Cornelis Johannes Kieviet
Kennemer Vrijbuiter





Cornelis Johannes Kieviet

DE KENNEMER VRIJBUITER



Voor het tweede deel der serie Historische Jongensboeken, welke van mijne hand het licht zal zien, heb ik tot stof gekozen enkele episoden uit het leven der Kennemer Vrijbuiters, wier heldendaden wel waard zijn onder de aandacht der jongere lezers gebracht te worden. Hun moed en vaderlandsliefde behoeft in geen enkel opzicht onder te doen voor die van mannen als Tromp, De Ruyter en zoovele anderen, wier namen bij elken Nederlandschen jongen terecht bekend zijn. De lauwerkrans, waarmede het hoofd dezer mannen door den Geschiedschrijver getooid is, zou niet een te grootsche hulde zijn voor de eenvoudige lieden, wier namen in dit boek voorkomen. Onder de moeilijkste omstandigheden hebben zij den strijd tegen den overmachtigen vijand aangedurfd en zoo den grond helpen leggen voor Neêrlands onafhankelijkheid.

Hunne daden, in dit boek beschreven, zijn der Historie getrouw weergegeven, al mag ik niet beweren, dat de chronologische volgorde geheel juist is. Als bronnen zijn door mij geraadpleegd, behalve de gewone geschiedboeken:

H. SOETEBOOM. Oud-Heeden van Zaanland, enz., IIe deel. W. J. HOFDIJK. Kroniek der Kennemer Vrijbuiters. C. EKAMA. Beleg en verdediging van Haarlem. A. BEELOO. Noord-Holland en de Noord-Hollanders.

En voor de lezers, die altoos zoo graag willen weten, wat in een historisch verhaal wèl en wat niet gebeurd is, voeg ik er nog bij, dat Wybe Sjoerds werkelijk gehandeld heeft, zooals in dit boek beschreven is, en dat de inval der Spanjaarden daarvan het gevolg was. Bossu heeft een groot deel zijner troepen aan den Zuiddijk laten ontschepen, en plunderende zijn zij naar Saardam getrokken, waarbij de bewoners òf vermoord werden, òf hun heil moesten zoeken in de vlucht. Brand en roof kenmerkten dien tocht. Ook het plunderen van een 130-tal huizen aan de de Westzijde en het verbranden daarvan, benevens de strooptocht naar Westzaan, zijn geheel historisch. De genoemde Vrijbuiters hebben werkelijk geleefd en hunne daden zijn naar waarheid beschreven. Hetzelfde mag ik beweren van den tocht van ‘t Hoen naar den Heer De Liques, den edelen Spanjaard, die later op zoo ridderlijke wijze zijn eerewoord tegenover den eenvoudigen Vrijbuiter inloste. Het deed mij genoegen, waar ik gedwongen was zoowel van Hollanders als van Spanjaarden, veel ruwheid en wreedheid te moeten beschrijven, ook eene plaats te mogen geven aan de schoone daad van dien Spanjaard. En met blijdschap kon ik haar zelfs eene eereplaats geven.

C. JOH. KIEVIET




HOOFDSTUK I. De boerenhoeve aan den Zuiddijk en hare bewoners.


Meer dan drie honderd jaar geleden, wij schreven Juli van het jaar 1572, verhief de eenvoudige boerenhoeve van Floris Geurtsz. haar nok boven den dijk, die Waterland tegen de dikwijls woeste golven van het Y beschermde, ongeveer ter plaatse, waar de Zaan zich in het Y ontlastte.

‘t Was een veel bewogen tijd. De vrije Hollanders hadden, het vermoorden der Hervormden moede, het gehate Spaansche juk afgeschud, Alva zijn tienden penning geweigerd, en in verscheidene steden de vlag met het roode kruis neergehaald om het geliefde rood, wit en blauw er voor in de plaats te hijschen. Den Briel was door de Watergeuzen ingenomen,

«Op den eersten April Verloor Alva zijn Bril!»

en reeds den zesden April volgde Vlissingen, half Mei Vere, 21 Mei Enkhuizen, daarna Medemblik, Hoorn, Edam, Purmerend, Monnikendam, Alkmaar, en den 3en Juli ook Haarlem. Alleen Amsterdam hield de zijde van den koning, en bleef voor de afgevallen Noord-Hollanders een hoogst gevaarlijke plaats. Immers, hoe gemakkelijk konden de Spaansche troepen die stad als uitgangspunt nemen voor hunne tochten, zoowel naar het noorden als naar het zuiden. En hoe moeilijk moest het den eenvoudigen Waterlandschen boeren vallen, zich tegen den machtigen vijand staande te houden. Holland lag geheel voor den Spanjaard open. Wel was op bevel van den gouverneur Jonkheer Diederik Sonoy hier en daar eene schans opgeworpen, wel lag in Zaandam Hopman Wybe Sjoerds, om zijn Friesche afkomst bijgenaamd Frieseman, met een vendel krijgsknechten, maar dat was voor het bedreigde Waterland slechts eene geringe bescherming, en eene onaangename bovendien, want de bandelooze bewakers maakten het den inwoners geducht lastig en eischten veel meer van hen, dan zij met den besten wil van de wereld geven konden. Die woeste krijgsknechten, aan geen tucht gewoon, stoorden er zich al bijster weinig aan, of zij met vrienden of vijanden te doen hadden, en hielden met de grootste willekeur in de Noord-Hollandsche steden en dorpen huis. Zij eischten, desnoods met geweld, een leventje, of zij Zijne Hoogheid de Prins in eigen persoon waren, en maakten zich aan de grofste knevelarij schuldig. Zij waren dan ook zeer gevreesd en gehaat, en slechts de overweging, dat men van twee kwaden het minst erge moest kiezen, was de oorzaak, dat zij geduld werden. ‘t Waren ruwe mannen, die niets liever deden dan vechten en op den huisman teren, en in boosheid slechts overtroffen werden door de wreede Spanjaarden, die onder bevel van don Frederik de Toledo hun krijgstocht gingen ondernemen, om de afgevallen steden weder tot gehoorzaamheid te dwingen.

Boer Floris, wiens hoeve men het eerst voorbijkwam, als men met een vaartuig het Y overstak en de Zaan invoer, behoorde tot de Hervormden. Reeds zijn Vader had in het geheim den nieuwen godsdienst omhelsd en er zijne kinderen in onderwezen. O, hoe heugde het Floris nog, hoe elken avond de bijbel uit zijn donkeren schuilhoek te voorschijn werd gehaald, en zijn Vader, na deuren en ramen gesloten en gegrendeld te hebben, met plechtige stem uit het gewijde boek de schoone hoofdstukken voorlas aan de huisgenooten. Hoe bestierven hem soms de woorden op de verbleekende lippen, wanneer onverwachts in de duisternis van den avond op de deur werd geklopt. Dan staarden Vader, Moeder, Floris en zijn eenige broeder Jan elkander ontzet aan en hadden gedurende enkele seconden zelfs geen besef, om het verboden boek in zijne schuilplaats terug te brengen. Slechts een herhaald kloppen kon hen tot bezinning brengen. IJlings werd dan de bijbel verborgen, en daarna begaf Vader zich langzaam naar de deur, om niet zonder vrees te vragen, wie zich daarbuiten bevond.

En voor die vrees bestond waarlijk wel goede grond, want sedert vele jaren waren de galgen voor de ketters opgericht en hadden de brandstapels gerookt, tot groote ergernis van de Hervormden niet alleen, maar ook van vele Roomschen, die zich niet konden begrijpen, dat dergelijke moorden konden strekken tot verhooging der glorie Gods. De volgende namen der slachtoffers uit Waterland zijn voor het nageslacht bewaard gebleven: Dirk Pietersz. Krood, Pieter Trijntjes, Klaas Rodes, Pieter Klaas Jansen, Jacob en Seli, zijne huisvrouw, alle ingezetenen van Wormer; Jan Echtwerker, Klaas Melisz, Aacht Melisz en Willem haar man, Hein Walicksz, Trijn Amkes, Cornelis Luitsz, Klaas Dirksz en Klaas Klaasz, allen uit Krommeniedijk; Jonker Dirk Gerritsz Van den Busch, Pieter Koster van Zaandam en vele anderen. Zij allen werden gehangen, geworgd, verdronken of verbrand. Ja, zelfs werden meermalen ketters levend begraven. En ondanks al dat moorden was het aantal Hervormden grooter geworden. Met samengeperste lippen, trillende neusvleugels en gebalde vuisten had men de arme slachtoffers, dikwijls lofliederen zingende, een prooi zien worden der verterende vlammen. En het bloed der martelaren was het zaad geworden der kerk. Thans was een groot deel van Noord-Nederland van Spanje afgevallen, en durfde Floris Geurtsz op klaarlichten dag den bijbel op de tafel leggen en uit dat boek voorlezen aan zijne vrouw Fijtje, en aan Anna en Marten, zijn beide kinderen. Zijne ouders waren reeds lang geleden gestorven, en ook zijn broer Jan was hem door den dood ontvallen. Hij had de hoeve geërfd, die zijne ouders hadden bewoond en waarin hij geboren was, en voorspoedige jaren waren zijn deel geweest, totdat de booze dagen kwamen, waarin alle welvaart uit Holland verdwenen was. Waar destijds tromgeroffel de komst van krijgsknechten aankondigde, hetzij van vrienden, hetzij van vijanden, daar vlood alle welvaart heen, want zoowel de een als de ander maakte zich aan knevelarij schuldig en zoog den landman «tot op het been» uit.

‘t Was ongeveer twee uur in den middag, en boer Floris had met de zijnen het middagmaal gebruikt, bestaande uit eenvoudigen melkkost en eene snede ham. Hij en zijne vrouw waren tegenover elkander aan de tafel gezeten, terwijl Anna naast hare moeder, en Marten naast zijn vader had plaatsgenomen.

Allen luisteren met aandacht naar den vader, die een hoofdstuk uit den bijbel voorleest. Ernstig en zwaar klinkt zijne stem bij het verhaal van de verdrukkingen, die de Joden moesten verduren in Egypteland, en de oogen van de huisgenooten zijn geen oogenblik van hem afgewend, terwijl hij leest.

Het is duidelijk: de ernst der tijden heeft reeds zijn stempel gedrukt op de jeugdige gelaatstrekken van de zestienjarige Anna, zoowel als van den vijftienjarigen Marten, die met onverdeelde belangstelling het verhaal volgen. En ongetwijfeld denken zij aan de booze tijden, die ook zij thans beleven, en gansch Nederland, nu het zich kromt onder het ijzeren juk van Alva, den gestrengen landvoogd, die geen genade kent, waar het geldt de afvallige kinderen wederom terug te brengen tot de Roomsche kerk, of hen uit te roeien; – den man, die gansch Nederland des doods schuldig acht, omdat een troep onverlaten de kerken heeft bestormd en de beelden daarin vernield. Niemand is volgens hem onschuldig, want die aan den beeldenstorm niet heeft deelgenomen, heeft hem althans niet belet, wat in zijn oog even erg is.

Floris Geurtsz heeft zijn kapittel uitgelezen en het boek langzaam dichtgeslagen. Daarna reikt hij het over aan Marten, die het verbergt op dezelfde plaats, waar het reeds zoovele jaren onopgemerkt heeft gelegen. Wel is op dit oogenblik die groote voorzichtigheid overbodig, maar men weet nooit, wat er gebeuren kan. Amsterdam ligt dichtbij en is nog Spaanschgezind. De graaf van Bossu, die als Stadhouder voor Alva het bewind voert, evenals Diederik Sonoy dat doet in naam van den Prins van Oranje, heeft daar nog vasten voet en bespiedt met vorschend oog de Zaanstreek, gereed om bij de eerste gunstige gelegenheid het hart van Noord-Holland te bespringen en te veroveren. De Waterlanders meenen echter gerust te kunnen zijn, want Hopman Wybe Sjoerds houdt met zijn vendel krijgsknechten Saardam bezet, en dagelijks begeeft hij zich voorbij de hoeve van Floris, om den Waterlandschen dijk in oogenschouw te nemen en te zien, of op het IJ alles rustig is en van Amsterdam uit geen gevaar dreigt. Ook eenige minuten geleden hebben de bewoners van de hoeve hem op den dijk zien voorbijloopen, vergezeld van zijn vaandrig Joachim.

«Laten wij danken», zegt de vader.

Allen vouwen de handen en sluiten de oogen, en de vader spreekt overluid een dankgebed uit, dat ernstig en plechtig door de kamer weerklinkt.

Nog was het gebed niet geëindigd, toen iemand voor het raam verscheen en nieuwsgierige blikken naar binnen wierp. ‘t Was een jongen van een jaar of zestien, de zoon van eene buurvrouw, eene weduwe, wier kleine hoeve gelegen was naast die van Floris Geurtsz. De knaap kwam hier wel meer aan huis, maar men was op zijne bezoeken niet bijzonder gesteld. De reden daarvan was niet, dat hij en zijne huisgenooten tot de ijverige aanhangers der Roomsche kerk behoorden, want zoo werden er in Waterland nog zeer vele gevonden, die daarom toch door de geuzen in het geheel niet werden gewantrouwd. Maar de familie Bleeker genoot in het geheel geen vertrouwen, omdat men hen hield voor verraders, die in geheime verstandhouding stonden met den Spaanschen landvoogd te Amsterdam, en niet schroomden hem alles aan te brengen, wat er in de Zaanstreek en in Waterland zoo al voorviel. De blik van dezen jongen had dan ook iets loerends, terwijl hij zijne oogen snel door het vertrek liet rondwaren, en hij had in de trekken van zijn gelaat iets ongunstigs, dat afkeer inboezemde.

«Daar staat Piet Bleeker voor het raam te gluipen», sprak Anna met onverholen afkeer, toen de vader zijn gebed geëindigd had. «Bah, ik kan dien loervink niet uitstaan. Ik geloof, dat hij een echte Spek is, die alles wat hier gebeurt, naar Amsterdam overbrieft».

«Hij is gisterenavond nog laat met zijn bootje naar Amsterdam gevaren», zei Marten. «Hij zei, dat hij wat ging visschen, maar toen ik hem nakeek, zag ik duidelijk, dat hij koers zette naar Amsterdam. Ik vertrouw hem voor geen duit. – Wel Jan, wat is er?»

Deze laatste woorden golden den buurknaap, die nog altoos voor het raam stond.

«O, eene kleinigheid maar», was het antwoord. «Ik kom even waarschuwen, dat een schaap op zijn rug in een greppel ligt. Als het beest niet geholpen wordt, zal het gauw dood zijn».

«Dank je wel voor de waarschuwing, Jan», zei de boer. «Waar ligt het?»

«Op het voorstuk, dicht bij het hek», was het antwoord. En met een lichten groet verliet de knaap het erf.

«Jelui hebt alweer voorbarig geoordeeld en daardoor een onrechtvaardig vonnis geveld, kinderen», sprak de moeder. «Je maakt hem voor niets meer of minder uit dan voor een Spek, die met de vijanden heult, en dat nog wel, terwijl hij ons een grooten dienst bewijst en ons komt waarschuwen, dat er een schaap in onmacht ligt. Dit is niet volgens de Schrift, kinderen».

Deze woorden klonken als een ernstige vermaning, maar op de gezichten van Anna en Marten stond duidelijk te lezen, dat zij het met hunne moeder in deze niet eens waren. Ook de vader deelde hun gevoelen. Hij sprak:

«Bestraf de kinderen niet, Moeder. Wij beleven ernstige tijden en kunnen niet te voorzichtig zijn. Wees getrouw en vertrouw niemand, dat is eene spreuk, die wij geen oogenblik mogen vergeten. Ook ik vertrouw de Bleekers niet, zoomin de weduwe als haar twee zoons. Altoos loopen ze op plaatsen, waar zij geen boodschap hebben, ‘t liefst op de erven en om de huizen van de buren. Zij zijn met alle nieuwtjes ‘t eerst op de hoogte en kijken meer naar hetgeen bij anderen gebeurt, dan bij henzelven. ‘t Ware beter, dat zij wat meer op hun eigene zaken letten, want de boerderij ziet er zoo verwaarloosd uit, dat het God geklaagd is. – Toe Marten, help het schaap even uit den nood, dan zullen wij het hooi, dat te velde ligt, opschudden. Misschien kunnen we het dan nog voor den avond op roken zetten».

«En jij, Anna, help mij de tafel afnemen en de vaten wasschen», sprak de moeder.

Vlug begaf Marten zich naar buiten, maar in minder dan geen tijd was hij alweer terug.

«Ziet U nu wel, Moeder, dat ik gelijk had? Hij moest het beest bijna passeeren, om ons te komen waarschuwen, want het lag vlak bij het hek, naast het erf. ‘t Was veel gemakkelijker voor hem geweest, om het dier even op te tillen, dan hierheen te loopen, en stellig had hem dat minder tijd gekost. ‘t Was er hem alleen om te doen, om de loervink te spelen, en anders niet. ‘t Is een verrader, – een Spek!»

«Laat je maar zoo weinig mogelijk met hem in, Marten», zei de boer. «Kom, wij moeten naar het land. De zon schijnt prachtig, en als het zoo doorgaat, krijgen wij dit jaar best hooi, waar de koeien van den winter in zullen smullen».

Moeder Fijtje zuchtte, en zei:

«Spreek maar niet zoo ver vooruit, man. Wie kan zeggen, wat de toekomst ons brengen zal? De Spaansche soldaten liggen op korten afstand en kunnen ons elk oogenblik overvallen. En wat zal er dan van ons worden?»

«God zal ons helpen, Moeder», zei Floris ernstig, met een blik op de drie vuurroeren, die aan den wand hingen. «Zij zullen u en onze kinderen geen leed doen dan over mijn lijk».

Boer Floris sprak deze woorden met gefronste wenkbrauwen en diepe rimpels in het voorhoofd.

«En als zij komen, zullen ze ook met mij rekening hebben te houden, Moeder», riep Marten met geestdrift uit. «Zij moeten het eens wagen, U of Anna aan te grijpen, – ha, ik jaag ze een kogel door de ribben, of steek ze mijn verrejager door het hart. Ze zouden het een tweeden keer wel laten!»

«Jij bent nog maar een kind, Marten…»

«Een kind?» riep Marten uit. «Maar dan toch een kind, dat zelden mis schiet en voor geen Spanjaard bang is. Ik ben al vijftien jaar, Moeder, en mijne kogels zouden evenzeer doodelijk treffen als die van Vader. Laat ze het eens wagen, U overlast aan te doen, ik zou ze!»

Anna was uit het achterhuis binnengekomen en had het gesprek met fonkelende oogen aangehoord.

«Ha», zei ze, «hoe jammer, dat ik een meisje ben. Maar wee den soldaat, die het waagt, mij te bedreigen…»

«Kind, kind, je weet niet, wat je zegt!» sprak de moeder droevig en met een diepen zucht, terwijl ze hare dochter met liefdevollen blik aankeek. «De wreedheid der Spanjaarden kent geen grenzen, en de oorlog is vol verschrikkingen. Laten wij hopen en bidden, dat God ons beschermen moge, want ons lot is in Zijne handen».

«Amen!» sprak Floris Geurtsz. «Kom Marten, we moeten onzen tijd niet verpraten. ‘t Is hoog noodig, om het hooi te schudden, willen we het vandaag nog droog krijgen».

Vader en zoon verlieten het huis, en ook Anna volgde hen, om zich naar den walkant te begeven, waar zij iets te verrichten had.

‘t Erf was niet bijzonder groot, en bestond uit een breed rijpad, met eene strook grasveld er naast. Daarachter lag een mesthoop, die na het binnenhalen van het hooi over het land moest worden geslecht. Wel een twintig kippen liepen op het erf rond, zoekende naar wormpjes en insecten, en een paar mooie hanen, de lievelingen van Anna, kwamen haastig naar haar toeloopen, in de hoop, dat zij een overschotje van het middagmaal zouden krijgen. Tegen een schuurtje, achter op het erf, dat gebruikt werd als bergplaats voor landbouwgereedschappen, was een hondenhok geplaatst, waar Kees, de groote hofhond, aan een ketting lag. ‘t Was een vriendelijke hond voor de huisgenooten, maar vreemdelingen konden hem niet vertrouwen, want hij beet ze zonder genade met zijn groote tanden in de beenen, dat het bloed te voorschijn kwam. Daarom mocht hij niet losloopen en moest altijd aan den ketting liggen.

Nu hij zijn baas op het erf zag verschijnen, en Marten, van wien hij bijzonder veel hield, sprong hij uit zijn hok te voorschijn en liet een luid vreugdegebas hooren. De hond kon geweldig blaffen, waardoor hij de schrik was van iedereen, die eene boodschap op het erf had te verrichten. Niemand zou het wagen de huisdeur te naderen, zonder eerst een blik op het hok geworpen te hebben, om te zien, of Kees wel sekuur aan den ketting lag.

«Dag Kees!» riep Marten hem toe, en hij boog zich voorover en klapte in de handen. Kees sprong kwispelstaartend en blaffend heen en weer, en wenschte niets liever, dan dat Marten bij hem zou komen, om hem over den kop te streelen en op den rug te kloppen, of wat hij het heerlijkst vond van alles, dat Marten hem los zou maken en zeggen:

«Ga je meê met den baas, Kees?»

Dan was hij dol van blijdschap en rende met woeste sprongen over het erf rond, zoodat de kippen ijlings wegvlogen en de twee prachtige hanen op de droogstokken een veilige schuilplaats zochten.

Anna keek glimlachend de beide hanen aan, die haar vlak voor de voeten liepen, alsof zij haar vragen wilden om een lekker hapje. En ook de kippen kwamen kakelend naderbij en stonden haar met gerekte halzen aan te kijken.

«O ja, wacht maar even, ik zou je haast vergeten», zei ze vriendelijk, en vlug stapte ze naar binnen, om het overschot van het middagmaal te halen. Weldra kwam zij terug en verdeelde de lekkernij onder de dieren.

Vader en zoon bleven er een oogenblik naar kijken, en spoedden zich toen naar het land, waar het geurige hooi door de warme zonnestralen gekoesterd werd.




HOOFDSTUK II. Ongewenscht bezoek, en hoe Kees daar een einde aan maakte


Nog hadden zij het hek niet bereikt, toen dit geopend werd en twee mannen het erf betraden. ‘t Waren krijgslieden, en Floris en Marten herkenden in hen terstond Hopman Wybe Sjoerds en zijn vaandrig Joachim, die hun dagelijkschen tocht naar den Waterlandschen dijk hadden gedaan en het IJ hadden verkend.

«Goeden dag, huisman», klonk hun groet, terwijl zij naderbij traden. «Dag jongen».

‘t Waren stoere krijgslieden, die onder de Watergeuzen met moed hadden medegestreden en zelfs een werkzaam aandeel hadden gehad in de verovering van Den Briel. Hunne gelaatstrekken waren ruw en woest, hun vel was verbrand door de zonnestralen, en hunne houding getuigde van onverschilligheid en zelfs van brutaliteit. Zij hadden een vuurroer over den schouder, een koppel pistolen in den gordel en een zwaard aan de linkerzijde. Niet zonder bewondering staarde Marten de stoere krijgslieden aan, want zijn liefste wensch was, ook eenmaal de wapens te hanteeren in den dienst van den Prins van Oranje, en hem te helpen de gehate Spanjaarden tot den laatsten man toe uit het land te verjagen. Maar Floris Geurtsz deelde die bewondering van zijn zoon niet. Hij kende de bandeloosheid der Watergeuzen te goed, om niet te vreezen, dat dit bezoek hem niet veel vreugde brengen zou, ook al waren zij door Diederik van Sonoy aangewezen, om de landzaten tegen de Spanjaarden te beschermen.

«Goeden dag, huisman, – dag jongen!» klonk hun groet. En kortaf was het antwoord:

«Goeden dag, heeren. Wat voert u hierheen?»

«De dorst, vrind, anders niet dan de dorst», was het antwoord van Hopman Wybe Sjoerds. «Wij hebben eene lange wandeling achter den rug, en de zon brandt ons zoo fel op de huid, dat wij graag even rusten willen en je bier eens proeven».

«Een kan bier is U van harte gegund, heeren», was het antwoord. «Komt binnen – ik zal u voorgaan».

Dit laatste was echter niet meer noodig, want de Hopman liep zonder complimenten naar de deur, wierp die open en trad, door zijn vaandrig gevolgd, de woonkamer binnen, waar Fijtje bezig was, den vloer aan te vegen. Zij keek niet weinig verwonderd op bij dit onverwachte bezoek, en haastte zich van den vloer op te staan en stoffer en blik in een hoekje te bergen.

«Goeden dag, Moeder!» zeiden de vreemdelingen. «Heb je lekker zwaar bier in huis? Haal dat dan te voorschijn en schenk in, – maar wat vlug, want de tong kleeft ons aan het gehemelte en mijn keel is zoo droog als het stof op den dijk».

De mannen namen ongenoodigd plaats, Wybe Sjoerds op den stoel voor het raam, waar Floris Geurtsz altoos zat, en Joachim op dien van Fijtje. Boer Floris hoorde de vrijpostige woorden van de krijgslieden met gefronst voorhoofd aan, en hun onbescheiden gedrag was hem een doorn in het oog. Hij had Anna een wenk gegeven, de mannen zooveel mogelijk uit de voeten te blijven, want hij wilde haar niet met de ruwe krijgslieden in aanraking brengen. En zoo spoedig mogelijk was hij hen naar binnen gevolgd, om een oogje in het zeil te houden en zijne vrouw voor hunne ruwe bejegeningen te vrijwaren. Marten ging met hem mede, want als kind van zijn tijd lustte hij ook wel een beker lekker bier, en bovendien wilde hij graag luisteren naar de verhalen der beide krijgers, die reeds zooveel ondervinding hadden opgedaan. Vader en zoon plaatsten zich dus aan het benedeneinde der tafel, en weldra verscheen de vrouw met eenige kannen schuimend bier, die zij den dorstigen aanbood. Floris nam zijne kan op, hield haar in de hoogte en sprak:

«Goed heil, Heeren!»

Daarop zette hij de kan aan de lippen en dronk haar half ledig, een voorbeeld, dat door Marten met gretigheid gevolgd werd.

«Heil!» was het antwoord.

De krijgers hieven hun kan op en begroeven hunne behaarde lippen in het schuim. Daarna dronken zij de kan tot den bodem toe ledig, smakten met de lippen, grepen ongevraagd elk eene nieuwe kan, en lieten den inhoud in hunne maag verdwijnen.

«Dat doet goed!» zei Joachim, zijne kan met een zwaren slag op de tafel neerploffende, zoodat het Marten verwonderde, dat zij niet in scherven uit elkander viel. «Lekker bier, dat zeg ik!»

«Maar te licht, ‘t lijkt wel regenwater!» viel Hopman Wybe in. «Kom huisman, je hebt wel wat beters, zou ik meenen. Laat ons eens wat zwaarder bier proeven, dat je naar het hoofd stijgt. Van dit gewone soortje kan ik wel een vat leegdrinken, en dan voel ik nog niet eens, dat ik wat gebruikt heb».

«Ik heb geen zwaarder bier, Hopman», was het antwoord van Floris Geurtsz. «Wij hebben U het beste voorgezet, dat wij hebben. Zal de Vrouw de bekers nog eens voor de heeren vullen?»

«Maar met beter bier, voor den duivel!» riep de Hopman uit. «Je bent ons wel wat dankbaarheid verschuldigd voor onze trouwe bewaking tegen de Spanjaarden, en wij laten ons niet met slootwater afschepen. Hallo, – een betere soort, – of bewaar je die soms voor je vrienden in Amsterdam?»

De woorden van den Hopman waren voor Floris Geurtsz diep beleedigend, want zij bevatten eene zijdelingsche beschuldiging, dat hij, Floris Geurtsz, met den vijand heulde en hem van levensmiddelen voorzag.

Hij antwoordde dan ook kortaf:

«Wanneer de vrienden in Amsterdam niets anders krijgen, dan wat hun door mijne hand gewordt, zullen zij spoedig van honger en dorst omkomen. Ik heul niet met den vijand, dat durf ik goddank openlijk verklaren!»

«Kom, kom, man, geen praatjes, maar een beter soortje bier, asjeblieft!» lachte de Hopman hoonend. «Je staat met een zwarte kool geteekend, vriendje, en het is ons bekend, dat menigmaal ‘s avonds je roeiboot het IJ doorklieft, om naar Amsterdam te gaan. Wat heb je daar te doen? Als je er geen bier heenbrengt, zal het waarschijnlijk boter of kaas zijn, wat nog erger is. – Nu, wat heb je hierop te zeggen? Je ziet en hoort, dat wij goed ingelicht zijn».

Boer Floris werd bleek van verontwaardiging en drift. Hij sprong van zijn stoel op, en riep den Hopman toe:

«Gij liegt, Hopman, – mijne roeiboot komt nooit in Amsterdam, evenmin als ik of een van mijne huisgenooten. Wij hebben geen kennissen in die stad en drijven er ook geen handel. En allerminst heulen wij met den vijand, dien wij hoe eer hoe liever het land uit wenschen. Weg met de Spanjolen en leve de Prins van Oranje! Ziet U, dat roep ik uit van ganscher harte, want weet het, Hopman, dat ik reeds van mijne prilste jeugd af ben opgevoed in de nieuwe leer en dat ik die met hart en ziel aanhang…»

«Volkomen waar! Wij heulen niet met de Spanjolen!» viel Marten zijn vader bij. De knaap zag even bleek als de vader, en zijne stem beefde van verontwaardiging bij de ongegronde beschuldiging van den Hopman.

«Jongen, houd jij je snater!» beet deze hem nijdig toe. Hij schoof Marten de bekers van zichzelven en van den vaandrig toe, en zei op gebiedenden toon:

«Daar, ga die vullen bij je moeder, maar met wat beter bier, versta je!»

«Dat hebben wij niet. Vader spreekt de waarheid», antwoordde Marten, zonder eene hand naar de bekers uit te steken. Een hevige toorn had zich van den knaap meester gemaakt, en zijn blik dwaalde vliegensvlug naar de vuurroeren, die aan den wand hingen.

Maar de Hopman sloeg woedend met zijne vuist op de tafel, zoodat de bekers er van rinkelden, en herhaalde:

«Ga naar je moeder, en laat ze vullen met het beste, wat je in huis hebt. En doe het spoedig, als je niet wilt, dat ik je met mijn rapier tusschen de ribben kittel».

«Ga Marten, en vul de kannen», gebood zijn vader.

«Zooals de oude zingt, zoo piept het jong!» grinnikte de vaandrig zijn Hopman toe. «Wij weten, wat wij weten, en dat is van dezen huisman niet veel goeds».

«Uwe spionnen moesten hun werk beter verrichten», antwoordde Floris Geurtsz. «Ik ontken niet, dat van hier menigmaal eene roeiboot naar Amsterdam oversteekt, en ik vrees, dat de roeier niet veel goeds in zijn schild voert, maar God is mijn getuige, dat het niet mijne roeiboot is, en dat zij niet bestuurd wordt door mij of door mijn zoon».

«Praatjes om ons om den tuin te leiden, man!» viel de Hopman in. «Maar weet, dat een stuk touw niet duur is en eene galg spoedig opgericht. Met verraders maken wij geen complimenten en voor hen bestaat geen pardon. Ha, – daar komt de jongen. Wel, wat breng je mede?»

«Het beste, wat wij hebben, Hopman, volgens uw bevel», zei Marten, terwijl hij de kannen op de tafel plaatste.

«Maar dat is hetzelfde bier!» riep de Hopman uit.

«Wij hebben geen ander, zooals ik reeds zeide», sprak de vader. «En bovendien, ‘t is goed bier en volstrekt niet zoo licht, als u belieft te zeggen».

De krijgslieden deden er het zwijgen toe. Blijkbaar sprak de huisman de waarheid, en wat hunne beschuldiging betrof, als zou Geurtsz met den vijand heulen, zij wisten wel, dat daarvan geen woord waar was, en dat er in het geheel geen grond voor bestond. ‘t Was echter de gewone manier der krijgslieden uit die dagen, om de ingezetenen op wier kosten zij leefden, door dergelijke beschuldigingen angst aan te jagen en hun geld af te persen.

«Waar niet is, verliest de keizer zijn recht», zei de Hopman met de lippen smakkende en zich het schuim van den knevel vegende. «Welaan huisman, ga zitten en laten wij praten. Ik wil de verzekering van je onschuld op je woord aannemen, maar moet vier blanke guldens van u als onderpand hebben voor je trouw. Blijkt het later, dat voor ons vermoeden geen grond bestaat, dan kun je die van ons terugkrijgen. Maar – wee u, zoo je liegt, want voor verraders hebben wij maar één straf, en dat is de galg!»

Een sombere wolk overtoog bij deze woorden het gelaat van den huisman. Het werd hem thans zoo klaar als de dag, dat het de krijgers te doen was om hem zijn zuurverdiend geld af te persen. En welke middelen zij daartoe bezigden, was hun blijkbaar volkomen onverschillig. Hoe hij peinsde, hij zag geen middel, om aan deze knevelarij te ontkomen. Toch besloot hij, den Hopman maar niet zoo dadelijk zijn zin te geven, want vier gulden was in die dagen een groote som, daar zij wel het vijfde gedeelte van de waarde eener koe vertegenwoordigden. Hij veinsde daarom te gelooven, dat de eisch van den Hopman slechts als scherts bedoeld was, en hernam lachend zijne plaats aan de tafel. De krijgslieden deden zich intusschen te goed aan het waarlijk niet lichte bier, en schoven de ledige drinkkannen aan Marten toe, die ze dadelijk ging vullen.

«Je maakt maar een grapje, niet waar, Hopman?» zei Floris Geurtsz lachend. «Mijn woord is onderpand genoeg, want nog nooit heeft iemand Floris Geurtsz op woordbreuk kunnen betrappen».

En zijn kan opheffende, liet hij er op volgen:

«Uw welzijn, Heeren, en den dood aan de Spekken».

«Kinderpraat, man, om ons om den tuin te leiden!» viel de Hopman uit. «Vier blanke guldens betaal je zonder mankeeren, of we zullen zoo vrij zijn je mede te nemen naar Saardam, om je vandaar op te zenden naar Heer Diederik van Sonoy. Die zal dan wel een vonnis over je vellen, en ik vrees, dat het ver van malsch zal zijn».

Boer Floris begreep thans duidelijk, dat hij door deze beschuldiging, zij mocht dan totaal valsch zijn en geheel uit de lucht gegrepen, in groote moeilijkheden kon geraken, en dat in elk geval eene langdurige gevangenschap en veel ellende er het gevolg van zouden zijn. Maar vier blanke guldens was een te groote som, om zich die maar zonder tegenspraak te laten afpersen.

«De Heer van Sonoy is een te verstandig man, om zich op zoo’n domme wijze de vrienden van den Prins tot vijanden te maken. Vraag gansch Saardam door, aan wien ge ook wilt, en u zult eenstemmig hooren verklaren, dat de Spanjaarden geen vuriger vijand hebben dan mij. Ik laat me niet goedsmoeds mijn zuur verdiend geld afpersen. Maar wat praat ik; U gelieft immers slechts te schertsen; – komt heeren, een nieuwe kan. Marten, vul de ledige nogmaals. De heeren zullen thans wel gemerkt hebben, dat het bier zwaar genoeg is, om er een vroolijk hart van te krijgen».

«En eene hongerige maag, Hopman», viel Joachim in, die enkele oogenblikken uit het raam had gekeken en daar de twee groote hanen had opgemerkt, die er met statigen tred in het kleine grasveldje liepen. «Wat dunkt u, zou een gebraden haantje niet smaken? Daar loopen er een paar, die mij het water langs de tanden doen vloeien».

Dat waren woorden naar des Hopmans hart. Hij zette zijne kan met zooveel kracht op de tafel neer, dat het bier in het rond spatte en riep uit:

«Byloo, dat is eene schoone gedachte, mijn vriend, schooner, dan ik in langen tijd van je gehoord heb. Komaan, huisman, als je dan zoozeer de vriend zijt van den Prins, die je schijnen wilt, draai dan die dieren den nek om, laat dien jongen daar de veeren er afplukken en de beesten schoonmaken, en zeg aan moeder de vrouw, dat ze ze zoo lekker braadt, of ze voor den Prins in eigen persoon bestemd waren. Je bier is zoowaar beter dan ik dacht, en doet mij de maag jeuken naar een hartige beet».

«Den nek omdraaien!» riep Joachim, de vaandrig uit, terwijl hij opstond en zijn vuurroer greep, dat hij tegen zijn stoel had geplaatst. «Niet noodig, Hopman, ik zal ze een kogel door den kop jagen, zoo netjes, of het Spanjaarden waren. Wacht maar een oogenblik, en je zult het mooiste schot zien, dat ooit door een watergeus losgebrand is».

Lachende begaf hij zich naar de deur.

Maar plotseling stoof Marten op. De knaap was zijne verontwaardiging over zooveel onbeschoftheid niet langer meester, en hij gaf den vaandrig met zijn vuist een stomp tegen de maag, die hem deed snakken naar zijn adem. En nauwelijks was deze daad geschied, of Marten ijlde naar den wand, greep een der vuurroeren, dat hij aan zijn vader gaf, en wapende zichzelven met een tweede. Dat alles was zoo snel gebeurd, dat de Hopman nog niet eens goed begreep, wat er eigenlijk aan de hand was, en met open mond naar de handelingen van den knaap zat te kijken, terwijl de vaandrig in de grootste benauwdheid heen en weer liep, zonder zijn adem terug te kunnen krijgen. Ook boer Floris was ten hoogste verbaasd over het gedrag van zijn zoon, en hij vreesde, dat een en ander de onaangenaamste gevolgen na zich zou sleepen. Vrij besluiteloos stond hij met het vuurroer in de handen, en staarde nieuwsgierig de twee krijgslieden aan, zichzelven afvragende, wat er nu wel gebeuren zou.

«Voor den duivel, die satansche jongen!» bulderde de Hopman, van zijn stoel opspringend en zijn rapier uit de scheede trekkende. «Handelt men hier zoo met een Hopman van den Prins en diens vaandrig? Hallo, Joachim, hoe is het? Laat je je door een kwâjongen afranselen, dat je de tong uit den mond hangt? Rijg hem aan je zwaard, dat het hem door de ribben heenglijdt!»

Maar Joachim had nog altoos geen adem genoeg, om heldenstukken te kunnen verrichten, en Floris Geurtsz meende van het oogenblik gebruik te moeten maken om de zaak te sussen.

Hij zette zijn roer in een hoek van de kamer neder, en gebood Marten het zijne wederom aan den wand op te hangen.

«Je handelt dwaas en onverantwoordelijk tegenover goede vrienden, Marten», zei hij op quasi gestrengen toon. «Ga heen en verlaat dit vertrek, voordat er grooter dwaasheden gebeuren».

Marten gehoorzaamde schoorvoetend en onwillig. Hij kon zich de houding van zijn vader niet verklaren, die toch anders geen man was om met zich te laten sollen. En het was hoog tijd, dat hij de kamer verliet, want Joachim was nu weer op adem gekomen, en keek alles behalve vriendelijk.

«Ga zitten, Heer Vaandrig», zei Floris Geurtsz dringend, «en vergeef het den knaap om de wille van zijne jonkheid. Hij is nog niet wijzer en het zou voor u een geringe eer zijn hem te straffen, zooals hij verdient. Weet, dat de hanen, waarvan u spreekt, hem na aan het hart liggen, want hij heeft ze zelf opgefokt. Ga zitten, en drink uwe kan nog eens leeg».

«Maar eerst het beloofde mooie schot, Joachim!» riep de Hopman uit met een vuistslag op de tafel. ‘t Was duidelijk, dat het bier zijne uitwerking begon te doen.

«Laat mij maar begaan!» pochte Joachim, die opnieuw zijn vuurroer greep en zich naar buiten begaf. Marten stond diep verontwaardigd achter op het erf voor het schuurtje, naast het hondenhok. Kees sprong kwispelstaartend en blaffend tegen hem op. Marten klopte hem op den rug en zeide:

«Die stomp zal hem heugen, Kees! Hij kwam net op zijne maag terecht, zoodat de kaerel stond te gieren naar zijn adem. Ik zal hem wel leeren, om onze hanen dood te schieten en op te eten, den lomperd. Ha, kijk, daar komt hij toch waarlijk naar buiten, met zijn roer in de handen. Zou hij toch werkelijk de onbeschaamdheid hebben, om zijn plan ten uitvoer te brengen? Maar dat is meer dan schandelijk!»

Inderdaad verscheen de vaandrig op dit oogenblik buiten de deur, en nauwelijks kreeg hij Marten in het oog, of hij stak hem de gebalde vuist toe, en riep:

«Wacht maar, mannetje, – die hanen gaan er toch aan, of je hoog of laag springt. En jij zult ze netjes voor ons plukken en schoonmaken, en bij het eten mag je komen toezien, hoe ze ons smaken!»

Hij liep naar de voorzijde van het huis, waar de hanen nog parmantig rondstapten, en zag, hoe de Hopman lachende voor het raam stond te wachten op de dingen, die komen zouden, met de half-volle kan in de hand.

Joachim stak de lont aan, richtte zijn vuurroer, bracht de lont bij het kruit en pang! klonk het met donderend geweld. Maar of het door het bier kwam, dat hij gebruikt had, of door den stomp, dien Marten hem op zijne maag had gegeven, weet ik niet, maar zeker is het, dat het schot miste en de hanen en kippen onder een luid gekakel uit elkander stoven en ijlings een goed heenkomen zochten.

«Ha-ha-ha!» lachte de Hopman voor het raam. «Wat prachtig schot, Joachim! Dat heb je zeker op de Spanjolen geleerd».

«Dat verwenschte bier ook!» mompelde Joachim beschaamd, omdat hij na zijn pochen zulk een treurig figuur als schutter maakte. «Mijn hoofd lijkt wel een molentje, en alles draait me voor de oogen».

Hij gaf zijn edel pogen echter niet op, maar laadde zijn geweer opnieuw en liep den hoek van het huis om, teneinde te zien, waar de dieren gebleven waren. Spoedig had hij hen ontdekt; zij liepen bij den mesthoop, niet ver van de plaats, waar Marten nog altoos bij het hondenhok stond. Marten lachte er smakelijk om, dat de vaandrig zoo’n bespottelijk figuur maakte, en Kees baste zoo geweldig met zijn zware stem, en hij keek den krijger met zijne fonkelende oogen zoo nijdig aan, dat deze besloot, zich niet al te dicht in de nabijheid van dat dier te wagen.

Opnieuw legde hij aan, en met een hevigen knal brandde het schot los. Thans trof hij beter. Een van de hanen deed nog een paar onwillekeurige sprongen en viel toen dood neer. Maar op hetzelfde oogenblik vloog de deur open en ijlde Anna naar buiten. Tranen van spijt en woede vloeiden haar uit de oogen.

«Ha, – wat eene schandelijke daad voor een vaandrig in dienst van den Prins!» riep zij den soldaat toe, die zich haastte zijn vuurroer opnieuw te laden. «Lafaard! Schaam je je niet? Is dat doen met eere, om weerlooze dieren te dooden? Ben je misschien te laf, om het tegen de Spanjolen op te nemen, en toon je je heldenmoed op deze wijze?»

Ongetwijfeld zou zij in haar toorn den vaandrig nog veel meer beleedigingen hebben toegevoegd, indien niet de Hopman naar buiten gewaggeld ware, gevolgd door haar vader. Deze laatste gebood haar met een gebiedenden wenk, zich te verwijderen. Hij wilde haar niet in de nabijheid van de half beschonken krijgslieden laten. Schreiende trok zij zich in het achterhuis terug.

Een oogenblik later klonk een tweede schot – maar weer was het mis, en nogmaals bracht de haan zich in veiligheid.

«Ha-ha-ha, wat een geweldig schutter!» lachte de Hopman, die zijn roer in de hand hield en den haan achtervolgde. «Joachim, – ik dacht, dat je hand vaster was».

«’t Komt door dat verwenschte bier!» mompelde Joachim. «Maar een is er toch al om koud!»

«Pang!» klonk het, ditmaal uit het roer van den Hopman, en waarlijk, het dier was doodelijk getroffen, hoe beneveld de oogen van den schutter ook waren.

«Zóó moet je schieten, brave jongen, – zóó moet je schieten, Joachim!» pochte Wybe Sjoerds op dronkemansmanier. «Al had ik een heel vat leeggedronken, ik raak toch nog zoowel een haan als een Spanjaard! Kom Joachim, laten we nog een beker drinken in afwachting van den maaltijd, die ons straks zal worden opgedischt».

«Ik kom!» was het antwoord van Joachim, die intusschen de beide dieren bij elkander zocht. Maar nauwelijks waren Floris Geurtsz en de Hopman weer in huis verdwenen, of Marten, wiens woede geen grenzen kende, maakte schielijk Kees los van den ketting, en fluisterde hem toe:

«Sa-sa-Kees, pak ze!»

Dat liet Kees zich geen tweemaal zeggen. De vreemdeling was hem al lang een doorn in het oog geweest en hij wenschte niets liever, dan hem eens bij de beenen te pakken. Nauwelijks voelde hij zich dan ook van den ketting bevrijd, of onder een oorverdoovend geblaf vloog hij op den vaandrig toe, die nu juist de twee hanen bij de pooten in de hand hield, en beet hem zonder mededoogen zoo venijnig in zijn rechterbeen, dat de soldaat het uitschreeuwde van pijn.

«Au, au, smerige hond, laat los, au, au!» kermde hij, van angst en pijn in het rond springende, maar Kees gaf er niets om en hield hem stevig bij zijn dijbeen vast. En toen hij eindelijk door de woeste sprongen van den vaandrig gedwongen was hem los te laten, hield hij een groote lap van diens broek in den bek. De vaandrig zette het op een loopen, in de hoop, de deur der hoeve te kunnen bereiken, voordat de hond hem ten tweeden male aangreep, natuurlijk zonder de hanen, want die had hij bij den aanval van den hond al dadelijk op den grond laten vallen. Maar dat mislukte hem. Kees liep vlugger dan hij, en beet hem met een geweldigen hap nu in zijn linkerbeen, zoodat ook daar de broek vaneengereten werd en het bloed uit des vaandrigs been te voorschijn kwam. Marten, die zich in allerijl achter eenig boerengereedschap verscholen had, zag het met het grootste genoegen aan, en hij had niet den minsten lust, Kees tot de orde te roepen.

«Au, au, vervloekte hond, – au, au!» schreeuwde de vaandrig, die alle moeite deed, om de deur te bereiken.

Op dit geschreeuw kwam weer de Hopman naar buiten, teneinde te zien, wat er aan de hand was. Ook boer Floris verscheen op het erf, maar nauwelijks zag hij, hoe Kees bezig was den vaandrig de kleeren van het lijf en de stukken uit de beenen te rukken, of hij trok zich schielijk in de hoeve terug, niet twijfelende, of met de hulp van dezen bondgenoot zou hij spoedig van de ongewenschte en brutale gasten verlost zijn.

[Illustratie]

«Help, Hopman, help! – Au – au, – die rakkerd! Au, sla hem dood, Hopman!»

«Ik – ik zal hem een kogel door den kop jagen», riep de Hopman, die vrij angstig naar den grooten, nijdigen hond keek en allerminst lust had, met diens tanden kennis te maken.

«Au, – au, neen, niet schieten! – Au – o, o, als je misschiet, krijg ik misschien den kogel, die…»

Verder kwam de vaandrig niet, want juist op dit oogenblik gelukte het hem zijn been vrij te krijgen, en ijlings koos hij het hazenpad. Nu had hij de deur bereikt, – maar zijn pogingen om haar los te krijgen, mislukten. De boer had er den grendel voor geschoven en stond nu door het raam te kijken, naar hetgeen op het erf voorviel. Vele pogingen om binnen te komen deed de vaandrig trouwens niet, want de hond zat hem alweer op de hielen, wat er niet beter op werd, toen van achter het schuurtje werd geroepen:

«Sa-sa-Kees, pak ze! – Toe maar Kees, pak ze!»

Dat bevel wilde Kees met alle genoegen uitvoeren, maar hij scheen te meenen, dat de vaandrig voorloopig genoeg genoten had, en viel nu op den Hopman aan, die tevergeefs trachtte hem met de kolf van zijn vuurroer op den kop te slaan.

De vaandrig staakte zijne pogingen om de deur open te maken, en vluchtte zoo snel zijne voeten hem dragen konden het erf af en den dijk op, in de richting van Saardam. En Kees vloog brutaalweg den Hopman naar de keel, zoodat deze moord en brand schreeuwde. Hij greep Kees met zijn vrije hand aan, wierp hem van zich af, en volgde in stormpas zijn vaandrig, die al op grooten afstand op den dijk voortholde.

Kees rende den Hopman na en beet hem gevoelig eerst in de eene en daarna in de andere kuit, maar toen de Hopman eenmaal het hek uitgejaagd was, meende hij zijn plicht te hebben volbracht. Kwispelstaartend keerde hij naar Marten terug, die schaterend van lachen uit zijn schuilhoek te voorschijn kwam en den hond goedkeurend over den kop streelde.

«Goed zoo, brave Kees! Goed zoo, hondje! Je hebt je voortreffelijk gehouden, hoor, en als wij de hanen morgen bij het middagmaal krijgen, zal ik voor jou een lekker stuk bewaren. Ik gun het jou liever dan die twee struikroovers!»




HOOFDSTUK III. Wybe Sjoerds verveelt zich, en Marten krijgt een uitnoodiging


Marten haastte zich de twee hanen op te zoeken, die Joachim bij den eersten aanval van den hond reeds op den grond had laten vallen, en hij bekeek ze met een meewarigen blik, want hij had veel van deze dieren gehouden. Maar toch verheugde hij er zich in, dat de dappere Hopman en diens brave vaandrig er zich niet aan zouden vergasten.

Weldra kwamen ook zijne ouders en Anna naar buiten, die met niet weinig pret den geduchten aanval van Kees hadden aanschouwd en tot hunne groote blijdschap de twee krijgslieden op de vlucht hadden zien slaan.

«Was dat geen grappig gezicht?» riep Marten hun toe, terwijl hij opnieuw in den lach schoot. «Ha-ha, ik wist me bijna geen raad van het lachen, toen die vaandrig zulke malle sprongen maakte, terwijl Kees hem aan zijne broek hing en er de stukken uitscheurde».

«En wat schreeuwde hij leelijk», zei Anna, die lachen moest door hare tranen heen, want het deed haar veel verdriet, dat de twee mooie hanen gedood waren. Zij streelde hen over de fraaie veeren. De dieren waren nog warm.

«Arme beesten», zei ze zacht.

«Zeg dat wel, Anna», zei Marten, «maar verheug er je in, dat die twee roovers er althans niet aan zullen smullen. Ha, wat had die brave Kees ze geducht te pakken!»

«Had jij den hond losgelaten?» vroeg zijn vader, die zich de handen wreef van genoegen over den goeden afloop van het minder aangename avontuur.

«Losgelaten niet alleen, maar opgehitst ook», lachte Marten. «Hij vloog er op aan als een dolle, en ik dacht, dat hij van plan was den heelen vaandrig aan stukken te scheuren. ‘t Was een prachtig gezicht! En wij hebben de hanen nog, dat is het grappigste van alles».

«Ja, en mijn vier blanke guldens daarbij, jongen. Die schavuiten beschuldigden mij van met den vijand te heulen, en dreigden mij naar den gouverneur Sonoy op te zullen zenden, als ik hun geen vier guldens gaf als onderpand voor mijne trouw. Een mooie eisch, voorwaar!»

«Maar man, wat heb je aan een groot gevaar bloot gestaan», sprak vrouw Fijtje. «Ik had me geen raad geweten, als ze die bedreiging hadden uitgevoerd. Gode zij dank, dat zij in hun opzet verhinderd zijn door Kees. Hij krijgt een lekkere kluif van me, als blijk van mijne groote dankbaarheid».

«Hé ja, moeder, dat moet u doen», riep Anna uit. «Kom hier, Kees, laat ik je eens streelen!»

Marten keek zijn vader een oogenblik peinzend aan. Eindelijk sprak hij verheugd:

«O, nu vat ik het! Dus dáárom was u zoo toegevend voor die twee schurken. Ik kon me al niet begrijpen, hoe u er toe komen kon, om hun zoo in alles hun zin te geven en al de onbeschoftheden te verdragen, die zij ons geliefden aan te doen. Dat is anders uw aard niet».

«Ja, m’n jongen, ik zat in een moeilijk geval, en geloofde niet beter te kunnen doen dan te huilen met de wolven, waarmede ik in het bosch was. Ik had natuurlijk veel liever, dat zij deze twee hanen opaten, dan dat ze met mijn vier guldens naar huis gingen, of dat zij mij in staat van beschuldiging stelden en naar Jonkheer Sonoy opzonden. Er behoeft tegenwoordig niet veel te gebeuren om aan de galg te komen. Eene beschuldiging van Hopman Wybe Sjoerds weegt zwaar, want hij staat om zijne dapperheid hoog bij den gouverneur aangeschreven».

«Maar voor onzen Kees ging hij toch op de vlucht!» lachte Marten. En hij keek den hond, die kwispelstaartend om den groep heen liep, met welgevallen aan. Want hij hield veel van zijn hond.

«Wij zullen hem voortaan maar los laten loopen, Vader. Dan zijn we voor bezoeken van zulke fraaie gasten gevrijwaard. Zij mochten anders eens komen, als u of ik niet thuis waren, en dan waren zij tot alles in staat!»

«Ik vrees, dat we nu toch nog genoeg van hen te lijden zullen hebben», sprak vrouw Fijtje met een zucht. «Zij zullen de ondergane bejegening niet gemakkelijk vergeten en ze ons nog minder vergeven. Morgen of overmorgen zullen we de onverlaten wel opnieuw zien verschijnen, en mijn hart beeft bij de gedachte, wat er dan al niet gebeuren kan».

«Ja Moeder», sprak boer Floris, «wij beleven bange tijden en hebben bijna, zooals ons thans al weer gebleken is, evenveel te lijden van onze vrienden als van onze vijanden. Maar komaan, geen zorgen vóór den tijd. Anna, neem jij de hanen mede naar binnen, dan kan Marten ze vanavond schoonmaken. Nu ze eenmaal toch dood zijn, zullen ze ons morgen een heerlijk middagmaal verschaffen. En Moeder, kop jij de boter nog? Morgen moet Marten ze wegbrengen naar Jan Gerritsz, in de Westzijde. Hij heeft me gevraagd, of ik ze voor hem bewaren wilde, en hem tevens een zestig eieren kon bezorgen».

«Moet Marten morgen dus naar Saardam?» vroeg Moeder Fijtje angstig. «En als dan de Hopman hem ziet, – of de vaandrig? Marten kan niet in de Westzijde komen, zonder den Dam te passeeren, – en daar móéten zij hem haast wel opmerken…»

«O Moeder, laat dat maar aan mij over», viel Marten lachend in. «Ik weet wel een middel om de Westzijde te bereiken zonder den Dam te passeeren, en bovendien kan ik Kees meenemen. Als Wybe Sjoerds of zijn fraaie vaandrig dien zien, zullen ze mij wel met rust laten. Kom Vader, willen wij nu het hooi gaan opschudden? ‘t Wordt meer dan tijd».

«Wij zullen dubbel hard werken, om de geleden schade in te halen, jongen», antwoordde de vader.

Beiden begaven zich naar het land, gevolgd door Kees, die als loon voor den bewezen dienst voor dezen keer mede mocht. Gewoonlijk was het land echter verboden terrein voor hem, want hij zat de schapen wel eens achterna en joeg ze dan in de sloot. Maar op het hooiland kon hij niet veel kwaad uithalen, omdat daar geen vee liep.

Eenige oogenblikken later waren vader en zoon ijverig aan den arbeid. Het laatste hooi lag te velde, en zij hoopten het nog voor den avond aan roken te zetten. Dan kon het den volgenden morgen binnengehaald worden, waarmede niet langer dan een halve dag gemoeid zou zijn. Daarmede was de hooioogst voor dit jaar afgeloopen. ‘t Hooi zag er prachtig uit en was al bijna geheel droog. ‘t Was den geheelen dag dan ook heerlijk weer geweest, en de zon had fel geschenen. Eer deze nog geheel ondergegaan was, stond het reeds op groote hoopen, zoodat den volgenden morgen de laatste voeren konden worden geborgen.

Welvoldaan en tevreden keerden Floris en Marten ‘s avonds huiswaarts. Zij hadden hard gewerkt om klaar te komen, maar zij waren sterk en konden wel tegen wat zwaren arbeid.

Zoodra zij thuis gekomen waren, begaf Marten zich naar het achterhuis, om de hanen schoon te maken, wat hem vlug afging, want Marten was een handige jongen, die niet van talmen hield en de dingen altoos flink aanpakte. Daarna ging hij het hek sluiten, wat zij in dien bangen tijd voor eene vaste gewoonte hadden. Als altoos ‘s nachts bleef Kees vrij op het erf rondloopen, en een betere bewaker zou moeilijk te vinden geweest zijn. Wee dengene, die het wagen durfde het erf te betreden. Kees was in staat hem te verscheuren.

Toen allen binnen waren, sloot de vader de deuren en schoof er de grendels voor. Daarna deed hij zorgvuldig de ronde, om te zien, of alles goed afgesloten was.

Moeder Fijtje maakte het avondmaal gereed, en toen dat genuttigd was, stonden Anna en Marten op, om zich naar bed te begeven. Maar de vader weerhield hen, en zeide:

«Blijft nog even, kinderen; ik heb jelui nog wat te zeggen».

Anna en Marten keken hem niet zonder eenige verwondering aan, en waren nieuwsgierig wat dit zijn zou.

De vader stond op en ontsloot eene kast. Hij haalde daaruit een kistje te voorschijn, dat hij op de tafel plaatste en opende. ‘t Bleek een groot aantal zilveren geldstukken te bevatten, die Marten den uitroep uitlokten:

«Zoo, zoo, Vader, dat ziet er goed uit! Mij dunkt, er zitten daar meer guldens in, dan duiten in mijne schatkist».

«En in de mijne daarbij!» lachte Anna.

Maar de vader lachte niet. Integendeel, zijn gelaat stond hoogst ernstig, toen hij de beide jongelieden aanzag.

«Luistert!» zei hij. «Wij beleven een tijd van beroerten, die maakt, dat wij heden niet weten, of morgen niet reeds de vijand onze woning binnenvalt en alles rooft en plundert, wat hij krijgen kan. Wij hebben een gedeelte van het geld, dat je hier voor je ziet, geërfd van onze ouders, en het overige verdiend en overgespaard. Ik acht het in de kast, waarin wij het jaren lang bewaard hebben, niet veilig meer, en ben met Moeder afgesproken, het te verbergen op eene plaats, waar een ander het niet gemakkelijk vinden zal. Maar wij willen u van die schuilplaats niet onkundig laten, omdat wij weten, dat we je volkomen vertrouwen kunnen en dat ons geheim bij jelui veilig is. ‘t Kan goed zijn, dat de bergplaats je bekend is, want in deze tijden is alles mogelijk. Ik heb gisterenavond, toen je reeds naar bed gegaan waart en in diepe rust laagt, eene geschikte plaats bedacht. Zie maar eens hier».

Boer Floris stond op en begaf zich naar den haard, die van steenen opgetrokken was. Hij veegde de asch weg, zoodat de vloer bloot kwam, en haalde de steenen, die den bodem vormden, een voor een weg. Daaronder bleek een ijzeren plaat te liggen. Met inspanning van al zijne krachten schoof hij deze op zijde, en nu werd eene opening zichtbaar, die wel tien zulke kistjes kon bevatten.

«Ziehier», sprak de vader, «deze plaats bedoel ik. Geef dat geldkistje eens hier, Marten. – Mooi zoo. Kijk, ik plaats het op den bodem van het gat, en stapel deze losse steenen er rondom en bovenop. Dat kistje bevat vierduizend gulden, kinderen, en vertegenwoordigt dus een groot bedrag, dat ik ongaarne in de handen der vijanden zou zien. Nu leg ik de ijzeren plaat er over en daarop de steenen van den haard. Wanneer nu morgen het vuur wordt aangelegd, vult de asch al spoedig de voegen, zoodat niemand op de gedachte zal komen, dat hier geld verborgen ligt».

«Dat is mooi bedacht, Vader», zei Marten. «Ik noem hen knap, die het geld hier vinden».

«Laten wij hopen, dat God deze woning bescherme, zoodat niemand er naar kome zoeken», sprak de vader.

«Amen», zei de moeder ernstig. «En nu, kinderen, welterusten».

«Welterusten», zeiden Anna en Marten. En weldra lag het gezin in een diepe rust, welke dien nacht door niemand gestoord werd. Sloop er wellicht een of andere landlooper om de hoeve rond met minder goede voornemens, Kees hield trouw de wacht, en als zijn bassen over het erf weerklonk, waagde niemand het naderbij te komen.

En ‘s morgens waren allen reeds vroeg in de weer, om den dagelijkschen arbeid te hervatten. Toen in de hoeve van de weduwe Bleeker iedereen nog in een diepen slaap gedompeld lag, waren zij reeds ijverig aan het werk.

Het eerst werden de koeien gemolken en de melk in strem gezet. Daarna werd het ontbijt gebruikt, en nauwelijks was dat genuttigd, of het paard werd voor den hooiwagen gespannen, en vader en zoon reden naar het veld, om het laatste hooi binnen te halen. ‘t Was alweer een mooie dag, en de zon scheen zoo heerlijk op de weiden en tuinen, de bloemen prijkten in zoo heerlijke kleuren en de vogels kwinkeleerden zoo lustig en vredig op de daken der huizen en de takken der boomen, dat men moeite had om te gelooven, dat het land geheel in beroering was en de menschen elkander van den morgen tot den avond vervolgden en vermoordden.

Tegen 12 uur werd het laatste voer het erf opgereden, en korten tijd later behoorde deze hooioogst weer tot het verleden. Marten was daardoor, en ook door het vooruitzicht van de gebraden haantjes, die nu weldra op de tafel zouden prijken, in de vroolijkste stemming geraakt, en hij zong, terwijl hij het paard uitspande en het naar het land bracht, een geuzenliedje, dat toen algemeen gezongen werd. Lustig klonk het:

Slaet opten trommele, van dirredomdeyne, Slaet opten trommele, van dirredomdoes, Slaet opten trommele, van dirredomdeyne, Vive le Geus! is nu de loes!

De Spaensche Inquisiti, voor God maliti, De Spaensche Inquisiti, als Draecx bloet fel, De Spaensche Inquisiti gevoelt puniti, De Spaensche Inquisiti ontvalt haer spel.

Vive le Geus! wilt Christelijk leven, Vive le Geus! hout fraeyen moet: Vive le Geus! God hoedt u voor sneven, Vive le Geus! edel Christen bloet!

«Ha-sa, dat is een lustig liedeken, Marten!» klonk het hem toe, terwijl hij van het land terugkeerde. En opziende ontdekte hij zijn buurjongen Piet Bleeker, die op den dijk stond met de handen in de zakken.

«Die is ook liever lui dan moê», mompelde Marten zacht voor zich heen. En luider sprak hij, niet zonder fijne spotternij, want hij wist wel, dat de familie Bleeker ijverig Spaanschgezind was en den Prins van Oranje en diens strijden voor de vrijheid diep verfoeide:

«Ja, niet waar? Waarom zing je niet mee, Piet? Of ben je misschien bang, dat de Spaansche ooren zoo scherp zijn, dat zij te Amsterdam kunnen verstaan, wat hier gezongen wordt?»

«Die is mooi, hoor!» zei Piet met een smadelijk lachje. «Wat kunnen mij die Spanjolen schelen? Ik heb er immers niets mede te maken? Voor mijn part waren ze hier nooit gekomen, alhoewel ik zeggen moet, dat de Geuzen ook zoo vriendelijk niet zijn. Ik gun hun bezoek ook liever aan de buren, dan het zelf te ontvangen. De hulp van Kees was gisteren zeker lang niet onwelkom, hè?»

«Ha zoo, heb je dat ook al gezien, Piet? Maar wat praat ik; jelui ziet immers alles? Wil ik je eens een goeden raad geven?»

«Wanneer je dat doen wilt, – met alle genoegen», zei Piet. «Een goede raad is immers altijd geld waard?»

«Nu, – neem dan dienst bij de soldaten. Een goede spion kan daar altoos werk genoeg vinden en eene flinke belooning bovendien. Je bent er, geloof ik, beter voor geschikt dan voor het boerenwerk. – Dag Piet!»

Marten was onder het praten de hoeve genaderd en trad deze binnen, waar de reuk van de gebraden hanen hem reeds dadelijk in den neus drong.

«Hè, – lekker!» mompelde hij, den geur opsnuivende. «Toch prettig, dat die twee sinjeurs er zoo lekker nuchter van blijven!»

De boutjes lieten zich uitstekend smaken, en onder het middagmaal werd nog eens smakelijk gelachen om het malle figuur, dat de twee dappere krijgslieden gemaakt hadden. Moeder Fijtje alleen lachte niet van ganscher harte mede, want zij vreesde, dat de beleedigde mannen niet zouden nalaten zich te wreken. En voor die vrees bestond veel grond, want de watergeuzen waren er de mannen niet naar, om een geleden hoon ongewroken te laten. En dubbel beangst gevoelde zij zich, nu Marten straks naar Saardam moest, om boter en eieren naar Jan Gerritsz te brengen. ‘t Was haar op het gelaat te lezen, dat zij zich niet op haar gemak gevoelde, en meermalen zuchtte zij onwillekeurig bij de gedachte aan de gevaren, die haar eenigen zoon bedreigden.

«Moeder is nog niet op haar gemak», zei Marten lachend.

«Och kind, spot niet met mijn angst, want daar bestaat waarlijk wel reden voor», zei ze. «Als je nu vanmiddag maar niet naar Jan Gerritsz moest, – maar de tocht daarheen maakt me bekommerd».

«Wees gerust, moeder», zei Marten. «Ik zal zoo voorzichtig mogelijk zijn en den Dam vermijden. Ik weet zeker, dat de Hopman en zijn vaandrig daar hun intrek hebben genomen. En bovendien, zij zullen mij wel ongemoeid laten gaan, ook al werd ik opgemerkt. Denkt u dan niet, dat zij zich over het geval schamen? Zij zullen het wel aan niemand vertellen, want dan worden zij nog uitgelachen op den koop toe. En wat zouden zij mij doen? Mij opzenden naar Jonkheer van Sonoy, den gouverneur? Dan kwam hun eigen wangedrag aan het licht. Of mij gevangen houden? Daarvoor hebben zij geen reden. Neen, Moeder, u kan gerust zijn».

«’t Is te hopen, Marten. Als Vader nu nog meê ging…»

«Dan was het veel erger», viel Anna in. «Vader is een man, en door eene valsche beschuldiging konden zij hem licht in groote moeilijkheden brengen».

«Volkomen waar», sprak de vader. «’t Is beter, dat Marten alleen gaat. Ik geloof ook, dat zij hem wel ongemoeid zullen laten, zelfs al zien zij hem».

«Toch wou ik, dat die tocht al achter den rug was», hernam de moeder.

Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Marten den botertijns in het roeibootje, alsmede de mand met eieren, haalde de riemen uit de schuur, en riep luchtig:

«Nu, ik ga. Goeden dag, tot straks. – Dag Moeder, wees maar niet bezorgd. Ik ga met het schuitje en heb dus met den Dam niets te maken. Over enkele uren ben ik weer terug».

De moeder keek hem zuchtend na.

Op het erf gekomen, keek Marten zoekend rond, en riep met luide stem:

«Kom Kees, ga je meê met den baas?»

Maar Kees gaf geen teeken van leven, geheel tegen zijne gewoonte in.

«Wel, – wat is dat? Waar zou Kees zitten? Hij komt nooit van het erf af, en laat zich evenmin ooit tweemaal roepen. – Kom Kees, waar ben je? – Ga je meê met den baas?»

Een kort gebrom was het antwoord. ‘t Kwam uit het hondenhok, en Marten begaf er zich heen.

Ha, thans was het raadsel spoedig opgelost. Kees deed zich te goed aan de beenderen van de twee hanen, die Anna hem gebracht had. Hij lag er bij op den grond, en Marten hoorde, hoe hij de beentjes tusschen zijne sterke kaken verbrijzelde.

«Smaakt het lekker, Kees?» vroeg Marten lachend.

Kees kwispelde met den staart, maar bleef doorkluiven.

«Kom Kees, – ga je meê met den baas?»

Kees hief een oogenblik den kop op, en zijn staart kwam opnieuw in beweging. Blijkbaar had hij grooten lust om de uitnoodiging aan te nemen, maar de beentjes vond hij toch ook erg verleidelijk.

Marten maakte een kort einde aan de besluiteloosheid van Kees. Hij raapte de beentjes vlug bij elkander, wat Kees met een boos gebrom beantwoordde, en zeide:

«Kom Kees, ga je meê? Je kunt het eene doen, zonder dat je het andere behoeft na te laten».

Nu begreep Kees de bedoeling volkomen, en onder vroolijke sprongen volgde hij zijn jongen meester. Deze wierp de beentjes op den bodem van het vaartuigje, waar Kees zijn maal kon vervolgen, en stak van wal. Weldra kliefde het bootje de golfjes van de Zaan.

Marten roeide graag, en sterk als hij was, schoot hij flink op. Langs den dijk stonden in dien tijd slechts weinig woningen; hier en daar verhief zich de nok van eene enkele boerenhoeve boven den Zuiddijk. Voetgangers zag hij in het geheel niet. Maar naarmate hij het dorp Saardam naderde, werd het ook drukker op de oevers aan weerskanten, en waren de dijken meer bebouwd. De huizen stonden dichter bij elkander, en hij hoorde de bedrijvigheid van de menschen, die daar aan den arbeid waren.

Nog voor Saardam bereikt was, was Kees met zijn middagmaal geheel gereed gekomen. De kleine beentjes had hij tusschen zijn sterke kaken stuk gebeten en ze daarna als een fijne lekkernij verorberd. En de grootere waren zoo zorgvuldig afgekloven, dat zelfs het kleinste vezeltje er niet meer op gevonden kon worden.

Op enkele minuten afstands van den Dam lag eene scheepstimmerwerf, waarvan Marten den eigenaar kende. Hij was gewoon, als hij met zijn boot te Saardam kwam, daar aan te leggen, wat hem gaarne toegestaan werd. Hij roeide ook nu daarheen, legde zijn schuit vast, en stapte aan den oever. Den botertijns zette hij zich op het hoofd, want zoo droeg hij hem altoos, hing de mand met eieren aan zijn arm, en begaf zich op weg.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/kennemer-vrijbuiter/cornelis-johannes-kieviet/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


