER en myner fantazie? Is dit waar?

Zeker! Duizend-en-één individuen kunnen niet geplaatst worden op slechts zeventig orakel-drievoeten.[6 - Er zyn er nu 'n dozyn meer, maar gemakshalve zal ik ze septuaginters blyven noemen. ŤElf-en-dertigersť zou ook 'n goede benaming zyn.]

Welk nut doet dan de enkele dien men daar wčl plaats geven kan?

Heeft de specialiteit meer dan één stem?

Neen!

't Is toch jammer dat het balletje waarmee hy voteert, geen grein zwaarder weegt dan 't kogeltje van z'n buurman die Ťzich niet zoo heel in 't byzonder heeft toegelegdť op de zaak die aan de orde is. De specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestien van industrie, handel of landbouw. Navita de tauris, de ventis narrat arator. De Latynsche spreukspreker was in de war, zooals men ziet, en 't was hoog tyd hem te korrigeeren. Gelyk we doen by dezen.

Zeventig uitverkorenen zullen 't land gelukkig maken. Daartoe is 't wčl behandelen van elke voorkomende aangelegenheid noodig. Die aangelegenheid behoort altyd tot zeker vak, tot zeker onderdeel van menselyke kennis of kunde. In de vergadering bevindt zich 'n individu die in zoodanig vak gediletteerd heeft. Hy moet het weten. Maar … welk nut trekt dan 't vaderland van de andere negen-en-zestig? Zyn ze niet, wel beschouwd, nogal overtollig of zelfs schadelyk? Is 't niet te vreezen dat ze ňnspecialiteitig mee-narreerende over winden en koeien—mee-stemmende wat erger is!—den dilettant-specialist zullen óvernarreeren, óverstemmen?

Komaan, ik wil goedig zyn, en al de valsche specialiteiten die m'n uitgever zoo boosaardig supprimeerde, verheffen tot wáre specialiteiten, tot inderdaad kundige, in hun speciaal vak door-en-door bedreven personen … dan zelfs, en dan juist, vraag ik of zy in de volksvertegen- woordiging on their right places zyn?

Ik geloof het niet.

Een goed militair zeeman die tevens de bosse heeft van bevelvoeren en organizeeren, behoort als right man aan 't hoofd van de vloot, en alléén te staan. Men mŕg zoo'n schat niet bederven, door hem amalgameerend wegtestoppen onder zeventig. Tegen zoo'n alliage is 't edelste goud niet bestand.

De Tweede-Kamer is immers geen kudde wyfjesschapen, waarvan men 't ras verbeteren kan, door 't aankoopen van 'n Thibetbok of Merino?

En zoo'n ingevoerde hamel mag nog 'n flinken bel aan den hals dragen, terwyl de Kammerras-verbeteraar by elke poging tot uitvoering van z'n speciaal mandaat, heel beleefd verschooning en permissie moet vragen aan 't geacht schaap uit een of ander kiesdistrikt, dat hy moeder wil maken van wat kunde.

Die laatste zinsnede is minder scherp dan men meent. Het gebeurt meer dat men den naam dien ik geef aan 'n bestaande zaak, aanstootelyk vindt, terwyl ik beweer dat de aanstoot behoorde gegeven te zyn door de zaak-zelf, die vaak ruwer verwyt meebrengt dan myn woorden. De niet-specialiteiten zien voorby dat zyzelf begonnen zich tot nullen te maken door waarde te hechten aan de meeningen der onnoozele FRITSJEN.

En ook wanneer de speciale kennis van 'n lid inderdaad boven zoo'n armzalig dilettantisme verheven is, volgen er uit de verkeerde toepassing van 't right place-stelsel, allerlei ongerymdheden. Het drukken op de byzondere bevoegdheid van den één immers, sluit de betrekkelyke—soms volsterkte—onbevoegdheid der anderen in zich. De splitsing der intellektueele waardigheid van 'n vergadering, in zooveel onderdeelen als er speciale vakken in die vergadering vertegenwoordigd worden, brengt hare waarde terug tot de opgetelde cyfers der individueele intelligentien die men tot 'n som vereenigen wilde, een poging altoos, waartegen de ongelyksoortigheid der deelen zich logisch—en dus triumfantelyk—verzet.

Gegeven: 'n schaakspeler, 'n kannibaal, 'n schaatsryder en 'n hansworst, die zich vereenigen om viribus unitis iets beters te leveren, dan aan elk hunner in 't byzonder mogelyk was. Meent men dat die Tweede-Kamer van vier leden, beter dan de schaakspecialiteit alleen, 'n nieuwe gambit-kombinatie zal tegenspelen? Dat ze meer personen zal verslinden dan het tweede lid orberen zou wanneer-i zich in eenzaamheid aan z'n vak van menseneten kon toewyden? Dat die leden 't met hun vieren zouden winnen van nummer drie, in 'n kunstig beentjen-over? Dat ze ons hartelyker zouden doen lachen dan de laatste, overgelaten aan z'n invidueele vis comica?

Ik vergis me. De komieke specialiteit moet te-kort-schieten by den kollektieven indruk dien-i maken zou cum sociis!

En meer ongerymdheden! A is bekwaam in zeker vak, en erlangt daarom en als zóódanig 'n plaats in de Volksvertegenwoordiging. Maar, ook vele anderen zyn in dat vak bekwaam, en hebben dezelfde aanspraken al hy. Sommigen zelfs staan als specialiteit hooger aangeschreven in de meening hunner kollegaas die hierover, als zeer speciale specialiteiten




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/multatuli-5452242/specialiteiten/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Een maand later. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kňn. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden … er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten!

Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk.

De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy de Noten en Toelichtingen overbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming, loisir noodig. Zoodra ik kŕn!



    MULT.




2


De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van den vierden druk).

The right man on the right place.




3


Wel zeker! Ť_Hy is op die plaats de rechte man_ť of: Ť_die_ plaats is voor hem de rechte.ť Zóó zou zich iemand uitdrukken, wiens denkvermogen zich de weelde van eigen equipage kan veroorloven en dus niet met huurfrazen behoeft te ryden.




4


ŤIk weet het niet.ť




5


Een citaat is het, en wel 'n historisch. Ť_Ietoe andjieng belanda bakkelahi sama tahi_!ť riepen de Jakartanen. By eigen ervaring weet ik dat de in dat verwyt gekenschetste nationale hebbelykheid nog altyd in volle kracht is blyven bestaan.




6


Er zyn er nu 'n dozyn meer, maar gemakshalve zal ik ze septuaginters blyven noemen. ŤElf-en-dertigersť zou ook 'n goede benaming zyn.


